Grote toeloop bedreigt unieke onderwijssysteem van universiteit Maastricht; Het succes van een Calimero

Jaar in jaar uit zond de universiteit in Maastricht bij het begin van het academisch jaar opgetogen geluiden het land in. Alles ging goed, de instelling groeide als kool. Maar dit jaar, aan de vooravond van het derde lustrum, was de toon zorgelijk. Niet dat de studenten Maastricht links lieten liggen. Nee, het omgekeerde zorgde voor de problemen: door de grote toeloop dreigde het unieke onderwijssysteem in gevaar komen. ' Barsten in de succesformule', noemde een lid van het college van bestuur het.

Zou er enig gegniffel hebben geklonken in de gelambrizeerde bestuurskamers van de gevestigde Nederlandse universiteiten? Leedvermaak, dat die brutale opdonders in Maastricht nu eindelijk ook eens met hun hoofd tegen de muur liepen? Het is niet ondenkbaar, want als de Rijksuniversiteit Limburg zich na 15 jaar al een positie in de vaderlandse academische wereld heeft veroverd, dan is dat in ieder geval niet zonder slag of stoot gegaan.

Vanaf het allereerste begin in 1974/76, de oprichting van de medische faculteit, werd elk initiatief tot uitbouw met het grootst mogelijke wantrouwen benaderd. De universiteit in Maastricht was immers een 'politieke universiteit', gesticht ter compensatie van het verlies aan werkgelegenheid na de mijnsluitingen en in eerste instantie vooral nagestreefd door een PvdA die zuidelijke stemmen aan zich trachtte te binden.

Dat is allemaal waar, maar toch hebben aan de oorspronkelijke plannen wel degelijk reele concepties ten grondslag gelegen. Medio jaren 60 was de behoefte aan uitbreiding van de opleidingscapaciteit in de medische sector onbetwist. De bevolking groeide, er waren meer artsen nodig en er moest dus een achtste medische faculteit komen. Kan het de Limburgers aangerekend worden dat de demografen zich hebben vergist en dat al snel bleek dat er in Nederland in het jaar 2000 bij lange na geen 19 miljoen zielen zullen wonen?

Ook had het parlement al in 1970 aangekondigd dat de medische faculteit op den duur zou opgaan in een rijksuniversiteit. Het royale toekomstbeeld van de Limburgers (een volwaardige universiteit met zo'n 20.000 studenten en een academisch ziekenhuis met ruim 1.000 bedden) botste eveneens onzacht op de veranderende werkelijkheid: de eerste voortekenen van grootscheepse bezuinigingen op de onderwijsbegroting.

'Maastricht' leek bijgevolg nog voor zich een student had gemeld al een historische vergissing. Om te voorkomen dat dit de zoveelste loze belofte van 'die Hollanders' aan het generaliteitsland zou worden, bedachten de Limburgse founding fathers, onder wie het PvdA-kopstuk dr. J. Tans, een meesterzet. Als de geneeskundefaculteit niet om kwantitatieve redenen onmisbaar kon zijn, dan maar om kwalitatieve. In Maastricht moest alles anders. Afwijken en zijn, of niet zijn, dat was het devies.

Basisfilosofie

De nota die vervolgens onder de naam 'basisfilosofie' het licht zag, proclameerde de verandering. Hier werd niet langer een traditionele medische faculteit met een dito zwaar academisch ziekenhuis voorbereid, nee, de primaire orientatie van onderwijs en onderzoek zou de eerstelijns gezondheidszorg gelden. In traditionele medische kringen elders in het land werd wat schamper gereageerd op de plannen. Veel meer dan een veredelde sociale academie met een geneeskundig tintje zag men niet ontstaan.

