Nieuw type ambtenaar bestaat al; De Dorknopers en Dickerdacks zijn dringend aan vervanging toe

In NRC Handelsblad van 15 november schreef de secretaris-generaal van het ministerie van binnenlandse zaken, J. J. van Aartsen, over de levensavond van de ambtenaar die wij in de nu achter ons liggende periode vooral hebben willen zien als de regelzuchtige, nota's makende en 'verstard voor zich uit sturende' heer. Er zal een einde komen, zo maakt Van Aartsen ons duidelijk, niet alleen aan de Dorknopers maar ook aan de ambtelijke koninkrijksbouwers van onze wereld, de Dickerdacks. Want aan hen kan niet minder de verkokering en de starheid in het functioneren van onze overheid worden toegeschreven.

Minder pregnant in het betoog van Van Aartsen komt tot uiting dat inmiddels, mede onder de druk van voortdurende afslanking, bezuiniging en kleine efficiency-operaties, een geheel nieuw type ambtenaar in de Haagse burelen kan worden aangetroffen die, al of niet bevangen door de tijdgeest of gewoon door persoonlijke nuchterheid en gezond verstand, of door werkelijke interesse in het dagelijks werk, al geruime tijd geleden de handschoen heeft opgepakt die Van Aartsen nu opnieuw toewerpt aan de gehele overheid. Die ambtenaar zal wel bijzonder tevreden mogen zijn, als hij uit het betoog van Van Aartsen de verwachting mag putten dat zijn inspanningen voor het bereiken van effectiviteit, bedrijfsvaardigheid en last but not least zinvol samenspel met de democratie nu eindelijk in brede fora weerklank zullen vinden. Voorts mag hij hopen dat in diezelfde geest ook sprake zal zijn van een versterkte toewijding van de politieke leiding voor organisatiebeslissingen en hun gevolgen.

Uit het betoog van Van Aartsen volgt dat het niet alleen de politici en hun ambtenaren zijn, die zich door zijn beschouwing aangesproken kunnen voelen. Immers, de vraag wat de Nederlandse overheid feitelijk wil verstaan onder efficiency, aanvaardbare bureaucratie, het nut van integratie enzovoorts, is er een die bij uitstek van algemene maatschappelijke betekenis is en waarvan de beantwoording derhalve aan het forum van de samenleving behoort te worden voorgelegd. Ook Van Aartsen onderstreept dit met zijn stelling dat de keuzen die onderweg, in het kader van de 'operatie grote efficiency' zullen worden gemaakt, een politieke strekking zullen hebben. Met andere woorden, het zijn geen beslissingen die neutraal, 'partij-loos' of zuiver organisatiekundig zullen zijn.

De Nederlandse samenleving doet er dus goed aan op te letten (om in de sfeer van Bommel te blijven) en de gelegenheden die zich voordoen actief te benutten, om ertoe bij te dragen dat niet wederom, zoals Van Aartsen terecht met zorg constateert, een volgende serie initiatieven gaat sneuvelen.

Depolitisering

Dat het al in eerste aanleg een politieke kwestie wordt, blijkt uit de vraag die centraal staat in de operatie grote efficiency, namelijk wat nu eigenlijk de taken van de (rijks-) overheid moeten zijn. In de grensverleggende operaties van de afgelopen jaren bleek immers dat het wegens hun politieke karakter iedere keer opnieuw weer moeilijk was de gewenste doorbraak (tijdig) te bereiken. Gedoeld wordt op exercities zoals de privatisering van de PTT, de afstoting van het Rijksinkoopbureau, de totstandkoming van de Informatiseringsbank. In al deze gevallen was, in afnemende graad overigens, sprake van een gemarkeerd afscheid van de politiek als beinvloedend mechanisme. En het lijkt niet onwaarschijnlijk dat, wanneer de thans voorliggende operatie inderdaad moet leiden tot het (verder) op afstand plaatsen van bepaalde takken van overheidsdienst, die 'depolitiseringsvraag' tal van agenda's zal gaan beheersen.

