Koeweitse regering heeft maar bitter weinig te regeren

TAIF, 21 nov. De plek ligt zeventig kilometer ten westen van Mekka, maar voor ongelovigen is de weg ruim twee keer zo lang. Hij maakt een grote boog om de heilige plaatsen, voert door een gloeiende woestijn en kronkelt dan omhoog langs de grauwe wanden van een immens rotsmassief waar obsceen gekleurde apen vijandige blikken werpen naar de onschuldige passant. Op een van de hoogste toppen van het gebergte, vlakbij de om zijn koele lucht befaamde stad Taif, staat een luxueus hotel in Amerikaanse stijl. Omgeven door wegversperringen en bewaakt door Saoedische militairen resideert hier de regering van Koeweit in ballingschap.

In de hal ruikt het naar wierook en dure sigaren. Op de eerste vier verdiepingen zijn de meeste kamers tot kantoren omgebouwd, waar druk wordt getypt, gefaxt en getelefoneerd. Maar wie tot de vijfde etage weet door te dringen, stapt binnen een sfeer van nauwelijks verholen landerigheid. Het voltallige kabinet is aan de Iraakse bezetting ontkomen, uitgezonderd de minister van sportzaken, en juist hij had vermoedelijk het beste de activiteit kunnen organiseren die de ministersploeg in de huidige omstandigheden node ontbeert.

Zeker, het kabinet komt regelmatig in vergadering bijeen, maar te regeren valt er nu eenmaal bitter weinig. Op een doordeweekse ochtend drentelen de bewindslieden wat door hun suites, of ze hangen in diepe fauteuils voor de televisie. Dr. Ali al-Shamlan en dr. Hommod al-Rakaba, respectievelijk belast met de portefeuilles van hoger onderwijs en energie en water, lijken bijna verheugd om met een bezoeker te kunnen praten. Als dat zou worden gewenst, halen ze er trouwens graag een derde, vierde of vijfde collega bij.

De twee ministers beseffen dat over de toekomst van hun land niet door hen maar door de rest van de wereld wordt beslist. De een denkt dat een oorlog onvermijdelijk is, de ander vermoedt dat Saddam Hussein zich onder internationale druk zal terugtrekken uit Koeweit. Allebei vinden ze het wachten met de dag ondraaglijker. 'Deze vier maanden lijken wel veertig jaar, ' meent Al-Rakaba. 'Een Arabisch spreekwoord zegt: 'de man met zijn hand in het vuur heeft minder geduld dan hij die ernaar kijkt' ', vult Al-Shamlan aan.

15 miljard schade

Zo goed en zo kwaad als dat op 2.000 kilometer afstand gaat, proberen ze bij te houden hoe het met hun departementen is gesteld. 'De ontziltingsinstallaties werken nog en nu de winter nadert worden de airconditioners lager gezet zodat er minder elektriciteit nodig is', zegt Al-Rakaba, 'maar alle reserve-onderdelen zijn weggehaald en zodra er iets stuk gaat is het niet meer te herstellen'. Scholen en universiteiten zijn geheel leeggehaald, weet zijn collega. Niet alleen de computers, de laboratoria en de boeken zijn in vrachtwagens naar Irak vervoerd, ook de tafels en de stoelen zijn gestolen en zelfs de schoolborden zijn van de wanden geschroefd. De tien universiteiten van Irak hebben ieder een vertegenwoordiger naar Koeweit gestuurd om ter plekke de buit te kunnen verdelen. In de lege lokalen zijn nu de bezettingstroepen gehuisvest. De regering in ballingschap houdt een zo nauwkeurig mogelijke boekhouding bij van de schade als gevolg van roof en vernieling. Ze becijfert het totale verlies in dollars inmiddels op 15 miljard.

Nieuws over Koeweit bereikt de buitenwereld alleen via de nog steeds aanhoudende stroom van vluchtelingen. Ze worden bij aankomst zorgvuldig ondervraagd en als het waaghalzen zijn hebben ze soms een brief of zelfs een paar foto's bij zich, die in de hal van het regeringshotel worden geexposeerd. Meer dan 300.000 van de ongeveer een miljoen Koeweiti's zijn nu in het buitenland en de regering hoopt dat dat aantal niet verder groeit. Geld om hen te ondersteunen is er voorlopig genoeg. Maar met iedere burger die het vaderland verlaat, wordt Koeweit een beetje meer een provincie van Irak. Het is een dilemma. Terwijl de regering aan de ene kant haar best doet om de hele wereld duidelijk te maken dat de toestand in Koeweit door honger, ziekte en wreedheden met de dag erger wordt, roept ze anderzijds haar eigen onderdanen op om zich vooral niet aan de ellende te onttrekken.

Wie toch eenmaal buiten is en tussen de 20 en 25 jaar en van het mannelijk geslacht, kan dienst nemen in het kleine regiment Koeweiti's dat zich in het noorden van Saoedi-Arabie samen met Fransen, Egyptenaren en Syriers voorbereidt op de herovering van de geboortegrond. De vrijwilligers hopen straks als eersten de bevrijde hoofdstad te mogen binnentrekken. Het regiment geeft in ieder geval de minister van defensie wat werk omhanden: hij koopt af en toe wapens voor de manschappen in.

