Eenden.

'Pays de canaux, de canards et de canailles', Voltaire had een allitererende regel nodig om ons met onze platte polders gelijk te maken. De gebroeders Edmond en Jules de Goncourt laten er in hun dagboek ook geen misverstand over bestaan: 'Een land om bij te huilen, zoals je kan huilen om de frisgeboende kamer van een oude vrijster.' En als Mary McCarthy in een van haar boeken een Nederlander laat opdraven, schrijft ze: 'Nederlander zijn was een komische speling van het noodlot, nog grotesker dan Zwitser zijn.'

Holland, Hollanders, al eeuwen zijn wij en ons drassige landje een gewild thema in de wereldliteratuur. Dan weer, zoals hierboven, is ons land het doelwit van spot, dan weer duikt het cliche op van noeste strijders tegen het immer wassende water en hier en daar hebben schrijvers, zelfs de Franse, ook wel eens een goed woordje voor ons over.

Soms krijgt ons land visite van mensen, die vinden dat wij niet met een paar regels of bladzijden dienen te worden afgescheept, maar zelfs met een heel boek. Om maar eens een paar recente voorbeelden te noemen: Derek Phillips met De Naakte Nederlander, Rentes de Carvalho met Waar die andere God woont en dan nu weer het zojuist verschenen The Undutchables (Nijgh en Van Ditmar) van Colin White en Laurie Boucke, een Engels-Amerikaans stel, dat tweeentwintig jaar tussen het 'klompenvolk' vertoefde en, zo wil de flaptekst, nog steeds niet over zijn verbazing heen is. Dit boekje moet het in de vertaling van lolbroek Justus van Oel vooral hebben van de humor. Het is een lachspiegel en een 'hardhandige cursus zelfkennis', belooft de uitgever ons.

Het boekje staat inderdaad vol rake observaties. Maar door de gewilde komische toon die het tweetal aanslaat, is het niet zozeer een levensspiegel voor ons, maar verraadt het ook iets van de afgezaagde Hollywoodmythes waarmee dit duo tweeentwintig jaar geleden van huis is gegaan. Maar er blijft in The Undutchables genoeg over om je zowel te bescheuren, te verwonderen als ook te schamen.

Via de The Undutchables kwam ik bij een boekje terecht dat al jaren ongelezen in mijn boekenkast stond: Wij leven in Holland... van Gerth Schreiner. Dit door Schreiners vrouw, Mies Blomsma, geillustreerde werkje hoort thuis in hetzelfde genre. Ik kocht het ooit op de door White en Boucke bespotte vrijmarkt op koninginnedag voor dezelfde prijs (een daalder) als het destijds in 1937 nieuw kostte.

De schrijver, journalist en persfotograaf Schreiner zou wellicht een totaal vergeten figuur zijn gebleven als hij niet kort na de inval van de Duitsers samen met zijn vrouw zelfmoord had gepleegd. Daardoor kreeg hij een plaats in de literaire zelfmoordstudie van Jeroen Brouwers, De Laatste Deur. Brouwers weet te melden dat Gerth Schreiner, op de hielen gezeten door het nazi-bewind, in 1933 de Duits-Nederlandse grens overkwam. In Duitsland was hij als kunstjournalist van het socialistische dagblad Volkszeitung een van de woordvoerders van de moderne, maar door de nazi's natuurlijk vervloekte 'ontaarde' kunst. Socialistische geestverwanten hielpen hem vluchten naar Nederland, waar hij in contact kwam met ondermeer Marsman en Anton van Duinkerken. Deze laatste letterkundige stimuleerde Schreiner tot het opschrijven van zijn Hollandse observaties.

Jeroen Brouwers hierover in De Laatste Deur: 'Zo ontstond Schreiners boekje Wij leven in Holland... , waarin hij op vriendelijke en keuvelende toon zijn waarnemingen over zijn ballingsoord Nederland heeft neergeschreven, het werd welwillend ingeleid door Anton van Duinkerken, en kreeg ook enige welwillende besprekingen. Menno ter Braak, die de 'emigrantenliteratuur' zeer kritisch van nabij volgde, heeft Schreiners boekje niet opgemerkt, het was dan ook niet zeer markant, al was het anderzijds toch wel zo markant dat het door een Duitser van origine in smetteloos Nederlands was geschreven en als zodanig een unicum in die 'emigrantenliteratuur' zou gaan vertegenwoordigen.'

De keuvelende toon voor lief nemend, leek het me een mooi idee Schreiners notities eens naast de ervaringen van Colin White en Laurie Boucke te leggen. Meer dan een halve eeuw liggen er tussen Wij leven in Holland en The Undutchables. Zouden wij, met deze scherpzinnige buitenlanders als getuigen, binnen zo'n tijdspanne niet ook een tikkeltje veranderd zijn? Vergeet het maar, de overeenkomsten zijn frappant. Jeroen Brouwers mag dan wel 'het smetteloos Nederlands' roemen in Wij leven in Holland... , het moet Schreiner veel moeite hebben gekost ertussen te komen.