Die angst besmette ook een deel van de hoogleraren die naar Maastricht werden gehaald om de faculteit op te bouwen. Vrijwel meteen kwam er een sterke beweging op gang die vond dat een medische faculteit zonder een stevig opgetuigd academisch ziekenhuis nauwelijks recht van bestaan had. Het duurde dan ook niet lang of het plaatselijke nonnenziekenhuis St. Annadal werd overgenomen en tot academisch ziekenhuis gepromoveerd. En om meteen maar de sprong naar het heden te maken: over een jaar zal een nieuwbouwcomplex aan de snelweg naar Luik worden betrokken. Omvang: bijna 700 bedden.

De basisfilosofie omvatte echter meer. Het meest bekend is natuurlijk het nieuwe onderwijssysteem, maar dat was niet het enige. Ook organisatorisch woei er een nieuwe wind. Om de verkokering tegen te gaan die de plaag is van elke klassieke universiteit werd de vakgroep, kern van dat stelsel, een veel geringere rol toebedeeld. In Maastricht geldt de vakgroep noch voor het onderzoek, noch voor het onderwijs als organiserende eenheid. In de zogeheten matrix-organisatie is het onderzoek in projecten ondergebracht, waaraan de vakgroepen vervolgens menskracht leveren. Integratie staat voorop.

Groeien moesten ze!

In 1974 was het dan zover. In dat jaar begon de nieuwe experimentele faculteit half clandestien met de eerste studenten. De officiele opening volgde in 1976. Toch wist ook toen de twijfel van de Limburgers nog van geen wijken. Zou het vernieuwende karakter dit kasplantje werkelijk kunnen vrijwaren van aanslagen, nu de rest van universitair Nederland langzaam in een aanzwellende storm van bezuinigingen terecht kwam? Groeien moesten ze, anders werden ze straks met het eerste zuchtje wind omver geblazen!

Opgewekt en in stand gehouden door een existentiele en chronische angst voor opheffing werd groei een obsessie. Limburgse delegaties bestormden het departement van onderwijs en wetenschappen met plannen voor alfa-, beta- en gammafaculteiten, alles tevergeefs. Het enige wat er in zat was een nieuwe studierichting die nauw tegen de medische aanleunde en om die reden qua infrastructuur goedkoop kon zijn: sociale gezondheidskunde.

De verdere ontwikkeling stokte. In 1978 was een motie in de Tweede Kamer nodig om de regering te manen serieus werk te maken van de universiteit. Afgesproken werd dat in 1990 minimaal 6.000 studenten onderdak zouden vinden in een instelling ' die volwaardig kan functioneren in het toekomstige stelsel van hoger onderwijs'. Indiener Deetman is later door de Maastrichtse universiteitsbestuurders bij herhaling hardhandig aan dat woordje 'volwaardig' herinnerd, maar gaf in zijn rol van minister geen krimp. Wel had zijn motie tijdens zijn kamerlidmaatschap het nodige effect. Naast sociale gezondheidskunde (eerste studenten in 1980), later omgedoopt tot gezondheidswetenschappen, kreeg de universiteit van Deetmans voorganger Pais rechten (1982) en economie (1984).

Met die vier faculteiten lagen de contouren van de Maastrichtse universiteit wat het ministerie betrof verder muurvast. Maar de zuiderlingen lieten zich niet voor een gat vangen, en met listige manoeuvres en handige argumentatie wisten ze enige jaren geleden nog een faculteit algemene wetenschappen los te weken, een studentloze service-faculteit die vakken als filosofie en informatica aan de andere kan aanbieden. Inmiddels blijkt in de boezem van deze faculteit het plan gerijpt voor een totaal nieuwe studierichting: cultuur- en wetenschapsstudies, het eindpunt van een lange reeks pogingen 'iets letterenachtigs' binnen de muren te krijgen. En de minister heeft toegehapt. In september 1991 worden de eerste studenten verwelkomd.

