Andromache: geen psychologische haarspeldbochten

Voorstelling: Andromache, van Jean Racine, door Toneelgroep Amsterdam. Regie: Gerardjan Rijnders; vertaling: Laurens Spoor; decor: Jan Klatter. Spel: Fred Goessens, Mark Rietman, Chris Nietvelt, Catherine ten Bruggencate e.a. Gezien: 17/11 Schouwburg, Rotterdam. Tournee t/m 28/2.

Pas tijdens Orestes' waanzinscene de laatste van Jean Racine's tragedie Andromache (1667) wordt het toneel op volle sterkte aangelicht. Juist als voor de ongelukkige Orestes het 'eeuwigdurend duister' aanvangt, krijgt het publiek eindelijk zicht op de zaal in Pyrrhus' paleis, waar bijna drie uur lang koninklijke hartstochten om de overwinning gestreden hebben. Tot dan toe zijn de ontelbare zuilen van het fraaie, klassicistische bouwsel van decorontwerper Jan Klatter overwegend in een paarsig clair-obscur gehuld geweest. Het was logischer geweest als de belichting een omgekeerde ontwikkeling had doorgemaakt.

Als het de hoogste vorm van kunst is de kunst te maskeren, dan moet Gerardjan Rijnders' enscenering van Andromache als een mislukking worden beschouwd. Alles is gekunsteld; in het clair-obscur worden de voornaamste personages bij voorbeeld consequent door een volgspot gevangen. Letterlijk, want eenmaal op hun plaats, bevriezen zij in een bepaalde houding, de cirkel van licht aan hun voeten. Dan oreren zij, de armen in een ongemakkelijke positie geheven: gedurende de hele tweede scene van het eerste bedrijf houdt Pyrrhus (Mark Rietman), roerloos met het gezicht naar de zaal gekeerd, zijn armen op schouderhoogte zijwaarts gestrekt. Hij houdt dat misschien vol, omdat hij weet dat hij niet de enige is en de anderen tot soortgelijke houdingen veroordeeld zijn.

De statische mise-en-scene wijst op de wil slechts de essentie vorm te geven. In de bewegingloosheid lijkt de voorstelling op opera, waarin de duur van handeling en emotie noodzakelijkerwijs door de muziek bepaald wordt. Dat is de gedoodverfde zwakke plek van opera, omdat het de handeling op toneel artificieler maakt in plaats van realistischer. Rijnders haalt dit paard van Troje willens en wetens binnen, waarschijnlijk om het drama zich in de tekst te laten afspelen. Zo pakt het inderdaad uit, de voorstelling is een reeks tableaux parlants geworden. Maar een ander effect is, dat de schaarse bewegingen die er wel zijn, des te meer opvallen.

Als Orestes zijn aanbeden Hermione (die haar handpalmen almaar krampachtig naar buiten gekeerd houdt) voor het eerst ontmoet, bevinden zij zich achter in het decor, een plek waar niemand anders gedurende de hele voorstelling een voet zal zetten. Langzaam naderen zij het proscenium, als om de inhoud van hun dialoog te benadrukken. Maar zo belangwekkend zijn hun woorden op dat moment nog niet, althans niet belangwekkender dan later als de hartstochten hun tol gaan eisen. Plotseling kiest Rijnders hier voor beweging.

Geleidelijk aan wordt vanaf dat moment de mise-en-scene iets minder statisch, als een visueel bewijs van dramatische verwikkelingen. Een ander bewijs is bij Racine ook nauwelijks mogelijk: de actie voltrekt zich elders, of beter nog, in de dialoog. Pyrrhus wil Andromache en dreigt bij afwijzing haar zoon aan de vijand uit te leveren. Orestes wil Hermione, maar Hermione wil Pyrrhus. Ziedaar de onverenigbare verlangens, die een uitweg zoeken in de moord op Pyrrhus en de zelfmoord van Hermione.

Van alle personages is de titelheldin (Chris Nietvelt, voorzien van een kale, gouden kop) de begrijpelijkste. Haar cause is logisch, zij wil die engerd van een Pyrrhus niet. Dat zij uiteindelijk toch met hem trouwt om haar zoon te redden is een staaltje van pragmatische politiek, waar de door Irak gechanteerde wereld nog iets van leren kan. De anderen strijden tot in de dood of de waanzin om een verloren zaak: zij willen bemind worden. Dat heeft op zichzelf al iets potsierlijks dat nog versterkt wordt door het mathematische stramien van Racines stuk. Het laat de spelers geen ruimte om psychologische haarspeldbochten te nemen. Als Hermione Orestes na de door haar geinspireerde moord op Pyrrhus verwijt 'de adem van zo'n prachtig leven' te hebben afgesneden, lacht de zaal. Catherine ten Bruggencates serieuze pathetiek vermag hier niets en Rijnders schiet haar ook al niet te hulp.

Misschien leent dit tragische hoogtepunt (o, paradox) zich ook wel voor humor en mogen we ons vermaken bij Racine. Maar doen we dat ook, langer dan dat ene moment? Ik geloof het niet. Rijnders' enscenering blijft voornamelijk een weliswaar intelligent maar papieren idee, het resultaat oogt fraai, maar is te bloedeloos om meeslepend te worden. Antieke hartstocht laat zich kennelijk niet bedwingen door hedendaagse gimmick.