Literaire Tijdschriften

Sartre wacht op hen

Herve Guibert schrijft zich bijna letterlijk koortsachtig naar het einde toe. Hij heeft AIDS en legt zijn gewaarwordingen en belevenissen zorgvuldig vast in literatuur. Een half jaar geleden verscheen van deze jonge Fransman A l'ami qui ne m'a pas sauve la vie, een kruising tussen een roman en een ziektekroniek, waarin de overleden denker Michel Foucault een belangrijke rol speelt.

In L'Infini, het tijdschrift van Philippe Sollers bij beider uitgever Gallimard, staat op de eerste bladzijden een 'necrologie' van Guibert. Hierin schetst Guibert de benauwde uren van een journalist die snel een In Memoriam van een gestorven vogelkenner op papier moet krijgen. Hij komt ondanks de tijdnood tot niets: volledig afgeleid bij de gedachte aan de stenotypistes wie hij door de telefoon zijn necrologie zal moeten dicteren 'me dwingend bepaalde zinnen te herhalen, en altijd de lastigste om te herhalen, terwijl ze me door de klank van hun stem lieten blijken hoe nietig en schandalig ze mijn overdreven aandacht vonden, zij die als eersten op de hoogte werden gesteld van staatsgrepen, vliegtuigrampen en het overlijden van machthebbers.'

Hetzelfde nummer van dit blad bevat een tekst van de oorspronkelijk Bulgaarse taalfilosofe Julia Kristeva over de overlevingskansen van Sartre. Ze gelooft ferm in een heropleving van het existentialisme, en wel in Oost-Europa. De ineenstorting van de Berlijnse Muur heeft niet Sartre's overtuigingen, marxisme incluis, belachelijk gemaakt, integendeel. Zodra ze 'daar' eenmaal supermarkten hebben en auto's zullen ze zich beginnen af te vragen wat ze aanmoeten met God, de Natie, de Dood, het Zijn, de Ander, de Taal. 'Ze zullen het existentialisme herontdekken als passie om na te denken tot walgens toe, en het post-existentialisme als tragikomisch, stoicijns reveil. Sartre wacht op hen, en wij ook. Wij hebben alle tijd.'

Kristeva's vroegere echtgenoot Sollers, als altijd onuitstaanbaar onbescheiden en een ware omgevallen boekenwand, schrijft in zijn 'Journal' over Tacitus, Dante, de Kardinaal van Retz, Casanova, Joyce, en de schilder Francis Bacon die in verband wordt gebracht met Aeschylus' Orestes, Van Gogh en Bataille ('dans ce livre que personne ne connait plus' - zo'n toon). Verder in L'Infini een drieluik over de experimentele Italiaanse auteur Giorgo Manelli (1922-1990), die beroemd werd door zijn repliek op Sartre's 'literatuur maken is immoreel zolang ergens op de wereld een kind van honger sterft' ; 'met peinzen over het geweten in de literatuur vul je ook geen lege magen en leren we ook nog niets over het geschrevene.'

Het meest opmerkelijke verhaal in dit nummer is van Francoise de Maulde over een korte, geladen ontmoeting van een gretige oudere vrouw met een mooie jonge man die pas in de laatste regel haar zoon blijkt.

L'Infini 31, herfst 1990. Uitg. Gallimard; 128 blz. fl. 34,75.

Passie op 110 volt

Guiberts A l'ami qui ne ma pas sauve la vie komt ook aan de orde in een artikel van vertaalster Jeanne Holierhoek over leven en sterven van Michel Foucault. Ze noemt het boek een sleutelroman, de naast een 'ik' er in optredende 'Muzil' is Foucault. Zo gesloten als Foucault over zijn priveleven was, zo verschrikkelijk openhartig is Guibert over het zijne. 'Medische details, grondeloze verbijstering, maar ook waardering voor de gefaseerde manier waarop de ziekte hem naar zijn einde voert; het wordt beschreven in een ademloze, als door de dood op de hielen gezeten stijl.'