Die kunnen er dan aan bijdragen dat de universiteit uitgroeit boven het magische getal van 6.000 studenten dat nu behaald is. Rechten en economie zijn echte trekkers gebleken. Deze studierichtingen profiteerden (soms zelfs meer dan proportioneel) van de algehele hausse in de belangstelling voor die richtingen. Gezondheidswetenschappen trekt dit jaar ruim 600 eerstejaars, wat ongetwijfeld verband houdt met het feit dat de studie in al zijn breedte (er zijn 7 afstudeerrichtingen) uniek is in Nederland.

Grote advertenties

Toch was groei niet steeds zo vanzelfsprekend. Nog maar enkele jaren geleden slaakte rector magnificus prof. dr. F. I. M. Bonke een noodkreet. Als we niet oppassen blijven we steken op hooguit 3.500 studenten, ruim onder de kritische grens om als instelling te kunnen overleven, waarschuwde hij. Zijn actie leidde er mede toe dat Maastricht de eerste universiteit werd die met een campagne van paginagrote advertenties in de landelijke dagbladen studenten trachtte te werven. Nu komt een stijgend deel (65 procent) van de eerstejaars studenten van buiten de provincie. En de aanvankelijke ergernis ten spijt, hebben de collega-instellingen de opgetrokken neuzen voor dit soort vulgariteit inmiddels dichtgeknepen. Op dit moment is er bijna geen universiteit meer die geen reclame maakt.

In het begin waren zij echter onaangenaam verrast. De toon van de campagnes was niet direct bescheiden. Erger nog, daar was ook geen reden toe. Want Maastricht deed precies wat van het gehele wetenschappelijk onderwijs werd verlangd maar waar niemand aan kon voldoen: studenten snel opleiden, met een minimum aan uitvallers.

Wie de tamelijk zielige cijfers onder ogen krijgt van de rendementen van het wetenschappelijk onderwijs van de afgelopen jaren, ziet hoe ver de resultaten uiteenlopen. Het overzicht dat de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten afgelopen zomer aan de minister zond om als grondslag te dienen voor de financiering, spreekt in dat opzicht boekdelen. Van het cohort 1982/83 bijvoorbeeld had na 6 jaar (de gemiddelde studieduur in Nederland) in Maastricht 81 procent van de studenten de bul op zak. Uitsplitsing naar sector of zelfs naar studierichting levert geen werkelijk ander beeld op. Bij de andere universiteiten varieert het percentage van 33 (Rotterdam) tot 49 (Vrije Universiteit).

Van hetzelfde cohort 1982/83 had gemiddeld (dus inclusief de technische en landbouwopleidingen) een magere 5 procent na 4 jaar zijn titel. In Maastricht was dat 10 keer zoveel: 51 procent. Ook de gemiddelde studieduur is in Limburg veel en veel korter dan elders: 4,7 tegenover gemiddeld 6 jaar. Bovendien blijkt de selecterende en verwijzende functie van de propaedeuse in Maastricht beter dan elders te functioneren. Waar gemiddeld na de propaedeuse zo'n 30 procent voortijdig zijn studie afbreekt, is dat in Limburg slechts 10 procent.

Ongeloof vermengd met sarcasme kleurden de reacties: als het daar zo snel ging zou het ook wel niks wezen, zeker niet met dat rare systeem. Prof. dr. W. Wijnen, onderwijspsycholoog en een der vaders van het Maastrichtse onderwijsmodel: ' Dat hadden we natuurlijk voorzien. Bovendien heerste er ook bij onze eigen studenten onzekerheid. Omdat de docenten zelf ook nieuwsgierig waren naar het peil van de studenten, hebben we in 1980 en 1981 een vergelijkende test georganiseerd met studenten uit Leiden en Groningen.' Sinds die tijd is deze proef enige malen herhaald, en het resultaat blijft consistent: geen verschil, behalve dan dat men in Maastricht sneller studeert.

Over de andere studierichtingen is minder bekend. Vergelijkende testen zijn er niet gedaan: gezondheidswetenschappen valt met niets anders te vergelijken, bij economie en rechten ontbreekt het immer nog aan het meetinstrument waar geneeskunde wel over beschikt: een adequate en uitgebalanceerde voortgangstoets.

