NS welwillend tegenover lossere band met overheid

ROTTERDAM, 19 nov. De Nederlandse Spoorwegen staan niet onwelwillend tegenover de SER-aanbeveling het bedrijf onafhankelijker te maken van de overheid. De onderneming onthoudt zich van een uitgesprokener reactie, zolang zij geen kennis heeft genomen van het advies.

'Op zichzelf strookt het advies met onze wens exploitatie en onderhoud van de infrastructuur bij de overheid te laten en gebruikers een bijdrage te laten betalen', zegt een woordvoerder. 'Maar als verschillende maatschappijen met elkaar in concurrentie moeten om de exploitatie van railvervoer, zien we nogal wat haken en ogen. Niet duidelijk is bijvoorbeeld wie zorgdraagt voor de dienstregeling.'

Ook G. Bartel, algemeen vertegenwoordiger van de Deutsche Bundesbahn in Nederland, noemt de SER-suggestie 'in lijn met ons beleid', dat meer concurrentie beoogt in het railvervoer van reizigers en goederen. Een probleem daarbij is, aldus Bartel, dat de Bundesbahn 'nog echt een overheidsbedrijf is, met veel ambtenaren en allerlei in de wet vastgelegde rechten en plichten'. Dat zou allemaal moeten worden veranderd, aldus de DB-vertegenwoordiger.

Of de Bundesbahn belangstelling heeft voor de inzet van eigen treinen op delen van het Nederlandse spoorwegnet is niet aan de orde, aldus Bartel. Eigen diensten tussen Duitsland en Rotterdam zouden overigens best interessant kunnen zijn, meent Bartel, omdat klanten dan snelle, rechtstreekse verbindingen kunnen worden aangeboden. Maar volgens hem valt nu absoluut niet te zeggen of zoiets mogelijk is.

Spoorwegmaatschappijen zijn nu vooral gericht op concurrentie met andere vervoerstechnieken, zoals binnenvaart en wegvervoer. Op een geliberaliseerde markt zouden de spoorwegen het moeilijker krijgen, denkt Bartel. Hij ziet dan ook eerder samenwerking tussen nationale spoorwegmaatschappijen ontstaan dan harde onderlinge concurrentie. 'Je kan je voorstellen dat je een passagiersdienst Amsterdam-Zurich samen met NS en de Zwitsers exploiteert. De eerste dienst zou dan van NS kunnen zijn, de tweede van de Bundesbahn en derde van de Zwitsers.' Nieuwkomers in het railvervoer zullen zeldzaam zijn, denkt Bartel, wegens de vereiste hoge investeringen in mensen en materieel.

Koninklijk Nederlands Vervoer, de organisatie van busexploitanten en overwegend grote ondernemingen in het beroepsgoederenvervoer over de weg, noemt het een goede zaak als andere bedrijven dan NS gebruik kunnen maken van de spoorinfrastructuur. 'We hebben altijd problemen gehad met het NS-monopolie', zegt een woordvoerder. 'NS is niet goed, niet flexibel genoeg. Een zeker mate van concurrentie kan daarom prima zijn. Uit milieu-oogpunt zou je meer van het spoor gebruik kunnen maken, maar dan moet de trein wel aansluiten bij de behoefte aan flexibiliteit en capaciteit.'

Vraagtekens houdt de wegvervoerorganisatie bij de betaling van aanleg en onderhoud van de railinfrastructuur, als die onder de verantwoordelijkheid van de overheid komt te vallen. 'Wij vrezen dat daarvoor geld gebruikt zal worden uit heffingen op het wegvervoer, dat nu al zijn eigen infrastructuur betaalt.'

De verladersorganisatie EVO steunt bij monde van plaatsvervangend directeur drs. H. A. Vos, de 'denkrichting' van de SER. Hij verwijst naar eerdere constateringen van EG-autoriteiten dat het Europese railvervoer onvoldoende commercieel is. Bureaucratie, een sterk binnenlandse gerichtheid en de plicht bepaalde diensten te verrichten, ook als die onrendabel zijn, zijn daar oorzaak van. Gegeven de voorziene groei van het goederenvervoer met 50 tot 100 procent in de komende tien, vijftien jaar, is het belangrijk de bestaande railinfrastructuur efficienter te gebruiken, aldus Vos. Meer concurrentie biedt daarvoor mogelijkheden.

Hij vraagt zich daarbij wel af wie straks zorgdraagt voor veiligheid en beheer van het Nederlands spoornet, taken die nu nog bij NS berusten. 'Daarover zegt de SER niets, maar het is wel een reeel punt', aldus Vos. Voor nadere gedachten daarover is overigens nog tijd. Vos ziet de door de SER voorgestelde structuur als een visie voor over vijftien tot twintig jaar.