Geheime organisatie lijkt op voortzetting verzetstraditie Tweede Wereldoorlog; Verzet nu slechts taak van 'rechts'

Nergens in de onophoudelijke stroom van berichten over de geheime groep voor gewapend verzet, O en I of Operaties en Opleidingen genaamd, wordt melding gemaakt van andere in Nederland opererende organisaties met overeenkomstige kenmerken.

Een van de functies van O en I vertoont echter opmerkelijke overeenkomsten met de BB, de organisatie Bescherming Bevolking die van 1952 tot 1988 heeft bestaan. De O en I zou namelijk op drie fronten werkzaam zijn: bij een eventuele bezetting zou ze het werk van de normale inlichtingendiensten overnemen, gewapend verzet plegen en bovendien de geestelijke weerbaarheid van het Nederlandse volk verhogen. Deze laatste taak, de verhoging van de geestelijke weerbaarheid, was immers formeel ook een belangrijke functie van de BB.

De tweede functie, die van een gewapende verzetsorganisatie in oorlogstijd, werd traditioneel echter in een geheel andere hoek voorgestaan, namelijk binnen de vredesbeweging. In Nederland zijn tot nu toe alleen in de Tweede wereldoorlog, bij het verzet 'van onderop', beide functies met elkaar verstrengeld geweest. De verzetsmensen pleegden immers niet alleen gewapend verzet, maar werden door de bevolking ook gezien als de dragers van burgerzin en anti-fascisme. Het lijkt erop dat de O en I een rechtstreekse voortzetting is van deze verzetstraditie.

In de door de overheid tot nu toe opgezette openbare organisaties is sprake van een geheel andere traditie. Deze andere traditie is in de Nederlandse geschiedenis vrij eenvoudig te traceren. De vestiging van een communistisch bewind in Tsjechoslowakije in 1948 leidde in Nederland tot een ware wildgroei van burgerlijk-militaire vrijwilligersorganisaties, gericht tegen de zo dichtbij gekomen 'communistische dreiging'. Het jaar 1948 was, behalve het vermoedelijke oprichtingsjaar van de O en I, ook het oprichtingsjaar van de Vrijwillige Hulppolitie, de Nationale Reserve, de Reserve Grensbewaking en de Reserve-Rijks- en Gemeentepolitie. Het Nationaal Instituut Steun Wettig Gezag was voor al deze organisaties het overkoepelend orgaan. Alleen de Nationale Reserve en de Reserve Rijks- en Gemeentepolitie bestaan nu nog. Niet alleen de angst voor de fysieke, maar ook voor de geestelijke weerloosheid bij een Sovjet-invasie speelde bij deze organisaties een centrale rol. Ook dienden deze organisaties als een soort officieel vangnet voor oud-verzetsstrijders en oud-Indiegangers, mensen die geen kader meer hadden om aan hun niet aflatende behoefte het land tegen een buitenlandse indringer te beschermen tegemoet te komen.

Deze vrijwilligersorganisaties waren alle gewapende organisaties, die in oorlogstijd assistentie moesten verlenen en ondergeschikt waren aan de reguliere diensten zoals krijgsmacht en politie.

De BB en haar voorgangster de Luchtbescherming, die heeft bestaan van 1937 tot 1946, waren andere typen organisaties. Hier ging het om de fysieke weerbaarheid. De leden waren in de eerste plaats mensenredders en uit principe ongewapend. Zoals bij de O en I was ook hier burgerzin het belangrijkste recruterings-criterium. Al in de jaren dertig was men tot de overtuiging gekomen, dat fysieke hulpverlening gepaard diende te gaan met een morele ondersteuning van de bevolking. De luchtoorlog had zowel de kwetsbaarheid van militairen als van burgers vergroot: 'Het zwakke punt van een afweermacht ligt in deze tijd niet meer aan het front, maar in het moreel der burgerbevolking daarachter. Wie dit moreel vernietigt, vernietigt de strijdkracht van het leger', aldus een pamflet uit die tijd. De leden van Luchtbescherming en BB moesten daarom niet alleen mensen redden, maar ook door hun mentaliteit het juiste, dus anti-fascistische en later anti-communistische, voorbeeld geven.

