Erasmusprijswinnaar John Grahame Douglas Clark, archeoloog; 'Ik ben er altijd tegen geweest dat mensen een nieuwe taal uitvinden'

Grahame Clark, de grote Britse archeoloog, krijgt morgen de Erasmusprijs uit handen van Prins Bernhard.

John Grahame Douglas Clark (1907), emeritus hoogleraar archeologie en antropologie, Master van het Peter House College te Cambridge, auteur van een indrukwekkende reeks archeologische publikaties en 35 jaar lang redacteur van de Proceeding of the Prehistoric Society, is een van de grootste archeologen van onze eeuw. Door zijn toedoen veranderde de archeologie van een museumwetenschap, die slechts geinteresseerd was in het catalogiseren van opgegraven voorwerpen, in een wetenschappelijke poging om te achterhalen hoe de prehistorische mensen echt geleefd hebben.

Clark: 'Ik werd altijd al door de archeologie en door prehistorie geboeid. Door de dingen die ik vond, kwam ik als jongen bij de prehistorie terecht. Ik was toen echt nog een verzamelaar van voorwerpen je realiseert je dan nog niet dat de dingen die je vindt, documenten zijn van de wijze waarop mensen ooit hebben geleefd. Dat is iets dat later pas bij je opkomt. Ik werd opgeleid tot historicus en kwam aan het eind van de jaren twintig naar Cambridge. Maar omdat ik eigenlijk toch meer in grote lijnen was geinteresseerd, stapte ik na een tijdje over naar de faculteit voor archeologie en antropologie, die pas was opgericht. De combinatie van archeologie en antropologie was toen nieuw.'

'De dagen dat ikzelf opgravingen deed, liggen alweer ver achter me, maar ik ben begonnen met onderzoek naar het Mesolithicum (9000-4500 vC), de Middensteentijd. Het Stenen Tijdperk bestond toen nog uit twee delen, het Paleolithicum met zijn primitieve mens, jagen en vissen enzovoorts, en het Neolithicum, de boeren. Van mijn professor kreeg ik dat tussenliggende tijdvak als studie-opdracht. Afzettingslagen van de vroege postglaciale periode want daar moest ik het van hebben komen voor in Scandinavie, Duitsland, Nederland en ook in Engeland, in de Fenlands. Hier concentreerde ik me op de oude rivieroevers, localiseerde de Mesolithische lagen en kon op zoek gaan naar artefacten. Een vriend van mij, een palynoloog, introduceerde de Zweedse analyse-techniek van stuifmeel in Engeland en hij hielp mij bij mijn onderzoek. Met behulp van de pollendiagrammen verfijnden we de stratigrafie van het Fenlandse Mesolithicum. Maar wat voor mij het belangrijkste was: van elke fase konden we ook de veranderingen van de natuurlijke omgeving volgen. En dan ga je inzien dat de culturele artefacten die we vonden in werkelijkheid bewijzen zijn van aanpassing aan een veranderende omgeving. De mensen pasten zich aan door hun economie te wijzigen. Dit economische aspect van de prehistorie ben ik later op grotere schaal gaan onderzoeken (in Prehistoric Europe; the economic basis, 1952. ThH).

'Om in staat te zijn de natuurlijke omgeving zo compleet mogelijk te reconstrueren heb ik, als dat maar enigszins kon, natte sites gekozen. Daar blijft het meeste materiaal geconserveerd. Starr Carr in Yorkshire bijvoorbeeld is zo'n plaats. We vonden er sporen van Mesolithische mensen die aan de oevers van een meer woonden. Ze visten, maakten jacht op elanden, herten enzovoorts. We konden achterhalen in welke jaargetijden ze actief waren, hoe ze hun materialen gebruikten, hoe ze, om maar eens iets te noemen, splinters van geweien trokken en er speer- en pijlpunten van maakten. En we konden aantonen hoe ecologische en economische factoren met elkaar verweven waren. Starr Carr was vanuit dat gezichtspunt mijn belangrijkste opgraving.' (Wat resulteerde in Excavations at Starr Carr, 1954. ThH)

Uw benadering verschilde nogal van wat toen gebruikelijk was.

'Nogal ja. Je werd ook erg ongeduldig van het soort archeologie dat in die dagen werd onderwezen. Het bestond er voornamelijk uit studenten bij te brengen hoe ze voorwerpen in een volgorde moesten rangschikken en hoe ze verschillende culturen konden onderscheiden. Archeologie was hoofdzakelijk museum-gericht. Dat is begonnen bij de conservator van het museum van Kopenhagen, C. J. Thomsen. Vanaf 1830 hanteerde deze een onderscheid tussen het Stenen, het Bronzen en het IJzeren Tijdperk; waaronder natuurlijk de idee lag van successieve perioden. Vervolgens hebben generaties onderzoekers verzamelde artefacten op deze manier gesorteerd en in musea gestopt. Ze neigden ertoe het materiaal te aanbidden. Begrijpelijk, als je alleen met voorwerpen werkt, dan raak je er volledig door in beslag genomen. Ik zeg niet dat dat tijdverspilling was, maar mijn idee is dat materiaal alleen van belang is omdat het ons iets zegt over de wijze waarop we het soort mensen zijn geworden dat we zijn.'

De meeste prehistorici specialiseren zich op een bepaald terrein, maar u heeft zichzelf een dergelijke beperking nooit willen opleggen. Zelfs Europa was op een gegeven ogenblik te klein.

