East meets West

'Serendipiteit, de paradox van de ongezochte vondst: 'Toevallige' ontdekkingen, uitvindingen en creaties uit wetenschap, techniek en kunst.' Dat was in het Nederlands vertaald de titel van de lezing die ik hier hield. De voordracht, die een uur duurde, was in het Engels. Tot terechte ergernis van de beide vrouwelijke tolken, die haar simultaan moesten vertalen naar het Tsjechisch en Russisch, had ik geen Engelse tekst bij me. Mijn publiek bestond uit een aandachtig gehoor van zo'n vijfenzestig mensen. Het was een bijeenkomst over Intuitie in Strategisch Management, een van de twintig parallel-sessies op de openingsdag van het gigantische Europese Management Congres 'East meets West' in het Cultuur Paleis, hier in Praag. Na afloop hoorde ik dat een toehoorder was weggelopen, onder het uitroepen van 'Bullshitski!'

Voldaan, eufoor zelfs, maar doodop van al dat gepraat, begeef ik me, het is al donker, per metro naar een pantomime-theater. Lopend over de brede en vrij drukke voetgangersstraat van het Narodni Museum naar het centrum, merk ik ineens dat er rechts een jonge vrouw vlak naast me loopt, ze lijkt op de Mona Lisa. (Wist u dat de echte Mona Lisa een beginnend strontje aan haar rechter onderooglid heeft?) Links van me blijkt nu ook een vrouw te lopen. Tegelijk geven ze me een arm: 'You want to have sex?'

Oh, is dat 't, denk ik verstrooid. En terwijl ze me betasten (u mag raden waar allemaal) zeg ik: 'No.' Ik wil me losrukken, maar wie zich losrukken zijn zij. Ineens zijn ze weg. Het duurt even voordat ik de portee van hun vondst in de smiezen heb. Mijn linkerbinnenzak, ik ben rechtshandig, is leeg! Ik ben alles kwijt; paspoort, treinkaart en handzame papiertjes. Wenn der Putz steht, liegt der Sechel in drerd (Als de jongeheer spreekt, zwijgt het verstand).

Nog vol woede laat ik door de politie op het nabij gelegen hoofdstation een verklaring opstellen. Ik erger me aan het manifeste amateurisme en de duidelijke desinteresse van de betrokken agenten. Zonder tolk wordt in een paar regels een gissing naar het gebeurde uitgetikt. Wel staan ze me toe de Nederlandse ambassade te bellen. Tot mijn troost geeft het antwoordapparaat daar een groot aantal privenummers van het personeel. Ik krijg het advies met twee pasfoto's de volgende morgen om half negen voor hun loket te verschijnen voor een laissez-passer (noodpaspoort).

Ik blijk daar dit jaar al de zesentachtigste Nederlander te zijn met 'een verloren document'. Als verklaring voor het explosief stijgend aantal berovingen hoor ik door het loket over: de open grenzen, zodat men harde valuta nodig heeft; het toegenomen toerisme, twintig miljoen al dit jaar, tegen vier miljoen vorig jaar (Praag is het toeristische hart van Midden-Europa); en de devaluatie van de kroon (de Tsjechoslowaakse munt). Binnen een half uur verlaat ik de ambassade met een laissez-passer, geleend Nederlands geld en het dringende advies om over het voorval te schrijven. Een schoolvoorbeeld van hoe diligent en doelmatig een bureaucratie kan werken, en dat in de stad van Kafka.

Later hoor ik in een schrijverscafe dat er sinds de algemene amnestie voor 25.000 politieke en andere gevangenen in Tsjechoslowakije al zo'n 30.000 berovingen hebben plaatsgehad. Ook hoor ik daar een plausibele verklaring voor de lamlendigheid van de politie die ik met eigen ogen gezien had. Tot 17 november vorig jaar was Tsjechoslowakije een politiestaat, waar zowel de geheime, misdaad- als verkeerspolitie gehaat werden. De politie is nu bang banen te verliezen en zou zich daarom niet al te hevig inspannen om berovingen in kaart te brengen en te bestrijden, om er aldus voor te zorgen dat ze als onmisbaar wordt beschouwd.

Wat een mooie paradox!