Van 1955 af, toen de atoombom als geweldsmiddel zowel in de NAVO als in het Oostblok kon worden gebruikt, maakte de lijfsbescherming steeds meer plaats voor de geestelijke 'bescherming'. Na een kernbom-explosie op Nederlands grondgebied kon fysieke hulpverlening immers nauwelijks soelaas bieden. Bij de bevordering van de geestelijke weerbaarheid gingen de later zo geridiculiseerde BB-blokhoofden een centrale plaats innemen. Omdat zij als 'woonblok'-bewoners geacht werden dicht bij de bevolking te staan, vond de overheid hen de aangewezen figuren om deze taak te vervullen. In 1960 noemde de CPN de BB dan ook niet zonder humor 'de pastorale begeleiding van de atoomoorlog'.

Moet een van de functies van de leden van de O en I ook in deze zin worden beoordeeld? Is aan hen een soortgelijke taak toebedacht als aan de BB-blokhoofden? Hoe valt deze taak dan te combineren met de gewapende verzetstaak die ze immers ook hebben? Vermoedelijk moet de specifieke combinatie van taken rechtstreeks worden teruggevoerd op de verzets-traditie en stamt het idee uit het brein van oud-verzetsmensen. Noch binnen de Luchtbescherming en de BB, noch binnen de andere vrijwilligersorganisaties werd burgerlijk verzet tegen de bezetter tot de doelstellingen gerekend. Daarentegen waren het de pacifistische groeperingen die beklemtoonden dat men er met wapens, lijfs- of geestelijke bescherming alleen niet kwam.

Zo stelde in de jaren dertig de pacifistische beweging Jongeren Vredes Actie (JVA), dat bij een bezetting alleen 'burgerlijke ongehoorzaamheid' het Nederlandse culturele erfgoed zou kunnen redden. De JVA had vijftienhonderd leden, vooral afkomstig uit vrijzinnig-protestantse kring. De voorgestelde burgerlijke ongehoorzaamheid bestond onder andere uit vernietiging van persoonsarchieven, verhindering van munitietransporten en wapenproduktie en morele beinvloeding van buitenlandse soldaten. De organisatie werd echter te politiek geacht en zelfs de socialisten vonden het JVA-plan gevaarlijk voor de vrede.

In 1969 zette het Amsterdamse gemeenteraadslid Roel van Duijn deze traditie voort met zijn 'Kerstboodschap'. Hij wilde alle hoofdstedelingen scholen in illegaal werk: 'Een eventuele bezetter zal zich in Amsterdam onmogelijk staande kunnen houden, wanneer onze stad bewoond wordt door 830.000 saboteurs, spionnen, pseudo-collaborateurs en andere illegale werkers', zo schreef hij in een nota aan de gemeenteraad. Volgens Van Duyn hadden Algerije en Vietnam aangetoond, dat alleen guerrilla-oorlogsvoering nog uitkomst kon bieden. De BB was volgens hem de meest geeigende organisatie om deze guerrillaoorlog voor te bereiden.

Wat was het antwoord van de Amsterdamse gemeenteraad? Stilzwijgen. Blijkbaar behoorde volgens de opvattingen van de overheid het illegale werk niet tot de taken van de BB, maar tot een selecte geheime groep van 'goede Nederlanders', allen afkomstig uit conservatieve kring. De O en I bestaat immers uit militairen, oud-militairen, oud-verzetsstrijders en gezagsgetrouwe burgers. Wegens de geheimhouding gaan de benoemingen via cooptatie binnen voornamelijk militaire of hieraan gelieerde kringen. Er lijkt geen moeite te zijn gedaan de belangrijkste politieke stromingen via evenredige vertegenwoordiging in de organisatie op te nemen. Sociaaldemocraten in de ruimste zin of leden van de PvdA komen er niet in voor.

De Nederlandse geschiedenis van verzet, sabotage en geestelijke weerbaarheid overziende, blijkt de overheid al deze functies nog steeds als 'een zaak van rechts' te beschouwen. Zoals bekend, is de mono-politieke cultuur van de BB mede haar ondergang geworden. L'histoire se repete. De geheimhouding rondom de O en I heeft hetzelfde sociale schiftingsproces in werking gezet. Mede om deze reden is de ridiculisering van de organisatie nu al, een week na de onthulling van haar bestaan, in volle gang. Een soortgelijk lot als dat van de BB is daarmee onafwendbaar geworden.