GORBATJOVS REVOLUTIE LAAT HERDERS IN TUvA KOUD

De herders van Tuva, een autonome republiek in een uithoek van de Sovjet-Unie, hebben weinig op met de economische hervormingen van Moskou. 'Sovchozen of kolchozen, ik geloof er niet meer in. Het is een slecht systeem. We moeten een markteconomie krijgen waarbij Moskou een eerlijke prijs voor ons vlees betaalt. Dan kunnen we handel drijven zoals ieder ander land dat doet.'

Het is nevelig. De contou ren van de ons omringen de bergketens zijn nauwelijks te onderscheiden. Een kudde kamelen staat ongestoord - als een tableau vivant - te grazen. Twee blaffende honden drijven een groepje onwillige schapen terug naar hun kudde. Nikolai Nazyn zit voor zijn tent ('yoerte') en slijpt twee messen. Zijn zoon Boejandy houdt - niet zonder moeite - een tegenspartelend schaap in de houdgreep. Nikolai's zwager staat wijdbeens boven het inmiddels op haar rug liggende schaap. Hij pakt een lang mes en met een flitsende beweging steekt hij het weerloze dier in het hart.

Een half uur later komt Baltsjarmaa, Nikolai's vrouw, de yoerte binnen met een bak lichtgekookte schapelever. Het is het begin van een uitgebreid vleesmaal ter ere van ons bezoek.

Alexander Samorjadov, de partijsecretaris van het 9000 zielen tellende rayon, had ons in zijn kantoor in de nederzetting Erzin al gewaarschuwd. 'Uw gastheer eet vlees en drinkt melk, en dat is alles.' Hij maakte zich zorgen over onze stadse magen. Desondanks honoreerde hij ons verzoek om enkele dagen bij een nomadenfamilie te verblijven.

We bevinden ons in het zuiden van de Autonome Socialistische Sovjet Republiek Tuva. Een bergachtig nomadenstaatje dat zes keer groter is dan Nederland en ruim 300.000 inwoners telt. Tuva, in 1944 door Stalin geannexeerd, wordt in het noorden door de Sajan-bergen gescheiden van de rest van Siberie en in het zuiden door het Tannu Ola-gebergte van de Mongoolse Volksrepubliek.

'De civilisatie heeft dit gebied nog niet bereikt', zegt de 48-jarige Samorjadov die twintig jaar geleden als Russische immigrant in deze uithoek van het Sovjet-imperium neerstreek.

Als we Samorjadov mogen geloven is de frisse wind van de perestrojka nog nauwelijks doorgedrongen. 'Het gaat veel te langzaam, er wordt teveel gepraat in Moskou maar te weinig gedaan, zeker deze verafgelegen buitenplaatsen krijgen te weinig aandacht. Wil de perestrojka een kans van slagen hebben, dan mogen ze ons niet vergeten.'

Hij hekelt de economische politiek van Moskou. Zakelijk maakt hij de balans op: 'Het centrum neemt meer dan het geeft. Onze produkten moeten we tegen zeer lage prijzen aan Rusland verkopen. Delfstoffen als goud, uranium, kobalt en steenkool gaan voor een schijntje het land uit.'

Maar Samorjadov realiseert zich terdege dat de bevolking nog niet rijp is voor een zelfstandige Tuvinische economische politiek. Zo is van de mogelijkheid om een eigen bedrijf te beginnen nog nauwelijks gebruik gemaakt. 'Zeventig jaar revolutie heeft de mensen apathisch gemaakt', zegt hij.

Hoogvlakte

De familie Nazyn hoedt schapen en kamelen op de hoogvlakte. We vragen ons af wat we ons voor moeten stellen van economische hervormingen bij de nomaden.

