Zin en onzin over burgerzin

Oef, dat kwam aan! De tolerantiegrens voor fraudeurs is tot nul gedaald, de grijze sector zal worden uitgerookt, zo hoorde men zeggen. Inderdaad van het 'incasseringsvermogen' van de Nederlandse burgers zal de komende tijd veel worden gevergd. Maar wel in een andere zin dan waarover de vice-premier in dat rare schemerige zaaltje in Scheveningen sprak. Want de opdringerigheid die de regering aan de dag legt bij haar vermaan tot burgerzin is niet gering.

Sinds de burger als kiezer is gaan zweven mag hij zich in een toenemende belangstelling verheugen. Werd hij vroeger eens in de vier jaar geraadpleegd, nu vliegen hem haast dagelijks de politici naar de keel. Indachtig de techniek van ondervraging wordt met gespleten tong gesproken. Om en om wordt het register van de verleiding en van de dwang bespeeld. De regeerders maken zich klein en groot tegelijk. Zo worden de burgers uitgenodigd tot verantwoordelijkheid voor hun naaste omgeving in buurt, gezin en werk. Een moreel beroep wordt gedaan opdat meer zelfbeheersing aan de dag wordt gelegd en meer sociale controle wordt uitgeoefend. Maar alsof men wel voelt dat de burgers vriendelijk luisteren, hun schouders ophalen en huns weegs gaan, wordt ook hardere taal gesproken. Zeker, er zijn rechten, maar ook veel plichten. Misbruik van sociale voorzieningen wordt niet getolereerd, ten overstaan van drugsgebruikers zal 'de lof der dwang' worden gezongen en so wie so is het nu wel mooi geweest. Omdat het morele gezag aan de politiek is ontvallen blijft het naakte gezag over.

Hoe gezond is deze kruistocht tegen het zieke Nederland eigenlijk? En vooral welke motieven zijn hier in het geding? Allereerst lijkt me dat we te maken hebben met een achterhoedegevecht tegen het slinkende belang van de politiek. Niet tevreden met een beperkte rol in de samenleving dringen de politici zich lichtelijk gefrustreerd aan de burgers op. Ze staan maatschappelijk niet echt hoog aangeschreven en zinnen op eerherstel. En wie niet wil luisteren de meesten dus moet maar voelen.

Waarom wordt er zo slecht geluisterd? Met het vorderen van de ontzuiling is het pantser van de burger dikker geworden. De samenhang van moraal en politiek in de gedisciplineerde zuil is verbroken. De ontzuilde burger ontleent weinig tot geen zingeving aan de politiek. Sterker nog, menigeen ziet in de ambitieloze middelmaat van het politieke bedrijf een waarborg van de persoonlijke vrijheid. En daar sluit de cirkel van de ontzuiling zich: in het beroep op burgerzin dat men nu doet, schuilt het probleem zelf. De politieke partijen hebben geen morele autoriteit meer, maar vechten dat functieverlies krampachtig aan. Het resultaat is voorspelbaar: meer dwang en nog minder instemming. Hoe pregnanter het beroep dat wordt gedaan, hoe groter de hang naar autonomie. De doorsnee burger wil met rust worden gelaten en als het even kan een fraude-bestendig paspoort.

In de Partij van de Arbeid speelt ook het slechte geweten een rol bij de schrille toon die nu wordt aangeslagen. De electoraal gemotiveerde lankmoedigheid jegens frauderende werklozen wordt nu overschreeuwd met jaren vijftig-taal over plichten. De Drees-incarnatie van de partijleider is zo levensecht dat zelfs de liberalen van slag zijn geraakt en het CDA nu de grootste tegenstander zien. Dat is een prachtig resultaat.

