JAPAN ALS AMERIKA'S ANGSTDROOM; VS zijn toe aan nieuwe visie op economische aartsrivaal

Onbegrip en wantrouwen beheersen al jaren de relatie tussen de VS en Japan. Voordat Saddam Hussein Koeweit annexeerde, was Japan in Amerika 'Volksvijand Nummer Een'. De angst voor een economische supermacht: 'Ze hebben onze stranden en gebouwen. Nu zijn ze op onze hersens uit'.

Een ezel stoot zich wel vaker aan dezelfde steen. Toen de Amerikaanse president Eisenhower in 1960 naar Tokio wilde reizen om het defensieverdrag tussen beide landen te hernieuwen, brak in Japan een golf van protesten en geweld los waardoor hij uiteindelijk van zijn bezoek moest afzien. Na de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki was de angst voor alles wat naar militarisme riekte overheersend geworden.

'Nooit is het wanbegrip groter geweest', schreef de onlangs overleden Japan-specialist Edwin O. Reischauer destijds in een geruchtmakend artikel, The Broken Dialogue, in Foreign Affairs. Hij hekelde de Amerikaanse politici die de politieke situatie in Japan hadden onderschat en de oppositie volkomen hadden genegeerd. Zijn artikel werd gretig gelezen en president Kennedy plukte Reischauer, die in Japan was geboren en getogen, van Harvard om als Amerikaans ambassadeur de dialoog te herstellen.

Dertig jaar later heeft het Witte Huis de situatie niet veel beter getaxeerd. Irak was Koeweit nog niet binnengevallen of Amerika wilde dat Japan zijn deel zou leveren. Aanvankelijk ging het om geld, later om troepen. Premier Kaifu wrong zich in alle bochten om 2000 soldaten van het Japanse 'zelfverdedigingsleger' dat eigenlijk alleen mag uitrukken als het land zelf wordt belaagd, naar de Golf te sturen. Hevige protesten dwongen de Japanse regering ruim een week geleden het plan te laten varen. Een tegenvaller voor Washington.

Amerika kampt met imperial overstretch zoals de Britse historicus Paul Kennedy terecht beweert en kan zijn defensie-apparaat in de rest van de wereld niet meer betalen. Japan wordt als een free rider beschouwd omdat het als geen ander heeft geprofiteerd van het naoorlogse handelssysteem en slechts een lichte defensielast heeft. Daardoor zit Tokio goed bij kas en is het de bankier van de wereld geworden, vooral van de Verenigde Staten. Al sinds jaren is het forse handelstekort met Japan de Amerikanen een doorn in het oog. De onenigheid over de gebrekkige toegang tot de Japanse markt laaide vorig jaar zo hoog op dat Amerika Tokio op de lijst van oneerlijke handelspartners plaatste.

'Washington is kortzichtig om de militaire positie van Japan juist nu ter sprake te brengen, terwijl de kruitdampen van de handelsruzie amper zijn opgetrokken en de keizerlijke troonsbestijging van Akihito in volle gang is. Dat levert politiek dynamiet op', zegt Germaine Hoston, Amerikaans politicologe en Japan-kenner van de Johns Hopkins University. Vorige week was zij in Nederland voor een studiebijeenkomst in het Haagse instituut voor internationale betrekkingen, Clingendael.

SINDS DE oorlog rust in Japan een taboe op het leger dat verantwoordelijk wordt gesteld voor de smadelijke nederlaag. De wekenlange, omstreden ceremonies rond de troonsopvolging van Hirohito herinneren teveel Japanners aan de rol van het keizerlijk huis bij de militaire invasie van de buurlanden in de jaren dertig.

'De doos van Pandora gaat open als je nu in Tokio over een actieve taak van het leger praat', meent Hoston. Ze wijst op gewelddadige aanvallen van extremisten op tal van gebouwen. Amerika onderschat volgens haar het diepe verzet van de oppositie maar ook van de diverse facties binnen de regerende Liberale Democratische Partij tegen een militaire rol voor Japan.