Hij schrijft: 'In Holland te leven wordt den vreemdeling door de Hollanders op vele manieren moeilijk gemaakt. (...) Nemen zij den vreemdeling ongaarne en pas na een langen proeftijd in hun huislijken kring op, buiten hun huisgemeenschap houden zij zich hem door hun talenkennis van het lijf.' En verderop in het boekje: 'Probeert u maar eens als vreemdeling (...) van een tramconducteur een overstapje te vragen in moeizaam geleerd Nederlandsch en in de meeste gevallen zult u antwoord krijgen in uw moedertaal.'

Vijftig jaar later staat deze onhebbelijkheid in The Undutchables nog steeds te boek als de Hollandse Taalwet: 'Hoe beter u Nederlands leert, des te meer Hollanders zullen weigeren Nederlands met u te spreken, des te vaker zullen ze klagen dat u nooit Nederlands geleerd hebt.'

Ernaar smachtend om opgenomen te worden in onze huiselijke sfeer, doen onze buitengesloten gasten tijdens hun proeftijd dezelfde wonderbaarlijke impressies op. Schreiner in zijn boekje: 'Wandelt u door een woonbuurt van de een of andere Hollandse stad, dan kunt u zien dat de huizen niet slechts van buiten, maar ook van binnen op elkaar lijken. Want de menschen, die zich op alle mogelijke manieren in hun wooning zoo streng van de buitenwereld afzonderen, hebben de gewoonte de gordijnen niet dicht te trekken. U kunt, zooals gezegd, zelfs in de avonduren dwars door de meeste woningen heenkijken. (...) De spotters hebben mij gezegd, dat voor deze merkwaardige tentoonstelling der woning en van de samenleving zakelijke redenen bestaan: iedereen zou zich er namelijk op deze manier van kunnen overtuigen, dat hij met een fatsoenlijke familie te maken heeft, die volgens de regels van het land is ingericht en die men dus crediet kan geven.'

Zulke spotters zijn ook White en Boucke in hun Undutchables: 'Het is de gewoonte om de gordijnen van de voorkamer dag en nacht open te laten, zodat eenieder naar binnen kan blikken en de bezittingen bewonderen. Zelfs de armste Hollanders weten aan genoeg geld te komen om van hun voorkamer een toonzaal te maken.'

Heeft hij zijn vreemde voet eenmaal tussen onze gepantserde deur gezet dan wordt de buitenlandse gast geconfronteerd met het toppunt van Hollandse eigenaardigheid. Uit the Undutchables: 'Vraag een Hollander naar zijn huis en hij zal je vertellen dat het daar gezellig is, een woord waarvoor volgens de Hollanders geen Engelse tegenhanger bestaat. Het woordenboek noemt cosy.'

Gerth Schreiner deed ruim vijftig jaar eerder ook al die indruk op. Wat hem opviel was dat de uitdrukking wij leven huiselijk op onze lippen (...) Thuis vindt hij het toch het prettigst. Geen restaurant, geen cafe, geen voetbal- of tennisveld, niet eens een bioscoop kan opwegen tegen de uren die hij thuis, in een leuningstoel, bij een kopje thee of koffie, in de familiekring doorbrengt.'

Achter ons nuchtere porem vermoedt Schreiner een zenuwachtig trekje: 'Men leeft achter het masker en getroost zich de moeite er achter te leven. Men is daardoor voortdurend gespannen en zoo gauw overspannen.' White en Boucke menen dan ook dat wij het grootste kankervolk ter wereld zijn: 'Klaag tegen iedereen die wil luisteren. Mopperen en zeuren horen bij de Hollandse levensstijl', is hun advies.

Kankeren in groepsverband is volgens The Undutchables zelfs een nationale hartstocht: 'De Hollanders mogen zich graag inzetten voor de goede zaak. Ze tonen hun gedrevenheid met demonstraties, rellen, debatten en met de onvermijdelijke geldinzamelingen. De gemeenschappelijke noemer van dit alles: protest.'

Wie denkt dat ons brave volkje pas in de roerige jaren zestig op hol geslagen is, vergist zich en leest bij Schreiner: 'Nergens zijn op zoo'n klein gebied zooveel organisaties, die door hervormingen der zeden (...) de wereld en de mensen willen veranderen. Zulke religieuze en levenshervormende sekten kunnen plotseling om zich heen grijpen, omdat de Hollander, speciaal wanneer hij meent een missie te hebben, stijfhoofdig langs den kortsten weg zijn doel tracht te bereiken.'