Preludium opent met een interview van Aart G. Broek met Boelie van Leeuwen, 'intellectueel, schrijver en grappenmaker'. Het gesprek ging in hoofdzaak over de bundel columns Geniale anarchie, waaraan een column uit de Curacaosche Courant ontbreekt: een over Salman Rushdie. Broek noemt dat weglaten een 'gelukkige keuze', omdat 'de stellingname van Van Leeuwen tegenover Rushdie en ten gunste van de Islamitische verontwaardiging als zodanig weinig populair is in Nederland.' Wat een vreemd en betuttelend argument. Van Leeuwen schreef: 'Een schrijver heeft van God geen vrijbrief gekregen om naar believen mensen op hun ziel te trappen. Hij is, voor ieder woord dat hij op papier zet, verantwoording schuldig aan zijn lezer, want deze lezer is de andere kant van de schrijver.'

In Geniale anarchie zijn hier en daar dialogen in het Papiamentu blijven staan. Van Leeuwens moedertaal is echter bij het schrijven geen eerste keus. 'Anderzijds blijft het Nederlands ook maar een gek taaltje: het is allemaal 110 volt, er zit geen passie in. Andere talen bieden mij dan ook regelmatig de helpende hand, niet in de laatste plaats het Papiamentu.'

Het vraaggesprek wordt gevolgd door een verhaal van Van Leeuwen, 'Teresa Teenager', over jeugd en leven van een stokoude hoer, prachtig en zwaar sentimenteel.

Van Willem Brakman werd een fragment opgenomen uit een roman in wording, Inferno. Het andere verhalend proza, van Eva Bentis ('Kwart voor vier') en Marijke van Hoff ('Mater Amabilis'), is slap en voorspelbaar.

Fin-de-siecle-onderzoeker, vertaler en, soms, vervalser Menno Wichman vertelt over een 'schandkroniek' uit 1892 van Jean Lorrain, 'Ame de boue', over een macaber spelletje van Sarah Bernhardt: zich drie keer per maand op te laten baren als een dode en zich tot leven te laten kussen door haar geliefde vriendin 'Bevlekte Ziel'.

Preludium 1990/1-2. Uitg. De Geus, 129 blz. fl. 19,50.

Portret in de hondemand

Een beetje ten onrechte wekt het omslag van Het Oog in 't Zeil de indruk een heel Elsschotnummer te omvatten. Achttien bladzijden werden aan hem gewijd, door Donald Betlem. Hij raadpleegde brieven en briefkaarten van de schrijver die verwijzen naar Lijmen/Het Been.

Domweg omdat Lijmen nog lang niet was uitverkocht verscheen het later geschreven deel Het Been eerst los van Lijmen, zeer tegen de wil van Elsschot. Betlem legt uit waarom in de jaren dat Lijmen en Het Been afzonderlijk van elkaar te koop waren geen mens die Lijmen niet kende iets van Het Been begrepen kan hebben. Hij neemt aan dat Elsschot vooral op aandringen van Boorman-bewonderaar Ter Braak Lijmen uitbreidde, en publiceert in Het Oog negentien onlangs opgedoken brieven van Elsschot.

'Zijn intriges zijn meestal absurd of melodramatisch, zijn personages veelal van karton en zijn stijl is vaak onhandig of pretentieus. (...) En toch is hij op een lijn gesteld met Balzac, Flaubert en Dostojevski.' Het gaat hier over Thomas Hardy. Hein Groen schreef een aardig, ingeleefd stuk over hem. Ze raakte, zoals meestal, geinspireerd door een pelgrimage naar de plaats waar de schrijver geleefd heeft. 'In Dorchesters beste boekhandel, Longmans, staat twintig meter Hardy. (...) In een dierenwinkel staat Hardy's portret in een hondemand.'

Hein Groen heeft beslist oog voor de kleine wetenswaardigheden die je altijd zult onthouden: 'Zelf schreef hij in The Life of Thomas Hardy dat hij er zijn hele leven een hekel aan had om aangeraakt te worden. In Dorchester herinnerde men hem zich als iemand die daarom altijd midden op straat liep.'

Ze sprak ook met John Fowles over zijn Hardy-roman The French Lieutenant's Woman en over zijn fossielenverzameling: 'Ik had misschien beter bioloog kunnen worden, waarom zou je in godsnaam boeken schrijven, dit is wat ervan komt', hij pakt zuchtend een gloednieuw Form and Function in John Fowles van een stapel, 'goed bedoeld, maar onleesbaar door het jargon.'

Het Oog in 't Zeil 1990-1, oktober. Uitg. Bert Bakker, 64 blz. fl. 12,50.