'Dat kwam door de antropologische kant van mijn opleiding. Ik raakte gefascineerd en dat ben ik nog steeds, door de idee van een wereld-prehistorie, van het gebruiken van archeologie op de wijze waarop een geoloog fossielen gebruikt om de geschiedenis van de wereld te reconstrueren of zoals een paleontoloog tanden en stukjes bot bestudeert om de veranderingen van levensvormen te volgen. Door op deze zelfde manier archeologische data te gebruiken moet een reconstructie mogelijk zijn van de ontwikkeling van culturen en van de differentiatie tussen culturen als ze zich aanpassen aan verschillende omgevingen. Om een lang verhaal kort te maken: wereld-prehistorie zal ons, denk ik, duidelijk kunnen maken hoe we van de andere primaten zijn gaan verschillen want primaten zijn we, zij het bijzondere die zich toevallig mensen noemen hoe we van hen zijn gaan differentieren omdat we ons op een bepaalde manier gedroegen.'

U bent de eerste geweest die andere wetenschappelijke disciplines bij archeologisch onderzoek betrok. Hoe werd op uw verzoek om hulp gereageerd?

'Het was eigenlijk veel meer een kwestie van samenwerking. Neem de biologen. Hun pollendiagrammen zijn voor ons archeologen buitengewoon waardevol. Maar door onze kijk daarop gingen zij zich realiseren dat als ze naar de diagrammen van monsters uit prehistorische afzettingslagen keken, ze niet uitsluitend het resultaat van natuurlijke processen zagen, maar ook de impact van menselijke samenlevingen. Dat mensen die met landbouw begonnen, bos kapten. Als je dat weet, kun je het verdwijnen van bossen niet zonder meer wijten aan een klimaatverandering. Biologen zagen dus heel goed in dat we moesten samenwerken wilden we aan beide kanten correcte onderzoeksresultaten boeken.'

In de loop van de tijd zijn uw ideeen en benadering archeologisch gemeengoed geworden. Dan is er in de jaren zestig ineens sprake van New Archaeology. Hoe keek u daar tegenaan?

'Ach ja (grinnikend) het was natuurlijk nieuw voor die poor fellows in de Verenigde Staten. De Amerikanen keken vanuit hun antropologische hoek naar de Europese collecties, zagen al die vuurstenen voorwerpen en de rest, prachtig gerangschikt en ze kregen een briljant idee: dit zijn allemaal onderdelen van menselijk gedrag enzovoorts, dit is iets nieuws. Ja, voor hen was het nieuw, maar voor de meesten van ons was het al twintig jaar oude koek. Ik geloof dat je niet genoeg kunt benadrukken dat als je materiaal vindt, je dit werkelijk moet interpreteren in termen van de mensen die daar en toen leefden. Maar de New Archaeologists gebruikten een speciaal taaltje. En ik ben er altijd tegen geweest dat mensen een nieuwe taal uitvinden. Ik vind dat het doel van schrijven het uitdrukken van ideeen is die door andere mensen kunnen worden opgenomen.

'Vandaag is archeologie een terrein waarbinnen jonge mensen zich tot experts op beperkte aspecten ontwikkelen en proberen nieuwe benaderingswijzen te ontdekken. Zo heb je dus een hele serie nieuwe archeologieen. Ik bedoel: een archeologie die leeft moet zich vernieuwen. Als ik tegenwoordig de vaktijdschriften open sla zie ik een hele hoop materiaal dat volslagen nieuw voor me is. En dat mag je ook verwachten van een wetenschap die vooruit streeft.'

New Archaeology schoot door naar een bijna natuurwetenschappelijke benadering van de geschiedenis. Als reactie daarop kwam de 'Contextual Archaeology' naar voren.

'Ja, nog zoiets (zuchtend). Kijk, als ik een speerpunt of wat dan ook vind in een veenlaag of in de restanten van een bepaald type bos, dan is dat de context. Elk artefact moet de een of andere functie hebben gehad in de samenleving van mensen die het maakten. Dat is de context waarin je het moet zien. Al onze archeologie van de laatste veertig, vijftig jaar is hopelijk contextuele archeologie geweest. Maar wij bezaten de genialiteit niet om er het woord 'contextueel' voor uit te vinden. We deden het automatisch.'

U heeft zich nooit publiekelijk in de discussie tussen New Archaeology en Contextual Archaeology gemengd. Waarom niet?

'Wel, zoals ik al zei: het was allemaal nu niet bepaald nieuw voor mij. Ik heb dat nooit de moeite waard gevonden.'

Archeologie, geschiedenis en prehistorie mogen zich tegenwoordig in een grote belangstelling verheugen. Waaraan zou dat liggen?

'Dat hangt, veronderstel ik, gedeeltelijk samen met de grote en nog groeiende belangstelling voor ons milieu. Daaraan is het besef gekoppeld dat ons milieu niet enkel en alleen onze natuurlijke omgeving is, maar ook onze geschiedenis omvat. Verder zijn de mensen steeds nieuwsgieriger geworden naar waar ze vandaan komen. We zijn er hier en nu niet zomaar. We zijn hier als gevolg van talloze generaties menselijk gezwoeg; van vallen, aanpassen en opstaan. Ik heb echt het gevoel dat dit tot het publieke bewustzijn begint door te dringen. En ik denk dat naarmate we materialistischer worden, ontwikkelder naar moderne maatstaven, we er ook steeds gebrander op raken te weten waar en hoe het allemaal begon.'