Cultuurlijke selectie

Civis mundi, kwartaaluitgave van de gelijknamige stichting ter bevordering van wetenschappelijk verantwoorde bezinning op grondslagen, inrichting en functioneren van onze samenleving. Redactie prof.dr. S. W. Couwenberg, Rotterdam. Jaarabonnement fl. 41,- (instellingen: f. 54,50). Tel.010-4182580

Mijn oma was de jongste van drie zusters, drie krasse oude dametjes met zilverwitte krullen, tot op hoge leeftijd vitaal. Toen zij tegen de tachtig liep en van de oude familieboerderij naar een klein huisje op het erf verhuisde, kwam er een broos, vergeeld trouwboekje voor de dag, dat van haar eigen ouders was geweest. Ik weet nog goed hoe verbaasd ik daarmee in m'n handen zat. Behalve de twee tantes die ik altijd had gekend, stond hier een lange reeks broertjes en zusjes ingeschreven, vaak met dezelfde namen, allen in hun baby- of kinderjaren gestorven.

Die barre tijden zijn voorbij, althans in de westerse wereld.

Toch heeft die ontwikkeling, dat niet langer alleen de allersterkste kinderen uit een groot gezin het halen, een schaduwzijde. Nu er ook voor de zwakkeren een plaatsje onder de zon is, gaat het menselijk genenbestand gestaag achteruit. Mogen we, nee, moeten we daar misschien iets tegenover stellen?

De verkrotting van het menselijk genenbestand, zo schrijft de Rotterdamse hoogleraar S. W. Couwenberg in de inleiding van een themanummer over genetische manipulatie, is een groot probleem dat we niet kunnen negeren in discussies over embryo-selectie en vroeg-diagnostiek van erfelijke afwijkingen in de zwangerschap.

In onze genen treden voortdurend mutaties op, door diverse oorzaken, zoals kosmische en andere straling en chemische 'ongelukjes'. Bij planten en dieren heeft de natuur van de nood een deugd gemaakt. Stel dat 99 mutaties tot minkukels leiden, terwijl er maar eentje gunstig uitpakt, dan nog zal die ene mutant de drager ervan zoveel selectief voordeel geven, dat zijn nakomelingen de overhand krijgen, terwijl de 99 andere in de strijd om het bestaan vanzelf worden uitgeselekteerd. Voor de moderne mens gaat dat niet langer op.

Evolutie, schrijft Couwenberg, betekent een opstijgen van lagere naar steeds hogere, meer bewuste en vitale levensvormen. In die zin is evolutie identiek met vooruitgang. Door het verschijnen van de mens, met zijn handelingsvrijheid, krijgt de evolutie een morele dimensie. Met de menselijke vrijheid en het wetenschappelijk en technologisch potentieel dat ontwikkeld wordt ten dienste van die vrijheid, groeit de menselijke verantwoordelijkheid voor de evolutie maar ook de capaciteit in oorspronkelijk blinde processen in te grijpen en zelf richting te geven aan de evolutie.

Tot de nieuwe vormen van zelfbepaling, die voorheen ondenkbaar en ook ontoelaatbaar waren, behoren seks zonder voortplanting en voortplanting zonder seks. Een voorzichtige erkenning van het recht op een milde dood (euthanasie), en de toepassing van prenatale diagnostiek om de geboorte van een kind met ernstige erfelijke of lichamelijke afwijkingen te voorkomen. Die laatste technieken stuiten tot nog toe op veel argwaan en weerstand, maar kunnen ook veel fundamentele menselijke ellende helpen voorkomen en daarover gaat dit themanummer.

Het is geen gemakkelijke kost, je moet er serieus voor gaan zitten, maar dan is het buitengewoon de moeite waard. Tussen Kant en Adorno vinden we hier een heel scala van actuele onderwerpen. Zoals de gevolgen van het lezen van uw 'genenpaspoort' in het verlengde van de psychologische keuring en de medische test bij het sollicitatiegesprek. En de vraag of een spermadonor omgangsrecht moet krijgen met het kind dat door zijn zaad is verwekt. En met welke morele rechtvaardiging zou je een ongeboren kind van 17 weken oud in geval van een ernstige afwijking wel en bij 22 weken niet aborteren, terwijl datzelfde kind, eenmaal geboren, met alle medische inspanningen in leven wordt gehouden? Ook over de vraag of het uitselecteren van kinderen met een handicap leidt tot verharding van de maatschappelijke houding tegenover gehandicapten valt veel behartenswaardigs te zeggen.

Terwijl de mens als medeschepper naast God wikt en weegt, zit de commercie hem op de hielen. Helemaal los van de recombinant-DNA problematiek is de eugenetica via de markt in opkomst. Inmiddels kun je als vrouw in de Verenigde Staten via een postorderbedrijf een buisje diepgevroren sperma laten thuisbezorgen, compleet met certificaat dat garandeert dat de anonieme donors gezonde, intelligente, sportieve mannen waren, die bovendien van kinderen hielden.

In Europa worden deze bedrijven tot nog toe geweerd. Het lijkt een kwestie van tijd tot de eerste verzendbedrijven met diepgevroren, gekloonde, goedgekeurde embryo's komen, waarvan de juiste combinatie van vaderlijke en moederlijke eigenschappen helemaal vastligt en de eerste idenktieke exemplaren wellicht 20 jaar al eerder zijn ontdooid en inmiddels volwassen, mentaal en fysiek goedgekeurd.

Volgens de Leidse emeritus-hoogleraar P. van Duijn is het niet ondenkbaar dat deze methode van embryoadoptatie, die bij de rundveestapel al gemeengoed is, bij de mens op den duur sluipend wordt ingevoerd. Het is technisch niet moeilijk en maatschappelijk anoniem. Vaak maken zulke nieuwe technieken, die zich aanvankelijk ook altijd van hun mooiste kant laten zien, het eerst hun entree in de sociale bovenlagen en daarna doet sociale imitatiedrang de rest. Want als er een gebied is waarop iedereen het allerbeste wil, dan is het wel de gezondheid en geestelijke kwaliteiten van het nageslacht.

Maar tegenover deze drang 'to buy the best there is' ligt volgens van Duijn het verlangen om zichzelf herkenbaar te zien voortleven in het nageslacht minstens even diep in de menselijke ziel verankerd. Flaporen, bijvoorbeeld. Toch wel schattig.