WOONGROEPEN IN NEDERLAND

Harrie Jansen. Woongroepen in Nederland. De Lier, Academisch Boekencentrum; 267 blz.

Promotie Erasmus Universiteit, 15 november. Promotor prof.dr. H. M. Langeveld.

Communes en communebewegingen' was de titel van het proefschrift, waarop mw. C. J. Cramwinckel-Weeda inmiddels bij iedereen bekend als Iteke Weeda in 1977 promoveerde. Haar literatuuronderzoek kwam uit hetzelfde onderzoeksprogramma voort als het vrijwel gelijktijdig verschenen 'Leven in communes' van Jos van Ussel. Het was nog niet af toen hij stierf en de definitieve tekst werd 'bezorgd' (zo heet dat) door Harrie Jansen, die nu dan zelf promoveert op een onderzoek naar woongroepen. In de promotiecommissie zat mw. prof.dr.ir. C. J. Weeda, wier boek ik destijds samen met dat van Van Ussel in het Maandblad Geestelijke Volksgezondheid besprak.

Veel deja vu dus, maar misschien ook wel een beetje passe toch, die communes? Dat hangt er maar vanaf hoe je het bekijkt. Van Ussel kon bijna 20 jaar geleden (het onderzoek werd grotendeels in 1972 uitgevoerd) met veel moeite ongeveer 50 communes opsporen en schatte het totale aantal 'alternatieve leefgroepen' in Nederland toen op 100 a 150. Althans, Jansen zegt dat Van Ussel dat vond. In diens boek heb ik dat aantal niet kunnen terugvinden en Jansen zelf komt voor 1972 op een aantal van bijna 3000. Dat is al heel wat meer en er valt sindsdien een gestage groei te constateren. In 1980 zou er sprake geweest zijn van 7000 woongroepen en in 1985 van 10.000 met in totaal tussen de 50 en 60.000 bewoners. Niet meer dan 0,4% van de Nederlandse bevolking dus, maar toch nog altijd het inwonersaantal van Zeist of Zoetermeer.

Het verschil in aantal tussen Van Ussel en Jansen is meer het gevolg van een verschil in definitie. Van Ussel legt de drempel hoger (minstens 4 volwassenen als lid van de groep, Jansen neemt 3 als ondergrens) en voor hem is het samenlevingsverband als zodanig ook belangrijk. Jansen heeft het nog slechts over een min of meer gezamenlijke huishouding (minimaal 2 keer per week samen eten) en heeft het dan ook over 'woongroep', waar Van Ussel van 'leefgroep' spreekt. Het alternatieve en ideologische karakter, het 'commune-achtige' is bij Van Ussel nog sterk aanwezig, al was daar in de praktijk in de meeste leefgroepen al niet veel meer van te merken.

Bij Jansen is het allemaal wat pragmatischer: het gaat om een gemeenschappelijk huis van mensen die geen familie van elkaar zijn en niet institutioneel verplicht zijn samen te wonen. Kleine religieuze communauteiten vallen buiten de definitie ook bij Van Ussel trouwens evenals mensen die als psychiatrische patient of gehandicapte met anderen in een vergelijkbare situatie een huis delen.

Al in de jaren zeventig trof Van Ussel nog maar weinig sporen aan van de radicale commune-ideologie waarvan de Berlijnse 'Kommune 2' het meest roemruchte voorbeeld was geweest. Toch was er in de leefgroepen toen meer gemeenschappelijk bezit en was er ook zeker minder respect voor privacy dan in de bijna 350 woongroepen die door Jansen in 1981 werden benaderd en tot 1985 gevolgd.

Verschil in grootte was er overigens nauwelijks, gemiddeld ging het in beide onderzoeken om 6 personen per woongroep. Van Ussel legde de bovengrens voor zijn leefgroepen bij 20 volwassenen, maar dat soort aantallen werden en worden eigenlijk nergens bereikt. Dat zou ook nauwelijks meer een huishouden zijn, maar al bijna gaan lijken op een kolonie, zoals bijvoorbeeld Van Eeden's 'Walden'. Nog altijd is dat het bekendste Nederlandse voorbeeld van een commune als een alternatieve maatschappij, maar op weinig uitzonderingen na zijn de moderne Nederlandse communes toch eerder als alternatieve huishoudens te betitelen en zelfs steeds meer als varianten op het traditionele gezinshuishouden.

Van Ussel sloot zijn boek af met de voorzichtige hoop dat de 'elite van bewust levende mensen' voor wie de commune een mogelijkheid is die aan 'fabrieksarbeiders' nog niet gegeven is, 'misschien een voorhoede zal blijken'.