'Je ziet je vader te paard bij de kamelen, je ziet je moeder bezig in de yoerte, je ziet de opening in het dak, de kachelpijp die daar doorheen steekt, je ruikt de lucht... dat gevoel raak je nooit meer kwijt.' Nikolai Nazyn (41) stamt zoals de meeste Tuviniers uit een herdersgeslacht. Na de technische school werkte hij enkele jaren als arbeider, maar hij werd door heimwee overmand en meldde zich twintig jaar geleden aan bij 'Tjarak' - de Nieuwe Weg - de eerste kolchoze van Tuva, die in 1977 werd getransformeerd in een sovchoze.

Evenals zijn voorouders trekt hij nu met zijn vrouw, zijn zes kinderen en zestien andere gezinnen met zijn schapen en kamelen door het Erzin-district, een gebied van 11.000 vierkante kilometer. Zeven keer per jaar pakt hij zijn tent in, op zoek naar nieuwe weidegronden - 's zomers in de bergen, 's winters in de steppe. De zeventien gezinnen - door bloedbanden aan elkaar verwant - maken deel uit van brigade nr. 4, de Aizji-brigade, vernoemd naar een Tuvinische oorlogsheld. Het is een tamelijk gesloten groep, die zelf nieuwe leden (meestal familie) kiest; een enkele keer wordt er volgens Nikolai ook wel eens iemand geroyeerd, zoals afgelopen jaar toen een herder 'niet goed op zijn schapen lette' en zijn plan niet vervulde. Hij kreeg een berisping, maar toen hij zijn leven niet beterde, kreeg hij een baan als arbeider aangeboden op de sovchoze.

Voor de herders gelden nog altijd de strakke regels van de plan-economie. Het plan dat Nikolai opgedragen kreeg, heeft hij ruimschoots gehaald. Met zijn kudde van 200 kamelen moest hij dertig jongen voortbrengen. Het werden er 34, waarvan hij er twee in eigendom kreeg en voor de andere twee werd hij gehonoreerd met 3,5 roebel per kilo vlees (een pas geboren kameel weegt 25 kilo). De volwassen kamelen moesten volgens plan 150 kilo wegen aan het eind van het seizoen. Ook die grens overschreed Nikolai met bijna alle kamelen en hij toucheerde hiervoor eveneens 3,5 roebel per kilo overgewicht. Daarnaast ontving hij een premie voor de wol, die zowel de kamelen als de schapen leveren.

Ook het plan voor zijn 450 schapen haalde hij ruimschoots. Per honderd schapen moesten er 86 lammeren worden geboren. Dat streefcijfer overtrof hij met zes lammeren. De volwassen schapen die hij aan het begin van het jaar van de sovchoze krijgt om te hoeden, moeten op het meetmoment in juli veertig kilo wegen. Zowel voor overgeboorte als overgewicht ontvangt hij 2,70 roebel per kilo. Als een herder onder het plan produceert, betaalt hij een boete (twintig procent van 2,70 roebel per kilo ondergewicht).

Risico's

Bij verlies van een schaap of kameel moet Nikolai respectievelijk 100 en 600 roebel aan de sovchoze betalen. In geval van ziektes in zijn veestapel loopt hij dus grote risico's. 's Winters gaan er nog wel eens schapen verloren die aangevallen worden door wolven, lynxen en beren. Afgelopen jaar ging alles goed. Boven zijn basissalaris van 400 roebel per maand verdiende Nikolai 8000 roebel aan premies, een bedrag dat hij vrijwel in zijn geheel op zijn bankrekening kon zetten, omdat zijn kosten niet meer dan 2500 roebel bedroegen. Een jaarinkomen van zo'n 12.000 roebel is hoog (een Sovjetburger verdient gemiddeld 4000 roebel).

We opperen dat hij een rijk man moet zijn.

'Ja, ik ben rijker dan stedelingen. De mensen zeggen dat ik de rijkste man van de brigade ben.'.

Zijn buurman en zijn zwager hebben een vergelijkbaar jaarinkomen. Anderhalf jaar geleden voerde de sovchoze het pachtsysteem in, herders pachten sindsdien niet het land maar het vee. Bovendien bepalen de herders van de brigade samen met het bestuur van de sovchoze het plan, dat normaal gesproken gemakkelijk gerealiseerd kan worden. En herders, die hun kuddes hoeden op een afstand van meer dan veertig kilometer van het hoofdkantoor van de sovchoze, krijgen nog eens een toeslag van veertig procent.

