Vitaliteit van het bos hangt af van het tijdstip van meten

ROTTERDAM, 21 nov. Is de toestand van de Nederlandse bossen 'alarmerend', waarbij die van de beuk dit jaar zelfs dramatisch verslechterde? Of bleef de vitaliteit van het bos dit jaar min of meer gelijk, waarbij die van de beuk zelfs licht verbeterde? Op een en dezelfde dag werden gisteren beide meningen, gestaafd door onderzoek, verkondigd. Wordt het Nederlandse bos nu wel of niet het slachtoffer van de vervuiling?

De Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten deelde in een persbericht mee dat op haar 19.000 hectare grote bosbezit in 1989 1,4 procent van alle beuken bijna dood was. In 1990 was dit percentage gestegen tot 14,3 procent. Oorzaak van deze dramatische verslechtering was de droge zomer, aldus dr. B. van Tooren van Natuurmonumenten. Herstel is mogelijk, maar luchtverontreiniging maakt de kans daarop wel kleiner.

Bij andere boomsoorten trad een zekere stabilisatie op, zoals bij de eik waar de toestand echter nog steeds alarmerend blijft, aldus Van Tooren. Voor de eik is luchtverontreiniging 'nog steeds een belangrijke boosdoener', die de boom extra kwetsbaar maakt voor insectenvraat of droogte.

Volgens Natuurmonumenten staat 'de vitaliteit van de bomen nog steeds onder zware druk'. Dat is een Europees probleem, maar specifiek voor Nederland is volgens Van Tooren de hoge uitstoot van ammoniak in de landbouw. Liefst dertig procent van de luchtverontreiniging in ons land komt uit die hoek en het is 'onbegrijpelijk dat juist op dit punt het regeringsbeleid volledig faalt'.

Het ministeriele persbericht stelde daarentegen: 'Onder de loofboomsoorten is de vitaliteit van de inlandse eik dit jaar verder verbeterd. De vitaliteit van de beuk en de overige loofboomsoorten is ten opzichte van 1989 eveneens verbeterd'.

Navraag leert dat de directie Bos- en Landschapsbouw die het onderzoek van het ministerie van Landbouw, natuurbeheer en visserij uitvoerde, de gezondheid van de beuken in juli 1990 onderzocht, voor de droogteperiode. Natuurmonumenten onderzocht haar bossen enkele weken later, na de droogte. De beuken hadden toen een belangrijk deel van hun bladeren verloren.

Onderzoeker R. M. W. J. Nas van de directie Bos- en Landschapsbouw zegt desgevraagd: 'Als wij later hadden gemeten hadden we een heel ander beeld gekregen.' Van Tooren van Natuurmonumenten reageert verbaasd op die uitspraak: 'Als je dat weet kom je toch niet met zo'n persbericht? Dat begrijp ik niet.'

Nas wil het bladverlies bij de beuk echter wel relativeren: 'Dat bladverlies is een verdedigingsmechanisme om de schade van de droogte te beperken. Op de Utrechtse heuvelrug zag je een dramatische reactie, binnen drie uur werden de bladeren geel en vielen ze op de grond. Maar de gezondheid van de beuk hoeft er niet te zeer onder te lijden, de knoppen voor volgend jaar waren al gezet.'

Het persbericht van Natuurmonumenten kwam voor Nas als een verrassing: 'Ze hadden gezegd dat ze dit jaar niet naar buiten zouden treden. Maar nadat wij hen onze conclusies hadden meegedeeld brachten ze alsnog snel een bericht uit. Dat is vervelend, dat is onheus gedrag. We moeten maar eens een hartig woordje met ze spreken.' Van Tooren repliceert: 'Uitgezonderd de beuk leverde ons onderzoek grosso modo dezelfde resultaten op als dat van Landbouw. Maar onze interpretatie is anders.'

Het verschil in interpretatie blijkt met name uit de formulering. Volgens Natuurmonumenten staan onze bossen 'onder zware druk' en is de luchtverontreiniging 'nog steeds een belangrijke boosdoener'. Landbouw concludert daarentegen uit haar metingen dat de vitaliteit van de bossen, na een forse verslechtering tussen 1984 toen begonnen werd met meten en 1987, gestabiliseerd of zelfs licht verbeterd is. De invloed van luchtverontreiniging is weliswaar 'ernstig', maar is voor de jaarlijkse fluctuaties veel minder van belang dan de 'traditionele factoren', zoals droogte en insectenvraat.