LOONGOLF

Tegen het einde van de gouden jaren zestig waren de spanningen op de arbeidsmarkt zo hoog opgelopen dat een dramatische ontlading onvermijdelijk bleek. Vanuit de Rotterdamse haven spoelde een loongolf van 400 gulden ineens over heel Nederland. In guldens van nu kregen alle werknemers destijds een eenmalige uitkering van ruim duizend gulden. Sinds de eerste helft van de jaren zeventig hebben centrum-linkse en centrum-rechtse regeringen door loonmaatregelen geprobeerd de snelle stijging van de arbeidskosten te beteugelen. Dat was vergeefse moeite. De wal zou het schip pas keren.

Aan een decennium van intensieve maar vruchteloze overheidsbemoeienis met de lonen kwam in 1982 een eind. Voortaan mochten werkgevers en werknemers hun geschillen over de arbeidsvoorwaarden weer onderling uitvechten in de bedrijven en bedrijfstakken. Dit terugtreden van de overheid resulteerde niet in een loonexplosie. In de rest van de jaren tachtig was het verloop van de lonen zelfs opvallend gematigd. Onder invloed van de hoge en aanvankelijk nog oplopende werkloosheid temperden de bonden hun eisen, omdat de achterban vreesde voor verlies van de eigen arbeidsplaats. Door deze loonmatiging profiteerde ons land ten volle van de internationale economische opleving. Winsten en investeringen herstelden zich krachtig; in de marktsector kwam er ruim een half miljoen banen bij.

In tijden van economische neergang is decentralisatie van het overleg over de arbeidsvoorwaarden voordelig voor werkgevers. Zij betoonden zich de afgelopen jaren daarom warme voorstanders van dit loonmodel. Nu de economie bloeit en de krapte op de arbeidsmarkt snel toeneemt, worden de werkgevers met de keerzijde van de decentralisatiemedaille geconfronteerd. Werknemers zijn het matigen zat en willen hun sterke positie begrijpelijkerwijs eindelijk verzilveren.

Opnieuw, net als twintig jaar geleden, vonkt het in de Rotterdamse haven waar de vervoersbonden een looneis van bijna zes procent hebben gesteld. Daarvan is ruim twee procent bedoeld als compensatie voor de stijgende kosten van het levensonderhoud. Wordt deze eis ingewilligd, dan zal de koopkracht van de twintigduizend havenwerkers volgend jaar met drie tot vier procent stijgen.

CAO-coordinator Draijer van de FNV blijkt vooraf niet op de hoogte te zijn gesteld van de forse looneisen. Hij toonde zich dit weekend boos en diep ongelukkig maar had beter moeten weten. De afzonderlijke bonden trekken zich steeds minder aan van de lijn die de top probeert uit te stippelen. Voorzitter Ruud Vreeman van de Vervoersbond FNV ontpopte zich al in de tijd dat hij nog als vormingssocioloog bij de Industriebond werkte als een warm voorstander van de loonstrijd. Deze syndicalist bij uitstek wil net als de actieve leden dat er geld op tafel komt; het banenverlies dat daarvan het gevolg is, interesseert hem niet. Komen er ontslagen, dan is dat immers de schuld van de bazen. Zijn beleid lokt onder alle omstandigheden nieuwe leden. Poen erbij in de vette jaren, en acties tegen gedwongen ontslagen in magere jaren.

De FNV-top staat machteloos. Nadat het kabinet eerdere avances van de vakcentrale (loonmatiging in ruil voor harde afspraken over werk en scholing) had afgewimpeld, kozen de CAO-baronnen van de aangesloten bonden voor een aanpak waarbij per bedrijfstak naar een maximaal resultaat wordt gestreefd. Sommige bonden malen blijkbaar niet om inkomenssolidariteit met uitkeringsontvangers en collega's in zwakkere bedrijfstakken. De leiding van de vakcentrales FNV en CNV vreest daarom voor een nieuwe loongolf.

De nadelen van zo'n sociaal-economische vloedgolf zijn duidelijk. In de havens, waar het momenteel goed gaat, kan misschien wel zes procent extra worden betaald maar een vergelijkbare loonsverhoging over de hele linie zou de concurrentiekracht van Nederlandse bedrijven en daarmee de werkgelegenheid ernstig schaden. Voor Philips is een loonronde van zes procent ronduit rampzalig.

Bovendien maakt een loongolf de koppeling van de uitkeringen volstrekt onhoudbaar. De opstellers van het regeerakkoord namen vorig najaar aan dat werknemers in de totale kabinetsperiode er zegge en schrijve een procent in koopkracht op vooruit zouden gaan. Toegegeven, dat was een nogal werkelijkheidsvreemde veronderstelling. Het regeerakkoord bepaalt echter dat hogere ('onverantwoorde') loonstijgingen een reden voor ontkoppeling van de uitkeringen zijn. Bovendien raken de overheidsfinancien door forse loon- en prijsstijgingen ernstig in het ongerede. In dit klimaat floreert het volksbedrog.

Draijer had blijkens een bericht in de Volkskrant liever gezien dat in de havens een eenmalige uitkering was gevraagd. Deze vormt geen onderdeel van het contractloon. Eenmalige uitkeringen worden niet doorgegeven aan uitkeringsontvangers omdat de uitkeringen aan het kale contractloon zijn gekoppeld. Voor mensen met een uitkering is het echter lood om oud ijzer. Want door de koppeling aan gematigd stijgende CAO-lonen - terwijl werkers daarenboven eenmalige uitkeringen pakken - blijft hun uitkeringsinkomen net zo goed achter als door een rechtstreekse ontkoppeling van omhoogschietende CAO-lonen.

De opkomende loongolf spoelt de grondslag onder het derde kabinet-Lubbers weg. Voorspelling: over een paar weken gaan woordvoerders van de regeringspartijen pleiten voor loonmaatregelen. Dat kan volgens de Wet op de loonvorming alleen bij een plotselinge noodsituatie. Een gewapend conflict in de Golf zou de loonregelaars daarom niet slecht uitkomen. Loonmaatregelen zijn echter onvoldoende effectief, getuige de ervaringen uit de jaren zeventig. De koppeling zal daarom volgend jaar worden losgelaten omdat zij is gebaseerd op een vorm van solidariteit die de economisch actieven niet willen opbrengen.