BREEKPUNT?

In een recente aflevering van Het Capitool vroeg de discussieleidster aan de directeur van de Haagse sociale dienst, hoe hij in de praktijk het begrip 'passende arbeid' invulde. Nee, daar waagde de directeur zich niet aan. Hij paste gewoon de regels toe. Wat die regels precies inhielden? 'Ik vind dat anderen daarover besluiten moeten nemen', zei hij, 'het parlement, of de sociale partners'.

Simpeler kan je de ommezwaai in onze arbeidsverhoudingen niet beschrijven. Wie moet de besluiten nemen? Ach, dat kunnen kabinet en Tweede Kamer zijn. Of werkgevers en werknemers. Al naar gelang het uitkomt. Dat is een heel andere visie op de besturing van ons sociaal-economisch leven dan we sinds de Tweede Wereldoorlog gewend zijn. Decennia lang hebben we immers een 'tripartite' systeem gehad waarin werkgevers, vakbonden en overheid gedrieen compromissen moesten sluiten over het te voeren sociaal-economisch beleid. In dat spelletje functioneerde de centrale overheid niet alleen als speler maar ook als scheidsrechter. De overheid bezette - zeker tot in de jaren zeventig - binnen de tripartite driehoek de bovenste punt, een positie die werd gesymboliseerd door het veelvuldig hanteren van de 'loonmaatregel'.

Ons traditionele, centralistische, tripartite systeem heeft de afgelopen tien jaar al veel van haar kracht verloren. Maar de laatste tijd kalven de tripartite structuren nog sneller af dan de duinen op Texel. De grootste aardverschuiving tot nu toe was natuurlijk de (what's in a name) 'tripartisering' van de arbeidsvoorziening. De Tweede Kamer besloot eind vorig jaar na veel getalm dan toch het bestuur van arbeidsbureaus en scholingsinstanties over te dragen aan werkgevers en vakbonden, in een structuur met een sterk gereduceerde overheidsinvloed.

'Parlement verliest greep op werkgelegenheidsbeleid' kopte De Volkskrant bij die gelegenheid, en dat was inderdaad een angst die Kamerbreed bleek te leven. Uiteindelijk heeft de nieuwe arbeidsvoorziening een structuur gekregen waarin de Tweede Kamer (via de toetsing van budget en werkplan van de nieuwe organisatie) een duidelijke inbreng in het beleid houdt. Maar sindsdien woedt onder de politici, ambtenaren en academici die het sociaal-economisch beleid maken een discussie over 'de terugkeer van het corporatisme'.

In mei van dit jaar plaatste professor Wolfson, kroonlid van de SER, een paar krachtige vraagtekens bij wat hij noemt 'de souvereiniteits-overdracht' op sociaal-economisch gebied. Hij constateerde bij werkgevers en vakbonden een 'weigering om publiekelijk rekenschap en verantwoording af te leggen voor hun medebewind binnen onze gemengde economische orde'. En dat terwijl het volgens Wolfson nog maar de vraag is 'of sociale partners erin slagen de organisatie van de sociale zekerheid dienstbaar te maken aan nationale doelstellingen van sociale rechtvaardigheid, sociale mobiliteit en arbeidsmarktbeleid'.

'Je moet maar durven', schrijft FNV-bestuurster Karin Adelmund in het recente nummer van Zeggenschap. 'Tien jaar lang heeft iedereen de mond vol van 'decentraliseren naar het maatschappelijk middenveld omdat de overheid terug moet treden door onvoldoende maakbaarheid van de samenleving', en als het er dan langzamerhand inderdaad van komt, dan krijgt dat prachtige middenveld opeens het verwijt van corporatisme. Als dat verwijt nou aan de politiek was gericht, alla'. Ze citeert met instemming SER-voorzitter professor Quene die bij de feestrede ter gelegenheid van veertig jaar SER opmerkte dat de politiek zich blijkbaar steeds minder in staat voelt om het sociaal-economisch beleid in eigen hand te houden. De sociale partners hebben niet geprobeerd terrein te winnen ten koste van de parlementaire democratie, nee, de politici proberen steeds meer taken en verantwoordelijkheden af te schuiven.

Het is natuurlijk geen toeval dat de grote gangmakers van het huidige 'corporatisme-debat' (Wolfson, Leijnse, Woltgens) uit de sociaal-democratische hoek komen. De PvdA heeft nooit van harte geloofd in het adagium van de 'terugtredende overheid' maar ze voelde zich jarenlang niet in staat dat ideologische debat met het CDA aan te gaan. De komende jaren echter zal steeds duidelijker worden welk resultaat de overdracht van bevoegdheden aan werkgevers en vakbonden oplevert.

Op tafel liggen nu afspraken tussen de sociale partners over drie belangrijke arbeidsmarktproblemen van dit moment: de groei van het aantal arbeidsongeschikten, de jeugdwerkloosheid, en de werkloosheid onder etnische minderheden. Sommige van die afspraken zijn vooralsnog boterzacht, zoals het vage principe-akkoord over de aanpak van de arbeidsongeschiktheid. Van de andere akkoorden moet nog blijken of ze in CAO-onderhandelingen, en door de activiteiten van de nieuwe structuur van Arbeidsvoorziening, praktische betekenis kunnen krijgen.

Ik heb daar eerlijk gezegd een hard hoofd in. In de akkoorden is bij voorbeeld niet meer dan een rudimentaire toetsing van het personeelsbeleid van individuele werkgevers voorzien. Wie roept de werkgever straks ter verantwoording wanneer blijkt dat die, om maar een voorbeeld te noemen, niets heeft gedaan om etnische minderheden aan te nemen? De Ondernemingsraad? De kadergroepen van de vakbeweging? Een districtsbestuurder? In een aantal (vooral grotere) bedrijven bestaat inderdaad zo'n 'countervailing power'. In de rest van de economie zal het jaren duren voor vanuit de werknemers-hoek adequate invloed op het personeelsbeleid van bedrijven en instellingen is opgebouwd. Zullen die werkgevers toch Wolfsons 'nationale doelstellingen' laten prevaleren boven wat zij zien als het belang van hun eigen organisatie?

Stel nu eens, dat de afspraken tussen de sociale partners over anderhalf a twee jaar nauwelijks positieve resultaten blijken te hebben opgeleverd. Het is zeker niet uitgesloten dat dan in bredere kring een krachtig heimwee ontstaat naar 'het primaat van de politiek' op sociaal-economisch gebied. De werkgevers en de vakbeweging zullen zich niet meer laten terugdrukken in hun min of meer ondergeschikte rol van weleer. Maar het eindresultaat zou wel eens een stuk dichter bij die aloude tripartite structuur kunnen liggen dan nu denkbaar lijkt.

    • Sander Kooistra