De weigering om het leger in de Golfcrisis in te zetten zal de toch al verstoorde verhouding met Amerika geen goed doen. In de Verenigde Staten neemt de weerzin tegen Japan met het jaar toe. Regelmatige handelsruzies zijn het meest oppervlakkige signaal dat het niet botert tussen de twee bondgenoten. Voordat Saddam Hussein de aandacht afleidde, was Japan bij veel Amerikanen 'Volksvijand Nummer Een', zo wezen tal van opiniepeilingen uit.

Wantrouwen en angst over elkaars bedoelingen beheersen de nationale psyche in beide landen. Hysterische reacties op Japanse aankopen in de VS - zoals Rockefeller Center door Mitsubishi - spreken boekdelen. 'Ze hebben onze stranden en gebouwen. Nu zijn ze uit op onze hersens. Zij willen ons overnemen', zei een Amerikaanse ondernemer vorig jaar tegen het zakenblad Fortune.

Waarom vinden zoveel Amerikanen Japan een bedreiging? Dat wantrouwen heeft een lang verleden. Na de Amerikaanse bezetting van Japan was Washington blij met de hard werkende en ongevaarlijke bondgenoot in het Verre Oosten. Maar in de jaren zeventig begon de stijgende Japanse import langzaam maar zeker het vertrouwen tussen beide partners te ondermijnen.

In de zomer van 1979 ging er een schok door Amerika. Chrysler, het glanzende symbool van The American Dream, was verongelukt. Op een dramatische persconferentie maakte topman John Ricardo bekend dat de autofabrikant op een faillissement afstevende als de staat niet te hulp zou schieten. De Nissans en Honda's hadden zoveel van de Amerikaanse markt afgesnoept dat Chryslers aandeel was gekelderd van ruim zestien procent in de jaren zestig tot negen procent.

Het was het begin van een lange periode van reorganisaties en ontslagen in de auto-industrie. Toen de recessie begin jaren tachtig uitbrak en ook in andere industrietakken zoals de staal- en textielbranche honderdduizenden banen verdwenen, werd Japan de zondebok voor Amerika's frustraties.

'De Japanners gaan ons levend opeten', had Lee Iacoca al voorspeld toen hij nog topman was bij Ford. Ontslagen arbeiders koelden hun woede door Japanse auto's met mokers in elkaar te slaan en op de trappen van het Congres werden made-in-Japan-radio's vernield. 'Amerika's arbeiders zijn boos', schreef Newsweek en daarmee was geen woord te veel gezegd. Onder druk van de industrie en het Congres besloot de regering-Reagan tot importbeperkende maatregelen voor auto's, staal en elektronica. Dat leverde eindeloze twisten op tussen beide landen omdat het Amerikaanse handelstekort met Japan steeds groter werd.

ALLE protectionistische maatregelen ten spijt werden Japanse produkten alleen maar populairder. Halverwege de jaren tachtig werd in de VS geen radio meer gemaakt hoewel Amerikanen de radio hadden uitgevonden, er werd geen zwart-wit-televisie meer geproduceerd hoewel Amerika de tv had uitgevonden. Video-cassetterecorders werden in Japan gefabriceerd, net als bijna alle rekenmachines, horloges en veel hifi-apparatuur. Slechts een fabrikant van motorfietsen overleefde de Japanse concurrentie: Harley Davidson. En een pianobedrijf: Steinway, hoewel daarvoor inmiddels ook al buitenlandse kopers op de loer liggen.

Onder Reagan werden in de VS miljoenen nieuwe banen gecreeerd, maar uitsluitend in de slecht betaalde dienstensector. Geschoolde vakarbeiders die de basis van de Amerikaanse produktie vormden, hadden hun reele lonen zien dalen en veel werkgelegenheid verloren zien gaan. In enkele jaren tijd was de Amerikaanse industrie 1,8 miljoen banen kwijtgeraakt: in de machine-produktie, in de groot- en kleinmetaal, in de auto-industrie, in de textiel. De oorzaak van het industriele verval werd buiten het eigen land gezocht. 'Het gevaar komt uit Japan', schreef de gerenommeerde journalist Theodore White in 1985 oorlogszuchtig in The New York Times en vertolkte daarmee een gevoel dat bij veel Amerikanen leefde. Japan had de oorlog verloren en was beloond met een wereldmarkt die vele malen groter was dan de 'Great East Asia Co-Prosperity Sphere' die Japans militairen voor de oorlog wilden creeren, schreef hij verbitterd in een verhaal over Japans 'oneerlijke handelstactieken'.