Nikolai is een tevreden mens. Van politiek zegt hij geen enkel benul te hebben. Hij wijst naar de bergen. 'Wat daarachter gebeurt weet ik niet. Ik heb geen oordeel over Stalin of Gorbatsjov. Maar een ding weet ik zeker, wij hebben het beter dan mijn ouders.'

Zijn spaargeld is voor de kinderen, zegt hij. 'Wat moet ik er anders mee doen?' Hij blijkt ook op de wachtlijst te staan voor een jeep. De sovchoze krijgt elk jaar twee jeeps toegewezen, over vijf jaar is Nikolai aan de beurt. Voor 15.000 Roebel is hij dan de gelukkige eigenaar. Een rijbewijs heeft hij niet, maar zijn oudste zoon kan rijden. Of zijn kinderen herder willen worden is nog de vraag. Nikolai hoopt het, maar constateert somber dat de kans daarop klein is.

Padvinders

Waar de bergen overgaan in woestijn ligt het hoofdkantoor van de sovchoze. Een lange, ongeplaveide weg met aan weerszijden houten huizen. Voor het kantoor een lange rij borden met plancijfers, daarboven cirkelt een adelaar.

Boembazjaj Baadyr, adjunct-directeur van sovchoze de Nieuwe Weg, vertelt vol trots: 'Wij waren padvinders, die de weg nog moesten vinden. En die hebben we gevonden.'

De sovchoze omvat een gebied van ca. 110.000 ha, waar 1600 mensen wonen, waarvan 210 herders en 146 andere arbeidskrachten als bouwvakkers en kantoorpersoneel. De herders zijn verdeeld in zes brigades: vier voor het hoeden van de 28.000 schapen en de 200 kamelen, een voor het fokken van melkkoeien en een die voedergewassen verbouwt voor de veestapel.

De sovchoze maakte afgelopen jaar een omzet van drie miljoen roebel en boekte een winst van 1,9 miljoen roebel ('planwinst': 1,3 miljoen). We vragen hoe de winst besteed is. Er valt een diepe stilte. Baadyr en hoofdeconome Svetlana Tondoek kijken elkaar verbouwereerd aan. Na een minutenlange discussie loopt de eveneens aanwezige burgemeester Sevilbaa Bajyr-Ool de deur uit, een half uur later komt hij weer terug, met een velletje papier. Wij knikken dankbaar.

Het grootste deel van de winst - 1,4 miljoen, is gebruikt voor ontwikkeling van de sovchoze (aanleg wegen, wetenschappelijk onderzoek, aanschaf gereedschappen etc.), drie ton voor het centraal fonds van het ministerie van landbouw (winstbelasting), ruim een ton voor premies aan de herders, en een halve ton ging in de reservepot.

Tot 1977 maakte de kolchoze louter schulden, in datzelfde jaar werd het bedrijf omgezet in een sovchoze. De staat schold de schulden kwijt en verhoogde de aankoopprijzen voor vlees met veertig procent. Sinds begin 1989 betaalt de staat 125 procent extra subsidie om het pachtsysteem te kunnen bekostigen. Want volgens Baadyr is geen enkele vee-sovchoze zonder subsidie rendabel. Tuva is gelijkgesteld met andere risicozones in het Hoge Noorden. De winters zijn zeer koud, de zomers extreem warm.

Krankzinnig

Gorbatsjovs plan om de sovchozen met ingang van 1992 te verzelfstandigen, noemt Baadyr 'krankzinnig'. 'Wij denken daar niet aan, wij gaan op dezelfde weg door. Zonder subsidie van Moskou redden wij het niet. Wij houden niet van experimenten.'

De vraag of het sovchoz-systeem communisme genoemd moet worden, kwalificeert hij als onzinnig. 'We denken niet in terminologie, daar gaat het niet om.'

