Van Gogh-opera intens en scherp

Ensemble o.l.v. Reinbert de Leeuw, met: David Pittman-Jennings (Vincent), Guy de Mey (Theo), Stella Kleindienst (Jo) en Wout Oosterkamp (dokter Peyron). Gezien 16/11 Stadsschouwburg Amsterdam. Herhalingen: 18, 19, 23 en 25/11 Amsterdam en 7, 9, 11 en 13/12 Vlaamse Opera Antwerpen.

De laatste jaren van het tragische leven van Vincent van Gogh lijken het onderwerp van de nieuwe opera van Jan van Vlijmen, waarvan de premiere vrijdagavond in de Amsterdamse Schadsschouwburg enthousiast werd ontvangen door een typisch kennerspubliek van veel musici en componisten. Het werk van de schilder staat in ieder geval niet centraal, al heeft de regisseur Axel Manthey in een kleurrijke parade van beelden het accent wel degelijk willen plaatsen op Van Goghs kunstenaarsschap.

Sterk is het slotbeeld in de negende, laatste scene waarin de beroemde rieten stoel van Van Gogh de gehele buhne vult; de kantelende opstelling symboliseert de dood. Maar Van Vlijmen en zijn librettist Johan Thielemans kozen niet alleen voor de dood van Vincent, maar ook voor die van zijn broer Theo, want het werkelijke onderwerp van Un Malheureux vetu de noir is de onontknoopbare, psychisch uiterst complexe relatie tussen beide broers.

Vincent citeert een gedicht van Alfred de Musset: 'Partout ou j'ai touche la terre / Un malheureux vetu de noir / Aupres de nous venait s'asseoir / Qui nous regardait comme un frere.' Samen met Gauguin bezocht hij het museum van Montpellier waar hij in een schilderij van Delacroix (Portrait de Bruyas) een frappante gelijkenis zag met zowel zichzelf als met zijn broer Theo.

In de opera zingt Theo in de epiloog fragmenten van eerdere teksten van Vincent. De waanzinnig geworden Theo meent dat hij Vincent is geworden en wil schilderen, zoals Vincent aan Theo schrijft: 'Jij moet gaan schilderen, dan ga ik in de kunsthandel'.

De Verwandlung vindt plaats op het moment waarop Theo theatraal zijn mantel laat zakken. In de muziek komt dan het melodische gegeven terug, dat eerder was te horen bij de sleutelzin Un Malheureux vetu de noir in de tweede scene uit het tweede bedrijf. De regisseur laat elke scene vergezellen van een tekstbord met de historische datum, ontleend aan brieven en dagboeken. Slechts de epiloog waarin Theo vastgebonden zit in een kliniek biedt een geheel vrije interpretatie van de feiten. De meest ontroerende scene is ongetwijfeld de achtste, wanneer Vincent sterft met Theo aan zijn zijde: 'O Theo, et la tristesse durera ... toujours'.

De opera komt wat moeizaam op gang, de muziek klinkt te dicht en overspannen, te veel Schonberg (Erwartung) en Berg (Wozzeck), een krampachtige expressiviteit in een overdaad aan hallucinerende klanklagen. Als er al eens een solo-instrument wordt ingezet volgen veel te snel blazersakkoorden die de dramatiek overaccentueren. Maar de lang aangehouden, glazige, grotendeels uit kwarten samengestelde akkoorden, die als een vochtige jas over de opera zijn heengespannen, werken suggestief. Nog sterker vind ik zo'n enkele doorpriemende trompettoon. IJskoude flageolettonen klinken ook wanneer Jo, Vincents schoonzus, Theo wijst op de angst van zijn broer: 'Er is niets dan leegte, een afgrond, hij wil je meesleuren maar dat zal niet gebeuren'. Dit is muziekdrama van het zuiverste soort en vanaf de volgende, zevende scene heeft Van Vlijmen de opera opeens in een vaste greep gekregen. Ook de beelden werken mee, ze zijn soberder en leiden niet meer af, afgezien van een enkele burleske verschijning van de protagonisten met sterk vergrote, opgeplakte koppen, die disharmonieert met de volstrekt ernstig te nemen muziek.

Het Schonberg Ensemble musiceerde precies en met grote inzet slechts 22 instrumenten klinken hoewel je toch vaak het gevoel hebt naar een sterk bezet symfonie-orkest te luisteren en de vier solisten leverden schitterende prestaties. De erepalm ging naar de Amerikaanse bariton David Pittman-Jennings, die nog maar enkele jaren vertrouwd is met het Duitse repertoire van Wagner-Strauss-Berg waarbij Van Vlijmen naadloos aansluit. Hij droeg de gehele opera: intens en met scherpe profileringen alsof hij de rol al jaren zong.

Ook als geheel maakt de voorstelling een uiterst verzorgde indruk, bijvoorbeeld in het korte maar indringende aandeel van het mannenkoor (de patienten van dokter Peyron in de eerste scene van het tweede bedrijf) in heel hoge liggingen, zo typerend voor Van Vlijmens muzikaal expressionisme.