Een devaluatie van de dollar moest de handelsbalans tussen beide landen rechttrekken. Maar het tekort bleef stijgen. Niet alleen groeide het aantal Japanse bedrijven dat zich in Amerika vestigde, door de goedkope dollar en de hoge rente kocht Japan ook Amerikaans onroerend goed, bedrijven en staatsobligaties. Opnieuw reageerden Amerikanen paniekerig. 'Gewapend met een kolossaal handelssurplus van 85 miljard dollar met de rest van de wereld, koopt Japan grote stukken van Amerika op', schreef Newsweek.

In 1982 bedroegen Japans nieuwe directe investeringen nog 4,5 miljard dollar, in 1988 stak Japan ruim 53 miljard dollar in Amerikaanse fabrieken en bedrijven. Japanse beleggers financierden bijna dertig procent van Amerika's overheidstekort. Engeland en Nederland waren nog altijd de grootste investeerders in de VS maar de snelheid en omvang van de Japanse investeringen waren vele malen groter dan voorheen.

De Japanse expansie in de VS maakte veel Amerikanen vijandig. Amerika's problemen leken de keerzijde van Japans succes. Op industrieel en technologisch gebied boekten Japanse bedrijven steeds meer terreinwinst. In industrietakken als de textiel, staal, chips en grote computers waren Amerikanen vaak uitvinders geweest. In de jaren tachtig gingen Japanners er in hun ogen 'met de markt' vandoor. Op financieel terrein ontpopte Japan zich - met een kapitaalexport van 137 miljard dollar in 1987 - tot de koning Midas van de wereld. De historicus Paul Kennedy strooide extra zout in de wonden met zijn these dat de VS door de technologische en industriele achteruitgang tot een tweederangs natie zouden terugvallen.

Uit een onderzoek in 1988 bleek dat bijna zestig procent van de Amerikanen de economische rivaliteit tussen Amerika en Japan een 'groter gevaar vond voor de nationale veiligheid' dan 'onze militaire tegenstanders in de Sovjet-Unie'. Dat is nauwelijks veranderd.

Inmiddels is er een nieuwe verdachtmaking aan het adres van Japan geuit. Japanners kopen niet alleen bedrijven en de binnenstad van Los Angeles op, maar ook Amerikaanse politici. 'De nationale veiligheid van Amerika wordt bedreigd', schrijft Pat Choate, een politiek econoom en voormalig vice-president bij het elektronica-concern TRW Inc. Choate schreef een boek, Agents of Influence, over de Japanse lobby in Washington. Hij heeft een lange lijst aangelegd van Amerikanen die zodra ze de overheidsdienst verlaten, voor Japanse bedrijven als lobbyist gaan werken.

Choate legt de vinger op de zere plek in het Amerikaanse politieke bedrijf waar ethiek ver is te zoeken en iedereen voor geld te koop is. Maar hij schildert Japan af als een grote samenzwering die overal in Amerika zijn tentakels uitslaat: in Washington, in de media, in de elektronica-industrie, in politieke partijen en op de universiteiten. Door dit overdreven vijandbeeld te creeren, schiet Choate zijn doel voorbij. Lobbyen is niet verboden en is in de wereld van handel en politiek aan de orde van de dag. Dus waarom zou Japan - als belangrijkste handelspartner - dat ook niet doen. Choate schrikt van de omvang en efficiente organisatie waarom Japanners befaamd zijn.

