Voor de zanglijster Perlman bestaan geen technische problemen

Concert: Itzhak Perlman (viool); Bruno Canino (piano). In de serie 'Recitals door Grote Solisten'. Programma: Tartini, Sonate in g, 'De Duivelstriller'; Bartok, Sonate no. 1 voor viool en piano; Schubert, Fantasie in C. Gehoord: 18/11, Grote Zaal, Concertgebouw, Amsterdam.

Op de vraag hoe iemand violist wordt, schijnt David Oistrach eens te hebben geantwoord: 'Violist word je zoals je hond wordt.' Met andere woorden: je bent het of je bent het niet, en als je het bent dan werd je als violist geboren. Daar bovenaan de top schijnt het in wezen benijdenswaardig eenvoudig te zijn.

Ook Itzhak Perlman behoort tot deze uitverkoren diersoort, een viooldier dat een volstrekt natuurlijke eenheid vormt met zijn instrument. Met een minimum aan beweging ontstaat bij hem een maximum aan klank, en zijn toon is altijd mild en zingend. Technische problemen lijken er voor Perlman net zo min te bestaan als voor een zanglijster, en zijn wat slordige intonatie stoorde niet wezenlijk. Want een zangvogel valt men nu eenmaal niet lastig met een stemvork. Toch stelt zijn ongecompliceerde spel ons voor een probleem: in hoeverre is bij hem de klankschoonheid bepalend voor de expressie.

Klank en expressie vielen samen in zijn vertolking van Tartini's Duivelstriller-sonate en zijn keuze voor de bewerking van Fritz Kreisler, compleet met virtuoze cadens in het laatse deel, plaatste zijn opvatting in de romantische traditie.

Minder bevredigend was zijn spel in Bartoks Eerste Sonate, een exuberant en indringend werk, waarin zowel Perlman als zijn fameuze begeleider Bruno Canino te veel aan de oppervlakte bleven. Het leek of beide musici zich lieten leiden door de klank van hun instrument en hierdoor werd elk muzikaal avontuur al bij voorbaat ingedamd.

Men zou verwachten dat bij Schuberts Fantasie in C. alles weer in het reine zou zijn gekomen. Er werd gespeeld met natuurlijke adem en een feilloos gevoel voor timing. Een zingende klank is ook precies waar Schubert om vraagt. Maar Schubert vraagt nog meer: een verfijnde en contrastrijke dynamiek met plotselinge overgangen van forte naar pianissimo, maar ook verschillen tussen piano en pianissimo. Perlman en Canino hielden zich slechts globaal aan Schuberts voorschriften en hierdoor ontnamen zij aan zijn muziek de derde dimensie.