Partij en Democratie

Margaret Thatcher een gewonde tijgerin? De 372 stemmen van de Conservatieve Lagerhuisleden waren amper geteld in het paleis van Westminster of de premier stapte in Parijs het BBC-beeld binnen en maakte haar beslissing bekend volgende week dinsdag opnieuw kandidaat te zijn voor het leiderschap van de partij. De snelheid waarmee ze gisteravond reageerde op de voor haar teleurstellende eerste stemming onder haar directe achterban, illustreerde treffend waar een buslading ex-ministers de afgelopen elf jaar op is afgeknapt.

Zij liet zien wie de baas was, op het moment dat overleg meer dan ooit geboden was. De gezichten van haar nog steeds trouwe supporters in het kabinet spraken later op de avond boekdelen. Thatcher besliste in haar eentje, collega's raadplegen kon altijd nog. Het was kwetsend, maar ook handig: voordat iemand kon speculeren over 'wijze beslissingen', 'de weg vrijmaken voor een jongere generatie', et cetera, moest minister van buitenlandse zaken, Douglas Hurd, op dezelfde Parijse ambassadetrappen als een kostschooljongen opnieuw zijn steun aan Thatcher betuigen. En daarmee zijn eigen mogelijke kandidatuur in de tweede ronde wegslikken.

Leiderschap en democratie blijven twee begrippen die niet zonder elkaar kunnen, maar bijna altijd op gespannen voet met elkaar leven. Daardoor is de democratie binnen partijen ook in democratische landen vaak een sluitpost.

Nu de jaarlijkse verkiezing van een leider bij de Britse Conservatieven is uitgelopen op een gevecht tussen geharde politieke dieren, roepen geschrokken aanhangers van de minister-president dat de partijregels onzinnig zijn. Dat zij slechts bedoeld waren voor 'na verloren verkiezingen'. De roep om wijziging is opportunistisch, maar op het eerste gezicht begrijpelijk: wie onthoofdt een leider, die al drie opeenvolgende algemene verkiezingen heeft gewonnen, in het zicht van de volgende stembus?

Het drama zit vol ironie. In de jaren vijftig had de Conservatieve partij nog het in Europa gebruikelijker systeem van vertrouwelijke raadpleging in koffiekamers vol sigarenrook. Na de onbevredigende vertoning bij de opvolging van Macmillan werd het huidige kiessysteem bedacht, dat van zittende leiders een flinke voorsprong vereist willen zij directe herverkiezing zeker stellen. Eigenlijk heel democratisch als men erkent dat zittende leiders werkende weg steeds behendiger met het apparaat omgaan en zelden lijden aan groeiende zelftwijfel.

Edward Heath was de eerste die volgens het nieuwe systeem werd aangewezen, in 1965. Thatcher kon hem tien jaar later dankzij die zelfde regels opzij schuiven. Psychologisch hoort hij daarom thuis in het rijtje miskende Bagdad-reizigers Waldheim-Brandt-Heath, maar hij kan niet klagen dat het bij de opvolging in 1975 oneerlijk is toegegaan.

Het systeem heeft bij de Conservatieven meer dan eens leiders opgeleverd die volgens opiniepeilingen niet de favoriet van het kiezersvolk waren. Maar dat maakt het geheel niet per se ondemocratisch: de aanwijzende Lagerhuisleden hebben in hun eigen kiesdistrict hard moeten sjouwen voor hun eigen verkiezing anoniem een zetel winnen op de bagagedrager van meneer Kok of meneer Lubbers is er in Engeland niet bij.

De vergelijking is even ongeldig als interessant. Zeker nu de commissie-Deetman voorzichtig onderzoek naar de merites van een lichte vorm van districtenstelsel hier weer op de politieke agenda heeft gezet. De band tussen kiezer en gekozene moet worden versterkt, zeggen de fractievoorzitters in de commissie. (Vraag een redelijk geinformeerde staatsburger(es) in Nederland maar eens hoeveel van de nu zittende 150 Kamerleden hij of zij kan opnoemen. Ik schat hooguit twintig. En vraag vooral niet welke standpunten die twintig verdedigen.)

In Engeland wordt op het ogenblik een staatsrechtelijk debatje gevoerd over de vraag of de Conservatieve Lagerhuisleden met hun eventuele keuze voor een andere leider ook van de koningin kunnen verlangen dat zij die keus volgt en de betrokkene onverwijld minister-president maakt, zonder verkiezingen. Een soortgelijke vraag kan hier aan de orde komen wanneer Lubbers tussentijds door Martens en Thatcher naar de Europese Commissie wordt ontboden en het CDA wil dat Brinkman hem opvolgt.

Heel mooi, maar wie bepaalt in Nederland uberhaupt wie een partij leidt? De informele smaakmakers binnen de partij, mensen die lang niet allemaal via een stembus in die positie zijn terechtgekomen. Als de keus gemaakt is, wordt een door vrijwel niemand verkozen partijcongres vaak in de gelegenheid gesteld het resultaat te bekrachtigen. Een democratisch dansje achteraf.

Wanneer hebben wij voor het laatst een mooie, openbare race gehad om het leiderschap binnen een partij? Niet binnen de belangrijkste regeringspartij, het CDA. Van Agt was op een dag gevlogen, Lubbers verschoot van kleur en ging het land leiden. Met eerst Bert de Vries, en daarna Brinkman als parlementaire filiaalchef. Jaarlijkse herverkiezing? Hoezo.

Bij de PvdA streden Wim Meijer en Max van den Berg in een grijs verleden om het partijvoorzitterschap, een functie met wisselende invloed maar zonder status in het staatsrecht, waarvan de bekleder wordt aangewezen door partijleden die zichzelf hebben aangewezen als activist. De echte leiders, Den Uyl en later Kok, kwamen voort uit de partij-moesjawara. Waarschijnlijk met brede steun van de partij, maar een doorzichtige en overtuigende procedure om het voortduren van die consensus regelmatig te toetsen, is er niet.

En dan de VVD, die gisteren een rapport van een commissie van oudgedienden zag aanbieden aan een partijvoorzitter in wie het partijcongres van jongstleden mei zo weinig vertrouwen had dat een commissie moest worden ingesteld. Misschien heeft de VVD, na het weinig fijnzinnige afscheid van Nijpels en Voorhoeve, en het debuut van Bolkestein, wel het meest acuut behoefte aan een omgangsregeling met de leider. Om geinstitutionaliseerd vertrouwen te creeren. Het democratisch gehalte van de leiding van een partij zegt iets over de geschiktheid van die partij om mee te regeren in een democratie.