Maar helaas de jaren negentig zijn de jaren vijftig niet. In de periode van de wederopbouw kon men spreken over de noodzaak om het incasseringsvermogen van de burgers op de proef te stellen. Nu kijkt iedereen verwonderd naar zijn kleurenscherm, haalt een kroket uit de magnetron, buigt uit het raam en ziet niets bijzonders. De inflatoire spiraal van steeds grotere woorden voor steeds kleinere problemen heeft natuurlijk een averechts effect. Als er werkelijk iets ernstigs aan de hand zou zijn, dan zijn er geen woorden meer over om de ingezetenen van onze tevreden natie wakker te schudden. De gewichtige politicus bijt in zijn eigen staart. Zou het niet beter zijn als parlement en regering erkenning oogstten door bescheiden oplossingen te bedenken voor enkele nijpende problemen van deze tijd?

Het probleem met dat slechte geweten is dat al gauw matiging uit het oog wordt verloren. De protestantse Partij van de Arbeid begrijpt toch al niet zo goed dat het leven en de leer slechts in betrekkelijke zin iets met elkaar te maken hebben. Gelukkig wordt Nederland mede geregeerd door katholieken, die doorgaans een meer ontspannen moraal-begrip huldigen.

Sinds de jaren zeventig worstelen de hoofdstromen van de Nederlandse politiek met het verschijnsel van de ontzuilde burger. De liberalen waren het eerst met hun antwoord en gaven een juridische interpretatie: versterking van de rechtsstaat was het antwoord op de normvervaging. Het CDA zag in de ontzuilde burger vooral een morele uitdaging. Het consumentisme, de egocentrische levenshouding en het individualisme vormden het probleem. Revitalisering van het maatschappelijk middenveld en het daar veronderstelde normbesef was de remedie. De sociaal-democraten tenslotte gaven een politieke duiding van het probleem van de ontzuiling. De participatie van de burgers moest worden vergroot. Allerhande vormen van inspraak zouden de binding met de overheid weer herstellen. En verder werd decentralisatie, het bestuur dichter bij de burger, een leidraad.

Aan deze antwoorden herkent men gemakkelijk de traditionele achtergrond van de drie politieke stromingen en daaraan ook de maatschappelijke sferen recht, moraal en politiek waarin deze partijen zich het meest thuis voelen. Het waren drie verzuilde interpretaties van de ontzuiling. Nu is dat anders: het verval van traditionele wereldbeelden is tot volle wasdom gekomen, wat tot een grote mate van overeenstemming heeft geleid. De registers van de dwang, de verleiding en de participatie worden nu door alle partijen gelijkelijk opengetrokken, maar of ze daarmee succesvoller zullen zijn dan in de twintig achter ons liggende jaren mag worden betwijfeld.

Burgerzin kan bij uitstek niet door politieke partijen worden opgewekt, laat staan afgedwongen. Werkelijke burgerzin is een vorm van 'anti-politiek', een zelfbescherming van het individu en de samenleving tegen te veel staatsinvloed. Net zoals de opstand tegen het paternalisme een zelfstandig cultureel proces was, zo zal ook een eventuele reactie op een te ver doorgeschoten individualisme een ontwikkeling zijn die zich in de samenleving voordoet of niet. Slechts zelfbeperking en zelforganisatie kunnen voor het nieuwe evenwicht zorgen, dat Wim Drees en Ruud Romme zo dierbaar is. Daarom is er reden voor een gematigd pessimisme: de verschijnselen van ontworteling lijken de overhand te hebben boven nieuwe vormen van gemeenschapsbesef. De doorsneeburger trekt het gordijn dicht en schudt het donsdek op.

Wat overblijft is dat regels in de sociale zekerheid of het strafrecht er zijn om te worden gehandhaafd. Dat is een open deur. Daarbij gaat het niet zozeer om ontbrekende burgerzin, maar om het slecht functioneren van de rechterlijke macht of van de sociale diensten. De onvrede daarover is hoog opgelopen. Kortom, achter het dwingende beroep op de burger wordt zichtbaar dat de burger de overheid ter verantwoording roept. En zo hoort het ook in een democratie.