Belgische scultptuur blijkt onontgonnen terrein te zijn

Tentoonstelling: Negentiende-eeuwse Belgische beeldhouwkunst. In: Generale Bank, Ravensteinstraat 29, Brussel; t/m 15/12; ma t/m zo 10-18 uur; Catalogus: Bfr. 1400.

Wie deze herfst in de Generale Bank, vlak achter de Sint Goedele in Brussel, zijn geldzaken afhandelt, kan naast de lokettist plotseling een halfnaakte blinde gesteund op een knoestige staf zien opdoemen, een rank vissersmeisje of een zogende moeder. Ook David staat daar met zijn katapult strategisch gespiegeld in de loketramen. Kortom, de Generale Bank richtte een overzichtstentoonstelling in over de Belgische negentiende-eeuwse beeldhouwkunst, een vrijwel onontgonnen terrein. De expositie is breed opgezet: op de tentoonstelling zijn 140 werken te zien van ruim 100 verschillende beeldhouwers. Van de Frans-klassieke, nog in de achttiende eeuw gewortelde Godecharle tot de expressionistische Rik Wouters.

Een team van twaalf Belgische negentiende-eeuw-specialisten onder leiding van conservator Jacques van Lennep van de Brusselse Musea voor Schone Kunsten ontrafelde het ingewikkelde mechanisme van academies, salons, ateliers, concoursen en officiele opdrachten waarbinnen deze grotendeels vergeten beeldhouwers functioneerden. In vaak moeilijk bereikbare depots diepten deze kunsthistorici verloren gewaande of onbekende werken op en met behulp van oude catalogi, kritieken en andere getuigenissen van tijdgenoten reconstrueerden ze systematisch leven en oeuvre van al die uit het oog verdwenen figuren. Hun bevindingen publiceerden ze in een tweedelige catalogus die voorlopig wel het enige standaardwerk op dit gebied zal blijven.

In de eerste helft van de tentoonstelling valt vooral op hoe sterk de Belgische beeldhouwkunst tegen de Franse aanleunt en hoe lang er binnen het spanningsveld tusssen klassicisme, romantiek en realisme is gewerkt. Onder de officielere beeldhouwers, zoals de gebroeders Guillaume en Jozef Geefs, die na de revolutie van 1830 heel bruikbare monumenten leverden, valt eigenlijk alleen Antoine Wiertz op als persoonlijkheid en vernieuwer. Althans voor wie met moderne ogen kijkt en naar persoonlijke expressie zoekt. Over de kleine baadster uit 1844, die half onder haar hemd verscholen gaat, bestaat een anekdote. Wiertz droeg haar op aan 'de onschuldige Commissie voor Schone Kunsten te Antwerpen' die zijn vroegere werk te 'naakt' vond maar bij het zien van dit baadstertje waarschijnlijk toch een neutraal en geheel bloot klassicistisch naakt prefereerde.

Nederlanders

Onder de vroege Belgische beeldhouwers bevinden zich ook nogal wat Nederlanders, of in elk geval figuren die al in het pionierswerk over de negentiende-eeuwse Nederlandse beeldhouwkunst van P. K. van Daalen uit 1956 zijn ingelijfd.

Van de in Mechelen geboren Louis Royer bijvoorbeeld, die in 1830 de zijde van de Nederlanders koos, staat er het Rembrandtbeeld uit 1844, een verkleinde versie van het beeld op het Amsterdamse Rembrandtsplein.

Ook de Bosschenaar J. A. van der Ven (1799-1866), die weliswaar in Brussel studeerde, maar verder in Rome en in Den Haag werkte, is geen logische keuze voor deze tentoonstelling. Hoe interessant hij artistiek gezien is, is aan de hand van het ene geexposeerde portret niet uit te maken. En zo gaat het steeds in deze zee van kunstenaars die gemiddeld met slechts een beeld vertegenwoordigd zijn. Je krijgt noch greep op de kunstenaars noch op het geheel. Maar wel wordt duidelijk dat de vernieuwingen het (sociaal) realisme en het impressionisme die in de Belgische schilderkunst kort voor 1870 doordrongen, bij de vooral van officiele opdrachten afhankelijke beeldhouwers meer tijd nodig hadden. Tot in het begin van de twintigste eeuw houden veel realistisch getinte figuurtjes en groepen een anekdotisch of overdreven sentimenteel karakter.

Daartegenover staat dat tegen het eind van de eeuw Belgie niet meer voor Frankrijk met bijvoorbeeld Rodin en zijn kring hoeft onder te doen. Neem realisten als Constantin Meunier en Guillaume Charlier, die beelden met prachtige losse klodders durfden maken, beelden die lange tijd in de pers als 'onaf' werden bekritiseerd. Met de symbolistisch getinte stromingen beginnen de Belgen pas echt persoonlijkheid te krijgen, maar dat geldt niet alleen voor de beeldhouwkunst.

Helaas bleef de tentoonstelling bepaald tot klein werk, modellen en studies. Dat is begrijpelijk gezien de beperkte ruimte in de bank. Toch vraag ik me af of de organisatoren de tentoonstelling niet beter hadden kunnen uitbreiden tot monumentaal werk. Ze hadden natuurlijk ook in de gegeven omstandigheden een beperkende keuze kunnen maken om van een kleiner aantal kunstenaars of thema's een beter beeld te geven. Nu komt een aantal onderwerpen, zoals de funeraire beeldhouwkunst en de monumenten, slechts zijdelings aan bod. Het wachten is nu dus op een selectief vervolg. De catalogus is er al.