Daarmee voegt hij zich bij de echte Japan-bashers, die te pas en te onpas Japan als grote boosdoener aanwijzen voor de zwakheden in het politieke en economische stelsel van Amerika. Aanvankelijk was het beuken op Japan vooral een blauwe boorden-fenomeen van automobiel-arbeiders die hun baan kwijtraakten. Maar in de loop van de jaren tachtig begonnen steeds meer witte boorden zich tegen Japan af te zetten. Dit jaar lijkt het anti-Japanisme in Amerika een hoogtepunt te bereiken. In ieder geval op papier. In een golf van boeken wordt Japan niet alleen als economische rivaal afgeschilderd maar ook als potentiele militaire vijand die Amerika wel eens zou kunnen aanvallen. The End of the American Century, van Steven Schlosstein, The Second U. S.-Japanese War van George Friedman en Strangers From a Different Shore van Ronald Takaki zijn slechts een greep uit de overvloed aan boeken waarin Japan als boosdoener wordt afgeschilderd.

'Veel Amerikanen zijn bang voor Japan door zijn groeiende economische macht', zegt politicologe Germaine Hoston. Lange tijd stond Amerika Nummer Een in de wereld. Het kan maar niet verteren dat het op economisch terrein wordt ingehaald door 'een of ander Aziatisch land'. De oorzaak van de financiele en economische problemen wordt niet in Amerika zelf gezocht. Net als honderd jaar geleden is Amerika bevreesd voor het 'gele gevaar'. Nog in 1907, onder president Teddy Roosevelt, dreigde een oorlog tussen Amerika en Japan, omdat Californie de Japanse immigratie een halt wilde toeroepen.

ANTI-JAPAN gevoelens in Amerika komen volgens Hoston ook voort uit puur racisme. In de jaren tachtig werd in Detroit een Chinees vermoord omdat hij werd aangezien voor een Japanner. 'Amerikanen zijn racistischer geworden', meent Hoston. 'Niet alleen ten aanzien van Japanners, ook ten aanzien van zwarten en Latijnsamerikanen'.

Amerika erkent de veranderde machtsrelatie met Japan niet. Het gaat ervan uit dat Japan in de handel liegt en bedriegt, anders zou het economisch niet zo sterk zijn geworden. Japan is anders en Amerika ziet dat als oneerlijk. Dat levert een toenemende communicatiestoornis op. Amerika heeft eenvoudig geen zin om zich in Japan te verdiepen zoals het zich in Europa verdiept, zo lijkt het.

Omdat Japan anders is, vergt het een andere dan de traditionele benadering door de Amerikaanse regering. Daarvoor pleit een aantal auteurs dat onder de verzamelnaam 'revisionisten' de laatste jaren school heeft gemaakt. Academici, journalisten en politici zoals Clyde Prestowitz, voormalig Amerikaans handelsvertegenwoordiger, de Californische Japan-deskundige Chalmers Johnson en de Nederlandse journalist Karel van Wolferen. Zij vormen een respectabel alternatief voor de emotionele bashers die niet verder komen dan het kapotslaan van Japanse elektronica.

Japan is anders omdat het producenten bevoordeelt en niet consumenten, vindt de revisionistische school. Omdat het niet gelooft in de onzichtbare hand van Adam Smith, in een systeem waarin alleen het eigenbelang van de vrije markt een efficiente samenleving oplevert. Omdat aandeelhouders liever dividend laten passeren opdat hun onderneming blijft bestaan. Omdat het veel produkten liever zelf maakt dan importeert en daardoor nog veel onzichtbare barrieres heeft tegen buitenlandse import.

De revisionisten menen dat Japan Amerika op technologisch en industrieel terrein onder meer kon inhalen doordat de Japanners de economie tot de nationale veiligheid rekenen. 'Japan streeft naar industriele dominantie omdat dat de enige waarborg is voor veiligheid', stelt Van Wolferen in The Enigma of Japanese Power. Dus na de oorlog werd 'het inhalen van de sterksten ter wereld' een obsessie.

Maar voor de Amerikaanse regering die staatsinterventie in het economisch leven nog altijd verdacht vindt, heeft nationale veiligheid alles met defensie en niets met economie te maken. Bescherming van sleutelindustrieen tegen buitenlandse concurrentie is uit den boze. Door die opstelling heeft Amerika op het gebied van hoogwaardige technologieen aanzienlijk terrein verloren. Eind jaren tachtig liep Japan in twaalf sleutelindustrieen voorop, Amerika in drie en in tien sectoren waren beide landen even sterk.

