Verzet Xanana geeft jeugd Oost-Timor nog hoop

DILI (Oost-Timor), 20 nov. Op zaterdag 10 november viel een groep van vijf gewapende leden van het Fretilin, de verzetsbeweging van het 15 jaar geleden door Indonesie ingelijfde Oost-Timor, een kampong binnen in de bergen ten zuiden van de Timorese stad Baucau. 'Ga hier weg, dit is ons gebied', riepen ze de bewoners toe en staken de huizen en voorraadschuurtjes in brand. Het was voor het eerst sinds lange tijd dat het verzet weer van zich deed spreken.

'Het Fretilin wilde waarschijnlijk een teken van leven geven', zegt een buitenlandse priester, 'maar er zit ook een element in van persoonlijke afrekening. De commandant van het groepje koestert een oude wrok tegen de mensen van het dorp. Die zijn nu woedend, want ze zijn alles kwijt. De mannen in de bergen zeggen dat ze nooit zullen capituleren, dat ze zich liever doodvechten. Maar ik denk dat ze ook bang zijn om naar beneden te komen, en niet alleen om het Indonesische leger.'

De verwoeste kampong was gebouwd op een smalle strook grond, bij een riviertje aan de voet van een steile bergrug. Het gebied was jarenlang niemandsland, nadat de ABRI het Indonesische leger de boeren na de invasie van 1975 had verdreven. Enkele maanden geleden gaven de militairen toestemming het stukje land weer in gebruik te nemen en werden nieuwe rijstvelden aangelegd. De eerste oogst was vorige maand binnengehaald.

De overval van het Fretilin kostte aan een jongen het leven, hij werd bedolven onder het puin van een instortend huis. De plaatselijke commandant van de ABRI haastte zich de dorpelingen hulp te bieden bij de herbouw van hun huizen.

De priester, die al meer dan twintig jaar in Oost-Timor werkt en liever anoniem wil blijven, relativeert het beeld van eensgezind verzet tegen de Indonesiers: 'Zeker op het platteland werden de sociale verhoudingen vroeger vergiftigd door vendetta's. Het wemelde hier van de koninkrijkjes, die elkaar op leven en dood bestreden'. Na 1975 bleven de tegenstellingen volgens hem bestaan, dorpsgenoten gaven elkaar soms aan bij de babinsa, de ABRI-officier die elk dorpshoofd ter zijde staat.

Pater Weriono, rector van de universiteit in de hoofdstad Dili, meent dat het Fretilin militair weinig meer voorstelt. 'Maar de huidige Fretilin-commandant Xanana leeft in de harten van jonge Timorezen. De nieuwe generatie heeft een held nodig en voorlopig is er voor hem geen alternatief.'

Pag.10: (')Oost-Timor is een proeftuin van het leger'

Weriono, die voor hij naar Dili ging landbouwingenieur in Yogyakarta was, kent het Timorese platteland goed en gelooft niet dat het Fretilin voor Indonesie nog een serieus veiligheidsprobleem vormt. Maar als guerrilla- leider Xanana nog slechts symbolische betekenis heeft, lijken de naar schatting 8.000 man Indonesische troepen in deze uithoek van de Republiek wel wat veel van het goede. Terwijl er van gevechtshandelingen weinig te bespeuren valt, springt overal de aanwezigheid van soldaten en legervoertuigen in het oog.

In maart brachten wetenschappers van de Gajah Mada Universiteit in Yogyakarta verslag uit van een onderzoek dat zij uitvoerden in een tweetal plattelandsdistricten van Oost-Timor. Het rapport bevatte conclusies die hard aankwamen bij de autoriteiten. Zo repte het van een (')overdosis' aan militairen in 's lands jongste provincie, een term die sommige ABRI-officieren liever niet wilden horen.

Een cynische waarnemer redeneert aldus: 'Als het Fretilin geheel wordt opgerold, valt de belangrijkste reden weg voor de ABRI-aanwezigheid hier. De gewone soldaten willen misschien wel naar huis, maar de legertop ziet hogere belangen in Oost-Timor. Het is in de veelvolkerenstaat Indonesie, met zijn talrijke kiemen van onrust, een uitstekende proeftuin voor anti-guerrilla- training en de ABRI speelt bovendien een cruciale rol in de Oosttimorese economie.'

De spreker betwijfelt ook of het leger wel zo rouwig was om een vraaggesprek dat Xanana onlangs gaf, 'dat poetst immers het vijandbeeld weer wat op'.

Xanana

In september drong de Australische radiojournalist Robert Domm door tot de schuilplaats van Jose Alejandro Gusmao (44), alias Xanana, bevelhebber van Falintil, de gewapende arm van het Fretilin. Dit was onder meer mogelijk omdat Oost-Timor, na veertien jaar hermetisch te zijn afgesloten van de buitenwereld, begin dit jaar weer werd opengesteld voor buitenlandse reizigers.

