Een en ander

Alleen wie een gigant of een uomo universale is kan de tekstwetenschap beoefenen, moet prof. Teun A. van Dijk hebben gedacht, en ziedaar: hij wierp zich binnen een en dezelfde ademstoot op als speurneus, aangever, jurist, wichelaar, schriftgeleerde, helderziende, grafoloog, als wat niet al. Als psycholoog ook, en niet zo'n kleintje.

Al tekst-wichelend legde de professor de spelonken van mijn ziel bloot. Hij kwam achter mijn geheimste verlangens en frustraties.

'Het lijkt voor de hand te liggen', schreef hij in zijn artikel in Forum, en ik citeer hem omdat uiteraard niemand van u dat blaadje leest, 'dat de Rushdie-affaire Komrij dermate heeft opgewonden, dat hij niet alleen in zijn eigen column zijn agressie kwijt wilde, maar ook het idee opvatte om via de krant die 'naieve Nederlanders' eens op de proef te stellen (...).

De zelf-identificatie van Komrij met Rushdie is meer dan opvallend, en wellicht de sleutel van deze hele maskerade. Komrij voelt zich, via Rushdie, als schrijver aangevallen. Ook Komrij voelt zich verstoten en miskend door zijn eigen volk (...).

Er is echter een probleem: Komrij wordt niet bedreigd en de identificatie is dan ook niet compleet. Dus vat Komrij het plan op ook zijn eigen volk (via een aanval op de moslims) te provoceren (...). Wanneer op (zijn) stukken echter nauwelijks reactie komt, kan hij de maskerade slechts voortzetten door onder de naam Rasoel een nog grover pamflet te schrijven, in de bewuste of onbewuste hoop dat hij zal worden ontmaskerd, en wellicht net als Rushdie werkelijk zal worden blootgesteld aan de 'fanatieke agressie' van de moslims (of de anti-racisten). Pas dan is de identificatie met Rushdie compleet, en is de stukjesschrijver Komrij door zijn zelf-identificatie een even groot schrijver geworden.'

Caramba! Dat is nog eens wetenschap!

Vergun me, voordat de professor me niet alleen als Mohamed Rasoel maar ook nog als Jules Croiset ontmaskert, alles op basis van 'gewoon goed lezen', een paar opmerkingen.

Ik schrijf graag 'stukjes'. Een 'groot schrijver' ben ik al. Of ik Rushdie wel een 'groot schrijver' vind weet ik niet, want ik heb niets van hem gelezen. Ik denk nooit aan Rushdie. En dat ik me, tenslotte, 'miskend door mijn volk' zou voelen? Goeie genade, wat ik ook ben, miskend toch zeker niet.

De professor baseert zijn onhandige pogingen tot denigrerend gepsychologiseer op 'gewoon goed lezen'. Op het lezen van 'stukjes', wel te verstaan. Een boek krijgt hij nooit onder ogen.

Ik begrijp dat. Een boek kost geld. En het is, vooral als men aan een universiteit verbonden is, handzamer om schrijvers regelrecht uit de krant te bestelen door middel van het fotokopieerapparaat.

Daarom zal ik hem een handje helpen. In Dit helse moeras (een boek!) publiceerde ik een hoofdstuk La ilaha illa allah, dat handelde over het dreigende oprukken van de Nieuwe Muzelmens en dat eindigde met de profetische woorden: 'Op een ochtend zullen we wakker worden en allemaal Ali heten.'

Het boek verscheen in 1983, een flink aantal jaren voor de Rushdie-affaire. Ik weet niet of ik er wel goed aan doe de tekstprofessor zo allergulst op nog een 'schunnige tekst' van mijn hand te jagen, maar een ding lijkt me duidelijk: het jaartal ontkracht zijn argument van zelf-identificatie met Rushdie volkomen. Ik heb niet op Rushdie hoeven wachten om 'opgewonden' te raken.

Tenzij prof. Teun A. van Dijk werkelijk wil beweren dat ik er naar streef te worden bedreigd en aan agressie te worden blootgesteld. Zou hij daarmee niet toevallig een van zijn eigen geheime verlangens hebben blootgesteld? Zou dat niet betekenen dat ook het slagersvak onder die toch al zo deksels veelzijdige tekstwetenschap valt?

Maar als de tekstwetenschap inderdaad een soort holisme is, en een jaartalletje er in de glazen bol van de alwetende professor niet zo toe doet, tja, dan heb ik mij weer lelijk in de kaart laten kijken.