Sterker uitgedrukt: het is aannemelijk dat, wanneer de beslissing tot depolitisering in de daarvoor in aanmerking komende gevallen niet wordt genomen, er inderdaad weinig anders zal worden bereikt dan wat al die jaren met zo weinig werkelijk resultaat is gebeurd in de vorm van cosmetische verschuivingen van naamborden en dienstenlogo's.

Niet zonder reden zien velen als enige weg voor de Informatiseringsbank het hardnekkig doorploegen op de weg naar verdere verzelfstandiging; haar huidige positie is immers een hybride vorm van decentralisatie en privatisering en is daarmee feitelijk en juridisch instabiel. De spelers in dat veld zullen het echter zonder steun van de politiek niet kunnen stellen. Niet alleen bij die operatie maar net zo goed bij alle andere privatiseringsoperaties die worden geleid uit het motief van effectiviteit, efficiency en slagvaardigheid zal 'het politieke afscheid' pijn doen. Het is realistisch ervan uit te gaan dat daarvoor ook een prijs zal worden gevraagd. Daarbij gelden alle overwegingen die Van Aartsen noemt: het nut en de noodzaak van overheidsdiensten zijn niet in eerste instantie een afgeleide van een bedrijfseconomische overweging maar van maatschappelijke afwegingen.

Of daarmee de organisatievormen en bedrijfsprincipes uit de particulier winst-georienteerde sectoren geen of weinig betekenis zouden hebben, is echter geen uitgemaakte zaak. Van Aartsen lijkt de kring in dit opzicht graag zo klein mogelijk te willen houden. Vooraf blijft de vraag: wat is overheid? Wat daarbuiten valt of gaat vallen zal toch in enigerlei vorm aan economische resultaat-principes moeten kunnen worden getoetst. Gaat de operatie tot grote efficiency leiden, dan zullen die principes in elk geval voor aanzienlijk meer overheidsdiensten gaan gelden dan thans gebruikelijk is. Tijdige orientatie op die principes en op de daarmee verbonden concepten lijkt dus geen overbodige luxe.

Staatsoptiek

Als ook voor het overige de grote efficiency van de grond komt, mag worden vermoed dat de meer gangbare concepten zelfs voor de 'resterende' overheid weinig doorslaggevende betekenis meer zullen hebben. Begrippen als 'deconcentratie', 'territoriale decentralisatie', 'integratie', 'beleid': zij alle behoren tot de begrippenwereld van een overheid die, als het erop aankomt, wil blijven sturen uit een alles omvattende staatsoptiek. Anders gezegd: een overheid (en haar cultuur) waarvan men zich dus ernstig moet afvragen of zij werkelijk wil wat zij stelt en als dat zo is, of zij dit ooit, zonder actieve hulp van de samenleving zal kunnen realiseren. Een samenleving die overigens stelselmatig tot de conclusie komt dat zij haar weg ook zonder de politiek, ondanks de overheid, zal weten te vinden. Wie waren ook al weer de drijfveren achter de doorbraak in de EEG, waar Van Aartsen terecht naar wijst als hij zegt dat Nederland gaandeweg moet zien te overleven als provincie van Europa? Kan dan het recept van 'centrale regie' nog wel werken? Is dit niet een merkwaardig concept als wij tegelijkertijd worden doordrongen van de noodzaak van decentralisatie en efficiency? Welk doel wordt feitelijk beoogd met 'het versterken van integratieve krachten' in de rijksoverheid, als wordt erkend dat dit recept reeds werd beproefd en niet tot werkelijk resultaat heeft geleid? Waarom niet de andere, de tegengestelde optie: zou het niet juist desintegratie moeten zijn, het bewuste afscheid van 'centrale politiek', waar het ons in de komende jaren om te doen zou moeten zijn?

Nieuw type

Hierboven is verwezen naar een nieuw type ambtenaar. Hij bestaat, maar hij is nog deel van een minderheid. Op zijn bureau liggen becijferingen van toegevoegde waarden, ligt een organogram van zijn klanten (niet van zijn bazen); op zijn agenda staan besprekingen over budget-afspraken (zoals: mag de Kamercommissie weten wat het kost als er per jaar meer dan honderd vragen worden gesteld?). Mijn hoop is dat het deze ambtenaar zal zijn die de Dorknopers en natuurlijk ook de Dickerdacks gaat vervangen.