Domms vraaggesprek met Xanana heeft Fretilin aan de internationale vergetelheid ontrukt en dat was ongetwijfeld ook de bedoeling van degenen die de ontmoeting arrangeerden. Het bewijst twee dingen: Xanana bevindt zich na vijftien jaar stilte nog steeds in de bergen van Oost- Timor en hij is een intelligente tacticus. Of het, zoals Domm suggereert, tevens een bewijs is van Fretilins kracht, is een ander verhaal. Alles wijst er hier op dat na veertien jaar (')integratie' in de Republiek Indonesie het Timorese gewapende verzet is geneutraliseerd.

De Indonesiers vielen Oost-Timor binnen op 7 december 1975, tien dagen nadat de Portugezen met stille trom waren vertrokken, de kolonie achterlatend in een staat van burgeroorlog. Het Timorese Bevrijdingsfront (Fretilin) riep op 28 november, dezelfde dag dat de laatste gouverneur de Portugese vlag streek, de Republiek Oost-Timor uit.

Fretilin, dat het marxisme-leninisme in zijn vaandel voerde, was goed bewapend door Portugese communisten en trad hard op tegen aanhangers van de twee andere Oosttimorese partijen, de UDT en de Apodeti. De Democratische Unie van Timor (UDT) had zich na de Anjerrevolutie in Portugal (april 1974) geruime tijd verzet tegen het voornemen van Lissabon om Oost-Timor onafhankelijkheid te verlenen en de derde partij, Apodeti, ijverde voor aansluiting bij Indonesie.

Een oudere inwoner van Dili staan die chaotische dagen van eind november 1975 nog helder voor de geest. 'De Portugezen waren binnen drie dagen weg. Ze deden niets om de partijen tot elkaar te brengen. Veel mensen ik ook dachten: (')Portu' laat ons vallen en Indonesie is dichtbij, laten we met hen praten. Maar er viel niks te praten. Op 7 december, om vier uur in de morgen, zag de hemel boven Dili zwart van de Indonesische parachutisten. Die jongens waren bezeten van maar een gedachte: hun nationale strijd tegen het communisme hier voortzetten. En een Oosttimorees was in hun ogen al gauw een communist.'

Het Fretilin-leger trok zich terug in de bergen, van waar het aanvallen uitvoerde op de Indonesische bezettingsmacht. Er volgde een bloedige oorlog, die niet ophield toen Oost-Timor in 1976 een provincie werd van Indonesie. In een aantal grote campagnes in 1976, 1979, 1983 en 1988 dreef de ABRI het Fretilin terug naar de meest onherbergzame streken van Oost-Timor. Overigens zonder de guerrillastrijders definitief ooit uit te schakelen.

Amnesty International schat dat van 1976 tot 1980 zo'n 200.000 mensen de dood vonden door gevechtshandelingen, executies, ziekten en hongersnood. Officiele Indonesische statistieken wijzen uit dat de bevolking van Oost-Timor tussen 1973 en 1980 terugliep met meer dan 70.000 mensen.

Kleine groepjes

Na vijftien jaar resten er van het Fretilin-leger nog maar enkele kleine strijdgroepen, verspreid over het oostelijke bergland. Generaal Warouw, de ABRI-commandant in Dili, schat het aantal gewapende Fretilin-leden op 150, sympathisanten in Dili houden het op 600 man. En de Fretilin- ballingen in het buitenland spreken van 1.400 strijders.

Wie nog kort geleden met hen in aanraking is geweest, weet te melden dat de meesten beschikken over ABRI-wapens; het oude Portugese wapentuig doet geen dienst meer. Sommigen, onder wie Xanana zelf, zeggen dat de wapens zijn buitgemaakt bij overvallen op ABRI-patrouilles. Anderen menen zeker te weten dat er ook corruptie in het spel is, wapenhandel door armlastige soldaten.

Behalve de overval op de kampong bij Baucau is van gevechten op enige schaal al lang geen sprake meer. Een enkele keer loopt een ABRI-patrouille in een hinderlaag en vallen er doden. Het Indonesische leger heeft sinds de campagne van 1988 geen offensieve acties meer ondernomen.

De ABRI voorkomt met regelmatige patrouilles dat de verspreid opererende eenheden onderling contact leggen. Het gaat waarschijnlijk om groepjes van zo'n vijf tot tien man, elk met een eigen commandant, die proberen te overleven.

Een 27-jarige Timorees, lid van een clandestiene studentenorganisatie, klom in augustus de bergen in en had voor het eerst van zijn leven contact met de guerrillastrijders. 'Ze leven daar onder extreem moeilijke omstandigheden. Er is een groot voedselprobleem. In de droge tijd moeten ze naar voedselrijkere gebieden, waar het wemelt van de soldaten. Als er geen wild is, moeten ze het hebben van de plaatselijke bevolking, maar die is niet altijd bereid om te helpen.'