Hij nodigt ons uit. Aan de rand van de nederzetting bij het monument voor slachtoffers uit de burgeroorlog, die ook zijn grootvader het leven kostte, vult hij de glazen en brengt een toast uit. 'Op de toekomst.'

Ruim vijfhonderd kilometer oostwaarts in Ak-Dovoerak, de tweede stad van Tuva met 16.000 inwoners, staat het kantoor van de sovchoze Ton-Terezin. Het bedrijf omvat een gebied van 268.000 hectare met 1672 bewoners, die in familieverband 47 kuddes - 2847 yaks en 6500 schapen - hoeden.

Met directeur Iwan Magowali bezoeken we Rada Orzjak die zijn yoerte opgezet heeft aan de Apatsj-rivier. Hij heeft een kudde van 250 yaks (150 wijfjes en honderd gecastreerde stieren) in pacht. Zijn plan bedroeg 75 kalfjes per honderd yaks. Hij haalde er 67. Als hij het plan overschreden had waren de extra kalfjes zijn eigendom geworden, maar nu moest hij boeten voor het tekort van acht kalveren. De ondergeboorte kostte hem bijna 480 roebel (vijftig procent van 1,70 roebel per kilo ondergewicht), de prijs die de staat betaalt aan de sovchoze voor het yakvlees). Ook het plan voor de aanwas van yaks - streefgewicht 75 kilo - haalde Orzjak niet. Hij was een van de vele ongelukkigen - zeventig procent van de herders haalde afgelopen jaar het plan niet. De directeur verklaart dit hoge percentage door de maandenlange droogte die het gebied de afgelopen zomer teisterde. De yakherders die gemiddeld eens per twee weken op zoek gaan naar nieuwe weidegronden, konden nauwelijks vers gras vinden en moesten hun kuddes bijvoeren. Voor de daaraan verbonden kosten draaiden ze zelf op. Sinds de invoering van het pachtsysteem lopen de kosten die de herders moeten betalen aan de sovchoze flink op. Voor bijvoeding, elektriciteit, transport enz. betalen ze circa 5000 roebel per jaar. Als het plan wordt gehaald, kunnen ze aan premies zo'n 11.000 roebel opstrijken en gecombineerd met hun basisinkomen van 1800 roebel per jaar (dat aan het begin van het jaar bij wijze van voorschot wordt uitbetaald) blijft een inkomen over van 8000 roebel. Maar als het plan niet wordt gehaald, is het armoe troef voor de over het algemeen kinderrijke herdersgezinnen.

Heilloze weg

Directeur Iwan Magolawi wijst het voorgestelde pachtsysteem resoluut af. Ondanks de subsidie die Moskou verstrekt - de staat lapt het verschil tussen de kiloprijs voor yaks die de sovchoze aan de herders betaalt (2,40 roebel) en de prijs die Moskou de sovchoze betaalt (1,70 roebel) aan het eind van het jaar bij - vindt hij het een heilloze weg. 'Het zou beter zijn als we behalve de dieren ook de grond konden pachten. Maar nog beter zou zijn als alle herders de kuddes en het land in eigendom zouden hebben.'

De herders moeten blijven samenwerken, bepleit hij, maar dan in de vorm van cooperaties, zoals vroeger - toen Tuva nog geen deel uitmaakte van de Sovjet-Unie - ook het geval was. Toen maakten de herders deel uit van 'Verenigingen van Vrije Nomaden'. 'Sovchozen of kolchozen', moppert Magowali, 'ik geloof er niet meer in. Het is een slecht systeem. We moeten een markteconomie krijgen waarin Moskou een eerlijke prijs voor ons vlees betaalt. Dan kunnen we handel drijven zoals ieder ander land dat doet met Moskou.'

Maar Magowali heeft er een hard hoofd in. 'Ik probeer het nog een jaar als directeur. Als de situatie dan niet verbeterd is, treed ik af als directeur.'