'Een van de grote drama's van de tweede helft van de twintigste eeuw', noemt Clyde Prestowitz de teloorgang van Amerika's chipindustrie in een verslag van zijn jarenlange ervaring als Amerikaans handelsvertegenwoordiger. De VS raakten ook in andere belangrijke markten terrein kwijt, van industriele robots en computers tot gereedschapsmachines.

Het resultaat is dat bij voorbeeld de Amerikaanse defensie-industrie steeds afhankelijker wordt van chips uit Japan. En dat bedreigt volgens Prestowitz Amerika's nationale veiligheid. Suggereert de Japanse nationalist Ishihara in het geruchtmakende boekje Het Japan dat Nee kan zeggen al niet dat Tokio het machtsevenwicht in de wereld kan veranderen door geen chips meer aan Amerika te leveren maar aan de Sovjet-Unie?

Daarom pleiten de revisionisten voor een Amerikaans industriebeleid, opdat de overheid voorwaarden creeert om belangrijke industrieen te stimuleren, en voor 'managed trade' (als Japan bepaalde produkten uit Amerika buiten de deur houdt, zou het gedwongen moeten worden om voor hetzelfde bedrag andere Amerikaanse produkten te importeren). 'Waarom heeft Amerika geen ministerie van industrie?', vroeg Sony-topman Akio Morita zich af in het 'No-boek' dat hij samen met Ishihara schreef.

DE AMERIKAANSE regering gaat dit allemaal veel te ver. Het Witte Huis vindt dat Japan moet veranderen en wil zich vergaand bemoeien met de organisatie van de Japanse binnenlandse economie. Maar dat zal de handelsproblemen niet oplossen. Culturele en economische verschillen blijven bestaan. Japan zal niet wezenlijk veranderen omdat Japanners andere waarden hebben dan Amerikanen, ze zijn produktiever en produceren efficienter. 'Amerika kan niet meer concurreren, dat is de pijnlijke realiteit', zegt Germaine Hoston.

Als Amerika en Japan zich niet anders tegenover elkaar opstellen, ligt een verdere escalatie van de onderlinge conflicten in het verschiet. In Japan leidt het nieuwe zelfbewustzijn soms al tot ongerichte nationalistische uitspattingen. Amerika zal zijn beleid ten aanzien van Japan moeten herzien. In de naoorlogse jaren van de Koude Oorlog beschouwde Washington Tokio uitsluitend als uitkijkpost om zonodig het rode gevaar te lijf te gaan. Net als Duitsland, maakte Japan deel uit van George Kennans Grand Strategy gericht op indamming van het communisme. In Amerika's Japan-beleid prevaleerde de defensierelatie boven de economische betrekkingen.

Deze traditionalistische benadering is achterhaald. De Koude Oorlog is alweer een jaar voorbij en Japan is een economische supermacht. Dat vraagt om bijstelling van de economische- en veiligheidsrelatie. Moeten we bang zijn voor Japan? Nee, tenzij Tokio wordt gedwongen zijn huidige beleid te veranderen. Het heeft de laatste 45 jaar met succes allerlei uit de oorlog resterende militaristische sentimenten ingedamd. Maar Japan is nog niet klaar om op het terrein van de internationale veiligheid de rol te spelen waartoe het op grond van zijn economische omvang eigenlijk is verplicht. Dat is tijdens de Golfcrisis wel gebleken.

De Aziatische buurlanden zijn bang voor herleving van het militarisme in Japan. De Japanners zelf ook. In Duitsland is na de oorlog openlijk gedebatteerd over de begane misdaden. In Japan niet. De geschiedenisboeken hebben al te lang gezwegen over het oorlogsverleden. Amerika kan wel willen dat Japan een grotere militaire rol speelt, 'maar de geschiedenis kan niet genegeerd worden', zegt Hoston. Duitsland is na de oorlog ingekapseld door de Nato-bondgenoten. Dat zou nu ook met Japan kunnen gebeuren in een nieuw veiligheidsstelsel waarover de Nato nadenkt. Dan raakt het land geworteld in de wereldgemeenschap en kan het uit zijn internationale isolement worden verlost.