Hysterie kunstmarkt is nog niet gewettigd; 'De internationale veilinghuizen zijn zelf schuldig aan de opgeblazen verwachtingen'

ROTTERDAM, 21 nov. Op de internationale kunstmarkt heerst verwarring. Het ziet er naar uit dat de boom van de afgelopen twee jaren, de fabuleuze geldbedragen die onder meer voor impressionistische werken zijn betaald, voorbij is. Maar wat het precies niveau is waarop de prijzen zich gaan stabiliseren blijft voorlopig onduidelijk.

De belangrijke najaarsveilingen, vorige week in New York bij zowel Sotheby's als Christie's, moesten als lakmoesproef dienen voor de bereidheid van Japanse en Amerikaanse verzamelaars om in kunst te blijven investeren, ondanks de verslechterende wereldeconomie en de dreiging van een oorlog in de Golf. De opbrengsten van die veilingen, waar vooral impressionistische en moderne werken onder de hamer kwamen, waren echter niet geruststellend.

Zo bracht de nalatenschap van Henry Ford II, een nazaat van de legendarische auto-fabrikant, veertig miljoen gulden minder op dan aanvankelijk verwacht. Meer dan de helft van de schilderijen en sculpturen Ford bezat werken van onder meer Picasso, Modigliani, Chagall, Giacometti, Miro, Mondriaan en Leger vonden geen nieuwe eigenaar. Omdat Sotheby's zich voor een minimum-opbrengst garant had gesteld moest het huis op de veiling zelfs toeleggen. Dat bracht paniekerige Amerikanen ertoe hun aandelen Sotheby's verkopen, met een (lichte) koersval tot gevolg.

Na een kalmerende verklaring van het veilinghuis stelde de volgende veiling, de dag daarna, iets minder teleur. Dat was vooral te danken aan de telefonische biedingen van Jo Nehmad, een handelaar in impressionisten die vooral Japan bedient.

Ondanks deze terughoudendheid op de markt, die begin van de zomer al inzette, werd toch een record geboekt voor een werk van Vincent van Gogh: ruim zeventien miljoen gulden voor een pentekening, een schets waarmee hijzelf destijds zeer tevreden over was. Een schilderij van Van Gogh, Vaas met korenbloemen en klaprozen, met een verwachte opbrengst van 32 miljoen gulden een van de 'financieel-atmosferische' sleutelstukken, kwam niet boven de achttien miljoen gulden uit.

Tijdens een veiling bij Sotheby's in Londen kocht de Nederlands-Zwitserse kunstverzamelaar baron Thyssen-Bornemisza daarentegen voor bijna veertig miljoen gulden een schilderij van John Constable uit 1820, een recordbedrag voor een werk van deze Engelse romanticus. Andere uitschieters waren een doek van Manet, dat bijna twintig miljoen gulden opbracht, een portret van Renoir, dat voor veertien miljoen gulden in handen van een Japanse verzamelaar terechtkwam, en een werk van Fernand Leger, goed voor zo'n twintig miljoen gulden, maar toch nog twee miljoen onder de 'bodemprijs'.

Op de belangrijkste Newyorkse veiling vorige week, met onder meer het doek van Van Gogh, gaven vooral de Amerikanen acte de presence. Zij stonden borg voor 43 procent van de omzet, de Europeanen voor 36 procent en de Japanners voor 21 procent. Met name particuliere verzamelaars kwamen opdraven; de kunsthandelaren hielden zich op de vlakte, zij wachten de nieuwe bodemprijzen af. Meer dan tachtig procent van het gebruikelijke koperspubliek liet het bij de recente veilingen in New York afweten. Volgens de Londense handelaar Thomas Gibson van het veilinghuis Phillips het op twee na belangrijkste veilinghuis ter wereld is dat een gunstige ontwikkeling. Het oude marktvolume zou een vertekening te zien gegeven hebben door de aanwezigheid van 'koopjesjagers en speculanten'. 'God zij dank komt nu het echte verzamelen weer aan de orde', aldus Gibson.

