BETALINGSBALANS BIEDT KABINET GEEN UITWEG

Snippe, hoofd concernstafafdeling economische studies van Banque Paribas Nederland, schreven dit artikel op persoonlijke titel.

De lopende rekening van de Nederlandse betalingsbalans vertoont al verscheidene jaren een ruim overschot (in 1989 17 miljard gulden). Dat betekent globaal gesproken dat Nederland meer goederen en diensten exporteert dan het importeert. Het lijkt erop dat een groot deel van het overschot structureel is. Veel mensen beschouwen dit als een pluspunt voor onze economie. Toch zijn daarbij de laatste tijd vraagtekens geplaatst. Zo vraagt de Raad van State zich in zijn advies over de Miljoenennota 1991 af of een groot structureel overschot wel gewenst is. Ook in de Tweede Kamer leeft die vraag. In de algemene politieke en financiele beschouwingen heeft het Kamerlid Melkert (PvdA) er vragen over gesteld. Wat de Raad van State en Melkert met hun vragen precies op het oog hebben, is niet helemaal duidelijk, maar het lijkt erop dat hun vragen zijn gebaseerd op misverstanden en dat de antwoorden die zij waarschijnlijk graag zouden willen horen, zeer ongewenste risico's met zich meebrengen.

Is er sprake van onderbesteding?

Hierbij concentreren wij ons op drie vragen. In de eerste plaats op de vraag of een structureel overschot op de lopende rekening betekent dat er sprake is van een structurele onderbesteding (waarbij de produktiecapaciteit de vraag naar produkten overtreft). Deze vraag staat vooral centraal in het advies van de Raad van State. Zij kan heel kort worden beantwoord. De huidige situatie in Nederland wordt immers niet alleen door een groot overschot op de lopende rekening gekenmerkt, maar ook door spanningen op de arbeidsmarkt. Ondanks een hoge werkloosheid zijn er ook veel vacatures. Het aantal vacatures is de laatste tijd zelfs aanzienlijk gestegen. Bovendien staan veel vacatures erg lang open en het is dan ook niet verwonderlijk dat veel bedrijven steen en been klagen over de moeilijkheden die zij ondervinden bij het zoeken naar geschikt personeel. Verscheidene bedrijven kunnen daardoor niet aan de vraag voldoen. Van onderbesteding is dan ook geen sprake. Bij hogere bestedingen zou er alleen maar meer inflatie ontstaan. De risico's daarvan, ook voor de werkgelegenheid, zijn in de afgelopen vijftien jaar overduidelijk gebleken.

Spaaroverschotten en -tekorten.

Beide andere vragen lijken vooral bij Melkert een rol te spelen. Enerzijds lijkt hij zich af te vragen of er wat met het overschot op de lopende rekening gebeurt en of iemand daar iets aan heeft. Anderzijds stelt hij de vraag of er niet beter iets anders mee kan worden gedaan. Daarbij denkt hij er vooral aan het overschot voor binnenlandse investeringen te bestemmen. Om deze vragen te beantwoorden moeten wij niet in de eerste plaats naar de praktijk kijken, maar is een uitstapje naar de economische theorie nodig. Laten wij daarbij voorop stellen dat inkomen en produktie alleen voor consumptie en investeringen kunnen worden gebruikt.

Als besparingen worden gedefinieerd als het niet geconsumeerde deel van het inkomen, betekent dit dat de besparingen gelijk zijn aan de investeringen. Dat geldt voor de wereldeconomie als geheel. Maar in een afzonderlijk land kan het voorkomen dat het totaal van consumptie en investeringen groter of kleiner is dan de binnenlandse produktie. De binnenlandse besparingen en investeringen zijn dan niet gelijk. Er is dan sprake van een spaaroverschot of een spaartekort. In het eerste geval zal het deel van de produktie dat niet wordt geinvesteerd of geconsumeerd, worden geexporteerd. In het tweede geval zal een land goederen en diensten importeren. Omdat landen doorgaans zowel exporteren als importeren is het spaaroverschot van landen dan gelijk aan hun netto-exporten, dat wil zeggen het saldo van exporten en importen.

Overschot betekent netto kapitaalexport.

Dat Nederland een overschot op de lopende rekening heeft, en dus meer exporteert dan importeert, betekent dan ook dat Nederland een spaaroverschot heeft. Met andere woorden, de binnenlandse besparingen zijn groter dan nodig is om de binnenlandse investeringen te financieren. Wat over is, wordt in het buitenland geinvesteerd of aan het buitenland geleend. Er is dan sprake van kapitaalexport. Kapitaal kan worden uitgevoerd door gezinnen en bedrijven of door de overheid maar ook door banken (inclusief de centrale bank). Daarom kan worden geconcludeerd, dat het overschot op de lopende rekening niet alleen per definitie gelijk is aan het spaaroverschot, maar ook gelijk is aan de netto kapitaalexport.

Levert het overschot iets op?

Aan de hand van die laatste gelijkheid is de eerste vraag van Melkert (wat wij aan een overschot op de lopende rekening hebben) vrij eenvoudig te beantwoorden. Het overschot op de lopende rekening blijft niet zo maar 'ongebruikt' maar wordt bestemd voor kapitaalexport. Daar komt ook iets voor terug. Het uitgevoerde kapitaal levert inkomsten op in de vorm van rente, winsten en dividenden. Daar profiteert uiteindelijk de hele economie van, inclusief de rijksoverheid die er immers een deel van opstrijkt in de vorm van belastingen.

Is betere besteding mogelijk?