Er is nog steeds weinig wat daar op wijst. Woongroepen worden bevolkt door jonge, hoog opgeleide mensen, vaak nog studerend en meestal alleenstaand. In meerderheid heeft men geen partner binnen de groep en het is vaak ook om de (externe) partner of vanwege het werk dat men de woongroep verlaat. Het aantal kinderen is beperkt en er is weinig twijfel over dat de kinderen in eerste instantie de zorg van hun ouders zijn. Hoewel er mensen zijn, die voor lange tijd voor een woongroep kiezen en na vertrek uit een groep weer opnieuw soms na enige tijd alleen geleefd te hebben van een groep gaan deel uitmaken, is het voor de meerderheid toch gebonden aan de levensfase waarin men wel al zelfstandig, maar nog niet gesetteld is. Toen Jansen in 1985 naging hoeveel van de leden die hij in 1981 in de groepen had aangetroffen, er nog steeds waren, kwam hij op ongeveer de helft uit.

Promotor Hennie Langeveld, die ook al bij de studies uit de jaren zeventig betrokken was, slaat de kans dat de woongroepleden de voorhoede zullen zijn van een bredere beweging niet erg hoog aan. Zij wijst op 'de paradox dat een ... woongroep zowel een uiting van individualisering als een reactie op individualisering is'. Je moet heel goed kunnen praten en onderhandelen om het in zo'n omgeving goed te kunnen doen en er is ook heel wat zelf- en groepsreflectie voor nodig om een zo ingewikkeld netwerk van relaties te kunnen onderhouden. Woongroepen zijn sociaal en psychisch ingewikkelde bestaansvormen, die veel tijd, energie en tolerantie vragen.

De belangrijkste ontwikkeling in de samenleving gaat dan ook niet in de richting van de groepshuishouding, maar van de eenpersoonshuishouding. Daar hoor je nooit wat over, maar zelfs in gezinnen en binnen paarrelaties is de individualisering in het huishouden al heel ver doorgedrongen. Veel paren en gezinnen hebben al niet meer gemeenschappelijk, wat in veel woongroepen nog bijna vanzelfsprekend gemeenschappelijk is: auto, TV, telefoon, wc en bad. In veel gezinnen wordt al niet meer regelmatig samen warm gegeten. In de woongroepen blijkt juist het samen eten, voor elkaar koken en met elkaar afwassen een bijna heilig ritueel en ook bestaat er een grote terughoudendheid in het inhuren van professionele hulp of van klusjesmannen. De doe-het-zelf ideologie is er nog altijd heel sterk en in veel opzichten beantwoordt de woongroep inmiddels al meer aan het ideaal van de hoeksteen van de samenleving dan het traditionele gezin.

In het algemeen zijn de woongroepleden tevreden met hun situatie en de omgeving waarin ze leven. Het is er gezellig, men eet samen, kijkt samen TV, doet samen spelletjes en gaat vaak samen uit. Omdat het om Nederlandse huizen gaat, wordt de gemeenschappelijke ruimte nogal eens te klein gevonden, en omdat het om Nederlandse mensen gaat, de onderlinge betrokkenheid eerder wat te weinig dan teveel. De belangrijkste bronnen van conflict zijn karakterverschillen en verschil in inzicht over de gewenste 'netheid' in huis.

Wie ooit op een studentenflat heeft gewoond, weet hoe vreselijk de gevolgen van dat soort verschillen kunnen zijn. Een sloddervos kan heel wat netheid aan, maar je hoeft maar een beetje netjes te zijn om je groen en geel te kunnen ergeren aan rondslingerende troep en vooral achteloos gebruik van jouw spulletjes.

Woongroepleden zijn moderne mensen, die hechten aan democratische verhoudingen, in huis, maar ook tussen de geslachten. In principe is er sprake van volstrekte gelijkheid in positie tussen man en vrouw, maar in de praktijk wijkt het beeld toch maar weinig af van wat je ziet bij mannen en vrouwen met vergelijkbare opleiding en achtergrond buiten de woongroep. Koken wordt redelijk gelijk gedaan door beide partijen (er is nog een mooi onderzoek te doen naar de sociale stijging van het koken, sinds dit door mannen tot een vorm van zelfexpressie verheven is), wassen is vooral een zaak van vrouwen (behalve de afwas natuurlijk) en klussen een zaak van mannen. De opvoeding van de kinderen is feitelijk vooral de verantwoordelijkheid van vrouwen, al is de inzet van mannen hier zeker groter dan gemiddeld.

Woongroepen worden in meerderheid bevolkt door jongvolwassen alleenstaanden, daarnaast is er een bescheiden groep gezinnen die voor de woongroep als huishoudingsvorm hebben gekozen. Ouderen ziet men vrijwel niet in woongroepen, al hoort het langzamerhand wel tot de standaardthema's van de conversatie van 'oudere jongeren' en 'jongere ouderen' om te mijmeren over de aantrekkelijke kanten van het groepswonen als je oud bent.

In de praktijk zie je echter voorlopig alleen nog een voortschrijdende individualisering van het ouder worden. Misschien verandert dat nog eens, want als het proefschrift van Harrie Jansen iets duidelijk maakt, dan is het wel dat de woongroep in Nederland allerminst passe is. Integendeel, de woongroep heeft zijn plaats in de nationale huishoudentypologie gevonden. De Nederlandse cultuur is er voor de zoveelste keer in geslaagd iets wat nieuw, vreemd en bedreigend leek, te integreren en daarmee ook onschadelijk te maken.