Valse tonen op bluesfestival

Festival: Blues Estafette 1990 met Jesse Thomas, James Carr en his Memphis Soul Band, George Porter en Running Pardners, Artie White, de Phillip Walker Band en vele anderen. Gehoord: 17/11 Vredenburg, Utrecht.

Tegen de blues bestaat, net als tegen een kater, maar een remedie: meer van hetzelfde. Het is in die wetenschap dat Vredenburg de verslaafden al elf jaar lang a long drink of the blues gunt. De hiervoor gekozen titel 'Estafette' is passend, gezien het feit dat de optredens elkaar in hoog tempo opvolgen, zowel in de Grote als in de Kleine Zaal. Is er aan de aanbodzijde dus sprake van een komen en gaan, aan de vraagzijde, bij het publiek dus, zoekt men de verversing vooral in iets anders. Want weglopen doet een bluesliefhebber niet; hij moet en zal de 'lijdenskelk' telkens weer vullen en tot de bodem ledigen, want zo hoort het, all night long. De gevolgen van deze zelfkwelling zijn 's avonds omstreeks negen, het programma is dan op de helft, al aardig zichtbaar. De schoonmaakdienst beleeft tropenuren, het bier gaat in handige draagkartons vooral in veelvouden van zes over de toonbank, de bordjes 'Verboden te roken' raken door een grijze walm van zware shag bijna aan het oog onttrokken.

De in een scherp gesneden glanskostuum gestoken, broodmagere soulzanger James Carr denkt graag terug aan de jaren zestig, toen hij nog wel eens een hitje had. Zijn aan wijlen Otis Redding herinnerende bariton doet het nog goed tot hij, wellicht ontroerd door alle bijval, spontaan vals begint te zingen. De drie blazers van zijn Memphis Soul Band doen er in Freedom Train alles aan om de zaak te redden.

Ook in de Kleine Zaal zijn er problemen van tonale aard. Pianist Earl Gilliam probeert zijn zeer vals spelende gitarist te overstemmen met een onvervalst Johnny Jordaan-vibrato: 'When I wo-ho-hoke up this mo-ho-horning'. Funkbassist George Porter, bekend van The Meters van twintig jaar geleden, geeft zijn pardners alle ruimte, met name saxofonist Alonzo Bowens. Niet tot genoegen van iedereen, en zeker niet van de man die op het toilet zijn gal spuwt. 'Free jazz, bah', zegt hij tandenknarsend. 'Na elf jaar Blues Estafette eindelijk een revolutie', ginnegappen insiders als Porter begint aan Fever, ooit tot hit gezongen door de asblonde Peggy Lee. De vraag of een zwarte man wel blonde muziek mag maken, lijkt in Vredenburg nogal achterhaald. Het publiek is opvallend dubbelblank, de mannen dragen een snor en/of baard en niet zelden ringetjes in het oor; de vrouwen zijn tof en dragen de strakke broek bij voorkeur in een paar laarzen met hoge hakken.

Is het dank zij zijn 'zware lading' dat de zwartste musicus van het festival, Artie 'blues boy' White, bij hen zo in de smaak valt? Of komt het door zijn glimmend witte pak, met van boven een adembenemend decollete en van onderen gecompleteerd door een paar helblauwe laarsjes met hoge hakken? Hoe dan ook, door dit alles valt het niet op dat zijn band brandhout is en White zelf een slechte kopie van Joe Turner.

Minder opvallend, maar niet minder treurig is het optreden van Jesse Thomas, geboren omstreeks 1910 en begeleid door een ritmebox uit ongeveer diezelfde tijd. Veel krakkemikkige bluesjes in F en Bes maar ook Sunnyside of the Street en Perdido. De uitstekende gitarist Phillip Walker speelt niet met een ritmebox maar had dat misschien maar beter wel kunnen doen, want zijn begeleiders puffen als een oude locomotief. Halverwege zijn optreden stuurt hij ze gelukkig even weg, zodat hij samen met pianist Teddy Reynolds alsnog een spannende 'Telefoonblues' weet af te leveren. Hello Central, kunt u nog eens vertellen over die lang vervlogen tijden toen de blues nog iets anders was dan het zo luid en liefdeloos mogelijk afraffelen van een aantal cliches. Over het liefdesspel van pianist Jimmy Yancey en de dagen dat 'Howlin' Wulf' nog jankend voor de deur stond?

Good Morning, headache, zingt een Estafette-ganger om vier uur in de ochtend. En neemt het besluit volgend jaar maar weer te gaan.