Ondanks het grote aantal zogenaamde buy-ins van de laatste maanden, een enigszins misleidende term voor de niet-verkochte kunstwerken, laten handelaren en veilingexperts zich optimistisch uit over de toekomst. Golf-oorlog of niet. Gibson verwacht slechts 'een lichte prijsdaling'. Volgens hem wordt in tijden van crises juist geinvesteerd in kunst. 'De topwerken zullen hun waarde behouden, kunst van het tweede garnituur zal kwetsbaarder zijn', meent Gibson. 'Amerikanen hebben de neiging hysterisch te reageren bij een wankele kunstmarkt, Japanners daarentegen houden het hoofd koel.'

Volgens het oktober-nummer van The Journal of Art kocht Japan in 1989 de helft van het veilingaanbod, vijf miljard gulden. Ook het aanbod van de recente veilingen verdwijnt voor de helft naar Japan. Japanners kunnen sinds begin dit jaar zelfs een aandeel kopen in bijvoorbeeld een werk van Manet of Modigliani. Door de crisis in aandelenhandel en onroerend goed, alsmede door de hogere rente in Japan zou de kunstmarkt juist meer in trek raken.

Guy Loudmer, de Parijse expert van het gelijknamige veilinghuis, voorspelt een teruggang in de verkoop van moderne kunstwerken, gemaakt vanaf de jaren vijftig, omdat zij naar zijn mening de markt overspoelen. Een indicatie daarvoor was de tegenvallende verkoop in dit segment tijdens de recente kunstbeurs FIAC in Parijs.

President-directeur Christopher Burge van Christie's New York pleit in een recent interview voor prijsmatiging en voor 'fresh material', dat wil zeggen; liever geen schilderijen die twee jaar geleden ook al onder de hamer kwamen.

Afgezien van de uitlatingen van Lord Gowrie, lid van de board of directors van Sotheby's, die een ongunstige marktontwikkeling voorziet bij het uitbreken van een Golf-oorlog, zijn er weinig sombere geluiden te horen. Sommige deskundigen maken de vergelijking tussen de huidige kunstmarkt en die van voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen de prijzen nauwelijks daalden en slechts het veilingaanbod van Londen naar New York verhuisde. Zelfs in 1917 tijdens de financiele woelingen die de Russische Revolutie begeleidden bleek men nog bereid vermogens te betalen voor schilderijen van Constable en voor Romeinse marmeren beelden; bedragen die nog steeds niet zijn geevenaard. In 1929, tijdens van de Wallstreet-crash, stortte de markt in. Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam er weer beweging in de internationale kunsthandel. Wie toen geld had kon op ongekende wijze zijn slag slaan. Inflatie of dreigende inflatie in de afgelopen decennia bleek de kunstmarkt nauwelijks te beinvloeden.

Volgens insiders zijn de veilinghuizen zelf debet aan de prijsescalaties van de laatste jaren. Zij waren het die in catalogi 'absurde bodemprijzen' publiceerden. Het grote publiek hapte toe, zo lang het verantwoord scheen. Diezelfde 'inflatoire prijsindicaties' lijken nu steeds minder effect te sorteren, waardoor de veilinghuizen voorzichtiger moeten gaan opereren. Zij kunnen het zich niet langer veroorloven tweederangs werken met eersterangs bodemprijzen aan te prijzen, want de gretige, met name jonge investeerders van de laatste jaren zijn een beetje bang geworden, en de handelaren wachten rustig op de 'redelijke' prijzen die voor de boom gevraagd werden.

Het wachten is ook op de veiling bij Christie's in Londen op 3 december. Daar komt Vue de l'Asile et de la Chapelle de Saint-Remy van Vincent van Gogh uit de collectie van Elizabeth Taylor onder de hamer; een spectaculair doek, niet lang voor zijn dood geschilderd, en het enige dat Van Gogh maakte van het exterieur van de inrichting waar hij zich had laten opnemen. Taylor kocht het bijna dertig jaar geleden in Parijs voor 92.000 dollar. Een ding staat vast: het honderdvoudige zal het zeker opbrengen. Het veilinghuis voorspelt het tweehonderdvoudige, zo'n veertig miljoen gulden. Dergelijke voorspellingen blijken echter steeds vaker steeds minder geldigheid te hebben.