De tweede vraag van Melkert is moeilijker te beantwoorden, althans wanneer wij de vraag niet al te letterlijk nemen. Doen wij dat wel, dan is het antwoord juist heel eenvoudig. Letterlijk is het namelijk absoluut onmogelijk om iets anders met de overschotten te doen. Elk positief saldo op de lopende rekening heeft per definitie zijn tegenhanger in kapitaalexporten. Anderzijds kan natuurlijk worden gekozen voor een daling van het overschot en daarmee voor vermindering van de kapitaalexport. Zo'n daling is te bereiken door het overschot geheel of gedeeltelijk om te zetten in bestedingen in het binnenland (bij voorbeeld door meer inkomensoverdrachten - uitkeringen en subsidies - te verstrekken of belastingen te verlagen). In het laatste geval wordt het spaaroverschot teruggebracht door minder te sparen.

Minder sparen?

Maar is dat wenselijk? En wie moet er dan minder sparen? De overheid niet. Die spaart al veel te weinig. De laatste jaren heeft de overheid zelfs ontspaard. Daardoor is het staatsvermogen al tot minder dan nul gedaald. Zoals ook in de laatste Miljoenennota is aangegeven, is dat een uiterst bedenkelijke ontwikkeling die moet worden omgebogen in plaats van worden doorgezet. Met andere woorden: de overheid moet juist meer, in plaats van minder sparen. Ook de bedrijven moeten niet minder sparen. Dat zou alleen maar tot lagere investeringen leiden en dus slecht zijn voor de werkgelegenheid en de economische groei.

Ten slotte de gezinnen. Die sparen vooral voor de oude dag, via de betaling van pensioenpremies of premies voor levensverzekeringen. Het daarmee gemoeide bedrag bedraagt in Nederland bijna driekwart van de totale gezinsbesparingen. Nederlanders sparen zoveel omdat de bevolking nog steeds relatief jong is en de pensioenregelingen goed zijn. Niemand is erbij gebaat om die regelingen slechter te maken.

Op langere termijn lopen de gezinsbesparingen door de verdergaande vergrijzing overigens terug. Automatisch zal ons betalingsbalans-overschot dan afnemen. Het is onverstandig om de gezinsbesparingen al eerder te temperen. Overbesteding nu en hogere (collectieve) lasten in de toekomst zouden het riskante gevolg zijn.

Meer investeren, maar hoe?

Al met al is er dus geen reden om minder te sparen. Dan blijft als enige mogelijkheid over: meer investeren. Op zich is daar wel behoefte aan, zowel in de bedrijven als in de collectieve sector. Meer bedrijfsinvesteringen zouden welkom zijn om de Nederlandse concurrentiepositie voor de toekomst zeker te stellen. En investeringen zijn ook nodig om de arbeidsproduktiviteit te verhogen. En dat is noodzakelijk gezien de huidige schaarste op de arbeidsmarkt en de toeneming daarvan als gevolg van de voortschrijdende vergrijzing van de Nederlandse bevolking. Daarnaast zijn er echter ook investeringen nodig in infrastructuur en milieu, die zowel economische groei, werkgelegenheid als leefbaarheid bevorderen.

Vervolgens rijst echter de vraag hoe een investeringsimpuls kan worden gerealiseerd. Wat de bedrijfsinvesteringen betreft, is het verzekeren van bevredigende bedrijfsrendementen de aangewezen weg. Daarvoor is vooral een goed ondernemingsklimaat nodig. Dat vereist niet alleen een verantwoorde loonontwikkeling maar bovenal een beheersing van de totale loonkosten. Een veel gehoorde klacht van het bedrijfsleven is dat de Nederlandse werknemers niet zo zeer te veel verdienen, maar dat ze de werkgever te veel kosten. Daarom dient een verlaging van de belasting- en premiedruk te worden nagestreefd. Bovendien moet de vrees voor toekomstige verhogingen van de collectieve lasten worden weggenomen. Daarom zou de Nederlandse overheid zou niet langer moeten lenen om consumptie en overdrachtsuitgaven te financieren maar alleen voor zaken die zichzelf later terugbetalen, dat wil zeggen voor investeringen.

Dat levert gelijk een andere waarneming op. Vergroting van de overheidsinvesteringen moet niet primair uit een reductie van het spaaroverschot worden gefinancierd, maar uit een vermindering van de overdrachtsuitgaven en de overheidsconsumptie. Gebeurt dat niet - en worden de overheidsinvesteringen toch sterk verhoogd - dan zal dat niet alleen tot een veel hogere staatsschuld leiden dan het kabinet tot nu toe heeft aangenomen maar zal ook de uitholling van het staatsvermogen gewoon doorgaan. Daardoor kan het vertrouwen van buitenlandse beleggers worden aangetast en het gevaar van een rentestijging ontstaan. Daardoor zou niet alleen het ondernemingsklimaat verslechteren maar ook het financieringstekort van het rijk groter worden. Hoe gevoelig dat tekort voor rente-veranderingen is, hebben wij inmiddels - tot onze schade - al moeten ondervinden.

Behalve de rijksbegroting zou ook het monetaire beleid worden belast. Door het verminderde vertrouwen van de buitenlandse beleggers zou de waarde van de gulden kunnen worden aangetast, hetgeen de Nederlandsche Bank zou kunnen dwingen haar rentetarieven te verhogen. Een onafhankelijker rentebeleid van de bank zou uiteindelijk alleen maar tot een extra verhoging van de rente leiden. Daarmee zou het belang van de Nederlandse economie zeker niet mee gediend zijn.

De overheid zal moeten ombuigen.

Er is maar een conclusie mogelijk: het Nederlandse overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans kan niet worden gebruikt om de overheid aan extra middelen te helpen om op die manier aan de noodzaak van verdere ombuigingen te ontkomen. Melkert heeft gelijk dat de investeringen omhoog moeten maar dat vereist juist meer in plaats van minder ombuigingen.