De invasie heeft volgens Al-Rakaba en Al-Shamlan laten zien dat Koeweiti's een enorme vaderlandsliefde en een groot gevoel voor saamhorigheid bezitten. Dat bleek al meteen in de eerste week van augustus toen Saddam Hussein er niet in slaagde een 'revolutionaire regering' samen te stellen. 'Toen uw land door de Duitsers bezet was, waren er, meen ik, wel Nederlanders die voor hen wilden werken, ' zegt de minister van hoger onderwijs. 'Bij ons is zoiets gelukkig ondenkbaar'.

Volgens de eerste berichten kregen de Irakezen wel steun van een deel van de 350.000 Palestijnen die als gastarbeider in Koeweit werkten, maar Al-Shamlan weet dat hun enthousiasme voor Saddam Hussein inmiddels sterk is afgenomen. 'Ze hebben gezien hoe slecht de bezetters zich gedragen en hoe het land door hun toedoen achteruit is gegaan. Saddam Hussein heeft hun spaargeld waardeloos gemaakt en hun salarissen teruggebracht tot een fractie van wat ze vroeger verdienden. Tweehonderdduizend Palestijnen hebben Koeweit al verlaten en ze gaan heus niet naar Irak. Daar hebben ze niets te verwachten. Irak heeft zijn grenzen altijd voor hen open gehad, maar toch is er geen land in het Midden-Oosten waar zo weinig Palestijnen wonen. Dat geeft te denken, vindt u niet?'

Zowel Al-Shamlan als Al-Rakaba verzekert dat de regering van Koeweit na de bevrijding niet zal discrimineren tegen de Palestijnen. 'Ze blijven in principe welkom in ons land. We staan immers achter hun streven naar een eigen staat en hoe het voelt om een balling te zijn begrijpen we nu beter dan ooit. Iets anders is, dat de PLO dringend een nieuwe leiding nodig heeft. Arafat heeft zijn volk een slechte dienst bewezen door te kiezen voor Saddam Hussein.'

Toekomst

Over de toekomst van Koeweit na de bevrijding heeft de regering een maand geleden in Jeddah een grote conferentie belegd. Meer dan duizend ballingen betuigden bij die gelegenheid hun steun aan het vorstenhuis, de familie Al-Sabah. Dat gebeurde echter niet dan nadat de emir en de kroonprins, die de dagelijkse leiding over de regering voert, in hun openingsverklaring hadden beloofd dat herrijzend Koeweit straks democratischer zal worden bestuurd dan voorheen. Koeweit had een voor Arabische begrippen tamelijk vooruitstrevende vorm van bestuur, met een volksvertegenwoordiging die de macht bezat om de regering naar huis te sturen en zelfs een veto van het staatshoofd ongedaan kon maken.

In 1986 heeft de emir dit parlement echter ontbonden, volgens de minister van hoger onderwijs als gevolg van de enorme spanningen die de oorlog tussen Iran en Irak had veroorzaakt. 'Koeweiti's zijn nooit bang geweest om hun mening te uiten en in juni zijn er net weer verkiezingen geweest. Het nieuwe parlement had zich in de eerste plaats moeten bezinnen op maatregelen om onze democratie beter te laten werken. Dat moet nog steeds, maar nu staat bij voorbaat vast dat de emir en de oppositie niet tegenover elkaar zullen staan. In het nieuwe Koeweit zal dat niet meer nodig zijn, het wordt straks beter dan het ooit is geweest.'

Uit de gedachte spreekt een stellig geloof in een spoedige bevrijding, dat voorlopig door Koeweiti's overal ter wereld wordt gedeeld. Niemand van de ballingen heeft tot nu toe op de mogelijkheid durven wijzen dat het ook wel eens heel lang kan duren voor Saddam Hussein Koeweit verlaat. Als dat tenminste ooit gebeurt. Dat de wereld zich uiteindelijk van hen even weinig zou kunnen aantrekken als van de Palestijnen, is een mogelijkheid die niet bij hen opkomt. Daarom beschouwen zij het verblijf in door hun regering betaalde hotels en appartementen als zeer tijdelijk; de koffers staan er klaar voor de terugkeer naar Koeweit.

Juist de comfortabele omstandigheden waarin zij hun ballingschap kunnen doorbrengen, maakt het voor de rest van de wereld echter moeilijker om medelijden met hen te tonen dan wanneer zij achter prikkeldraad in barakken zouden zitten. De meeste Koeweiti's hebben voor dit aspect van hun situatie geen bijzonder scherp ontwikkeld oog. Met een immens vertoon van verontwaardiging vertelt een jonge diplomaat tijdens het middageten op een van de lager gelegen verdiepingen van het hotel een nieuwtje dat hij net gehoord heeft van een buurman die is gevlucht. Iraakse soldaten hebben al twee auto's uit het huis van zijn familie geroofd. De vraag hoeveel er dan nog over zijn, wekt geen argwaan bij hem op. Terwijl hij voor zijn geestesoog het wagenpark inspecteert, prevelt hij geluidloos: Mercedes, BMW, Cadillac, Cadillac, Chevrolet en zegt dan: 'Zeven!'.

Maar zelfs die zeven offert hij graag op als ze verloren mochten gaan bij de herovering van de stad. Hij weet het zeker: zodra de wederopbouw eenmaal goed op gang is, krijgt hij er de nieuwste modellen voor terug.