Resteren de observaties van visitatiecommissies. Onlangs werden de economen en de juristen bezocht. Het Maastrichtse produkt was niet slechter dan dat van de andere opleidingen, zei de commissie voor economie. De visitatiecommissie rechten, die een paar weken tevoren door de gebouwen dwaalde, had evenzeer allerlei vriendelijks te melden, maar dat werd al gauw overschaduwd door een kanttekening die de gastheren koud om het hart sloeg. Zijn uw afgestudeerden wel voldoende vertrouwd met de systematiek in het recht, luidde de vraag. En (verontrustender nog), voldoen ze wel aan de eisen van het Academisch Statuut?

De verbouwereerde faculteitsbestuurders wisten niet hoe snel ze de commissie van nadere documentatie moesten voorzien om uit te leggen dat een thematische aanpak geenszins betekent dat een student het verschil tussen privaatrecht, strafrecht en staats- en bestuursrecht niet meer zou zien. Het onderscheid met de klassieke opleidingen is dat die indeling niet de grondslag voor het onderwijs vormt; de inhoud zelf komt wel degelijk aan bod.

Motivatieprobleem

Was dit de 'barst in de succesformule' waar dr. K. Dittrich, lid van het college van bestuur, bij de opening van het academisch jaar op doelde? Nee, al was het maar omdat de visitatie pas na zijn rede plaatsvond. Dittrich had het over iets anders. De barsten, dat zijn de teruglopende rendementen en de oplopende studieduur, het afnemende enthousiasme voor het onderwijsmodel, de toenemende onverschilligheid, soms ronduit sabotage door docenten en studenten.

Dittrich suggereerde daarom dat de studenten wat harder zouden moeten werken, en dat de docenten best een opfriscursus probleemgestuurd onderwijs konden gebruiken. Er ligt een motivatieprobleem; studenten en docenten moeten 'meer geschikt' gemaakt worden voor het systeem.

Dittrich raakte een zere plek. Een klein voorbeeldje uit de rechtenfaculteit: studeerde van het cohort 1982/83 nog 54 procent in 4 jaar af, van het cohort 1985/86 behaalde net 30 procent binnen 4 jaar de bul. Nog is de claim terecht dat Maastricht hogere rendementen dan waar ook behaalt, maar de afstand wordt minder. Er is opnieuw de angst voor het voortbestaan. Als het belangrijkste profileringskenmerk niet intact blijft, wat onderscheidt Maastricht dan nog van andere universiteiten?

Dittrich was de eerste die de problemen aan de wereld vertelde, maar binnen de universiteit was de discussie over het systeem al eerder losgebarsten. Vooral de snel groeiende faculteiten klagen over de grote onderwijslast voor de docenten. Een toevloed van 100 nieuwe studenten betekent bij een gewone universiteit dat men wat moet aanschuiven in de collegezaal, in Maastricht leidt het meteen tot 10 extra tutorschappen bij de onderwijsgroepen.

Hier en daar hebben de problemen al tot aanpassingen geleid. Ouderejaars studenten treden op als tutor (' De resultaten zijn niet minder', zegt prof. Wijnen); er wordt weer meer college gegeven, de curricula worden strakker opgezet. Blijft de bange vraag hoeveel 'vreemde elementen' het probleemgestuurde onderwijs kan verdragen zonder het recht op die benaming te verliezen.

Maar alle interne moeilijkheden ten spijt maakt het Maastrichtse systeem steeds meer school. Niet zozeer bij andere universiteiten. In het hoger beroepsonderwijs is de uitstraling veel groter, en de export van het systeem naar buitenlandse universiteiten doet het uitstekend. In Maastricht zelf is de afgelopen 10 jaar het ene na het andere (liefst chique, liefst internationale of op zijn minst Europese) research- of opleidingsinstituut neergestreken.

De universiteit werkt intussen hard aan een nieuw profileringsitem: internationalisering. Ingeklemd tussen Belgie en Duitsland moet dat geen probleem zijn, is de gedachte. Met de universiteiten van Luik en Aken wordt dezer dagen een samenwerkingsovereenkomst getekend. Veel meer dan goede voornemens staan daar niet in, maar wat niet is kan nog komen. Dat poppetje Calimero was toch ook een grensoverschrijdend fenomeen?

Probleemgestuurd onderwijs is in alles anders

Met het probleemgestuurde onderwijs (PGO) introduceerde Maastricht in 1974 een ongehoorde noviteit in de vaderlandse universitaire wereld. Model voor het PGO stond namelijk de medische faculteit van de McMaster University in Canada, in het begin van de jaren zeventig nog de enige universiteit ter wereld met een dergelijk systeem.

Onderwijskundig uitgangspunt is de gedachte dat zelf verworven kennis zowel beter als langer beklijft, en dat studenten moeten 'leren leren'. Centraal in het model staat de onderwijsgroep, met ongeveer 10 deelnemers. Deze groep krijgt in blokperiodes van zes weken een aantal problemen (wetenschappelijk dan wel praktisch) voorgeschoteld in een door docenten samengesteld blokboek. Het probleem wordt in de groep ontleed voor zover de kennis van de deelnemers reikt. Tegen het einde van een sessie spreken ze af welke aspecten van het probleem nader worden bestudeerd.

De rol van de docent is beperkt. Het systeem is student centered. Colleges zijn er nauwelijks, de docenten hebben vooral een begeleidende rol: ze treden op als tutor bij de groepsbijeenkomsten.

Ook de examinering van de kennis gaat in Maastricht anders dan elders. Elke blokperiode wordt afgesloten met een bloktoets. Daarnaast worden er drie of vier keer per jaar voortgangstoetsen afgenomen. De bloktoets heeft geen ander doel dan de studenten te informeren over hun vorderingen. Een slecht gemaakte bloktoets heeft dan ook geen consequenties, de student dient zelf te concluderen dat hij kennelijk onvoldoende van het blok heeft opgestoken.

Bij de voortgangstoets (VGT) komt het er daarentegen wel op aan. Die toets wordt gebruikt voor de beoordeling. De voortgangstoets is een volledig Maastrichtse vinding en bestaat uit een paar honderd stellingen, waarop geantwoord moet worden met juist, onjuist of een vraagteken. Een vierdejaars student krijgt dezelfde toets als een eerstejaars. Deze laatste kruist een vraagteken aan bij vragen die hij nog niet kan beantwoorden.

Bij de beoordeling van de voortgangstoets worden de foute antwoorden van de goede afgetrokken, de vraagtekens tellen niet mee. Het gemiddelde van de groep maakt vervolgens uit of er een voldoende is behaald of niet.

Dit alles is de theorie, de praktijk wil wel eens afwijken. Slechts een faculteit gebruikt de bloktoets uitsluitend als evaluatie voor de student zelf. Dat is geneeskunde, waar het probleemgestuurde onderwijs van het begin af aan het zwaarst is bewaakt door onderwijskundigen. Bij de andere faculteiten telt de bloktoets wel mee in de beoordeling, vooral omdat het niet is gelukt een adequate voortgangstoets te ontwikkelen. Alleen bij gezondheidswetenschappen is sinds kort een werkbare toets.

Een derde belangrijke element in de Maastrichtse opleidingen is het vaardigheidsonderwijs, dat wordt beoordeeld door een vaardigheidstoets. In de juridische faculteit gaat het bijvoorbeeld om schrijfvaardigheid, te testen met opstellen. Er is ook een oefenrechtbank. Bij geneeskunde worden de studenten van meet af aan getraind in de omgang met patienten, medisch zowel als sociaal.