Mens is meer dan reservoir van organen

In een poging om voor transplantaties meer organen beschikbaar te krijgen kijkt de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering van de Geneeskunst, of kortweg de KNMG, opnieuw met een verlangend oog naar onze zuiderburen. In Belgie heeft de wetgever het namelijk mogelijk gemaakt om, zonder dat de donor een codicil draagt, gebruik te maken van diens organen. Daar is inmiddels de regel van toepassing dat, tenzij de potentiele donor expliciet nee zegt, ervan wordt uitgegaan, dat er toestemming bestaat om te beschikken over de organen. Alhoewel deze 'omgekeerde bewijslast' meer organen zal verschaffen dan voorheen het geval was, bewandelt men een weg die afwijkt van de rechtmatige.

In het stelsel van een rechtsstaat, met alle vrijheden en beperkingen die zo'n staat kent, wordt ervan uitgegaan dat de mens de eigenaar is van zijn bezittingen, materieel of immaterieel. Zelf kan hij beperkingen aanbrengen bij het beheer van die bezittingen. En dat zijn beperkingen, bijvoorbeeld gestoeld op religieuze of levensbeschouwelijke principes. Maar altijd blijft hij de eigenaar, in de zin dat hij zelf de beperkingen oplegt. En die beperkingen kunnen soms leiden tot een beschikkingsoverdracht bijvoorbeeld aan de schepper.

Het lichaam is eigen bezit. Tijdens het leven dient de mens toestemming te geven, soms retrospectief, om medische handelingen aan het lichaam te laten verrichten. Niemand mag het lichaam van een ander zonder toestemming van de eigenaar 'aanraken'. Ook hier echter weer behoudens de regels die het stelsel erkent in het kader van de wetgeving, zoals de mogelijkheid tot fouilleren en dergelijke.

De handelwijze die in Belgie wordt aanbevolen, in de vorm van de omgekeerde bewijslast, zou wel eens het eigendomsrecht van de mens op het eigen lichaam kunnen ontkennen.

Beschikkingsrecht

Tijdens het leven, de rechtmatige eigenaar is nog aanwezig, heeft men recht om te beslissen. Na het leven de rechtmatige eigenaar is niet meer aanwezig lijkt het of men ervan uitgaat dat de vroegere bezitter van het lichaam beschikkingsrecht zou hebben verleend. Hij heeft het namelijk nooit tegengesproken. Deze veronderstelling gaat echter niet op.

Allereerst is het niet gebruikelijk dat een bezitter, afstand zal doen van zijn eigendom zonder dat expliciet kenbaar te hebben gemaakt. Ook zonder dat ik nee heb gezegd ga ik ervan uit dat de ander niet zonder meer mijn domein betreedt, mijn auto gebruikt en wat al niet meer.

Er is dan ook eigenlijk geen reden om aan te nemen dat de vroegere eigenaar, zonder expliciete mededeling, afstand neemt van het beschikkingsrecht over het eigen lichaam.

Strikt juridisch gesproken zou men kunnen veronderstellen dat er geen sprake meer is van beschikkingsrecht over het lichaam na de dood. Het recht gaat dan over naar de gemeenschap, dat wil zeggen de staat. De rechtmatige eigenaar is overleden. Maar ook deze uitspraak kan niet staande worden gehouden. Want in talloze zaken verkrijgt de familie de zeggenschap over het stoffelijk overschot van een naaste. Interessant genoeg, onder andere juist bij het verlenen van toestemming voor het verwijderen van organen. Zelfs in die mate dat in vele gevallen de stem van de naaste familie zwaarder weegt dan hetgeen de donor zelf in het codicil heeft vastgelegd.

Er is nog een tweede bezwaar tegen de veronderstelling dat de vroegere bezitter toestemming verleent tenzij hij anders kenbaar heeft gemaakt. De waarheid van deze veronderstelling is namelijk volledig afhankelijk van de levensbeschouwing die de mens tijdens het leven erop heeft nagehouden. Was hij de religieuze overtuiging toegedaan dat het geestelijk leven na de dood voortgang vindt dan kan dat consequenties hebben voor het beschikkingsrecht over het lichaam na de dood. Deze religieuze visie is namelijk veelal verbonden aan de religieuze verplichting om het lichaam, na overlijden, ongeschonden aan de aarde toe te vertrouwen. Dat houdt expliciet in dat al tijdens het leven de mens, als eigenaar, door de religieuze visie en zijn levenswijze het beschikkingsrecht over het lichaam na de dood heeft geregeld. De plicht om tijdens het leven de weigering van toestemming voor transplantatie vast te leggen dienen we dan ook als een beperking op het beschikkingsrecht tijdens het leven te zien.

Zeggenschap

Ook bestaan er religieuze visies dat het lichaam tijdens en na het leven toebehoort aan de Schepper. Deze religieuze visie brengt met zich mee dat de mens zelf geen beslissingsbevoegdheid heeft over zijn lichaam. Of met andere woorden, door het uitdragen van zijn levensbeschouwing of religie heeft hij als het ware het mandaat dat de maatschappij hem ooit heeft gegeven over het lichaam teruggegeven aan de Schepper. Hij is slechts beheerder van het lichaam binnen de grenzen die de Schepper bepaalt. Het eigendomsrecht ligt elders.

Volgens zijn religieuze visie kan hij dus helemaal geen toestemming geven of zich onthouden van toestemming. De zeggenschap is niet aan de mens. Weliswaar, strikt juridisch gesproken, plaatst dit de wetgever niet voor zulke grote problemen. Uiteindelijk kan de 'gelovige' op grond van deze 'beperking' door middel van de codicil de toestemming tot transplantatie onthouden. Maar daarom gaat het hier niet. Het gaat erom dat het opleggen van de verplichting om te laten vastleggen dat men geen organen beschikbaar wenst te stellen, een beperking is van de religieuze overtuigingen waartoe de mens tijdens het leven gerechtigd is. En, nogmaals, tijdens het leven door zijn religieuze levenswijze heeft hij al 'het besluit' genomen, en laten zien dat niet alleen deze mens niet gerechtigd is maar ook ieder ander mens uitgesloten wordt. Het verlenen of het onthouden van toestemming gaat de bevoegdheid te buiten en kan worden beschouwd als een aantasting van de Goddelijke zeggenschap over het menselijk lichaam. De joodse wetgeving kent hiervan een klassiek voorbeeld. Namelijk in die situaties waar het beschikbaar stellen van organen op joods wettelijke gronden toegestaan dan wel verplicht is, i.e. bij het acuut redden van een mensenleven, kan het beschikbaar stellen nooit afhanklijk zijn van het geven of het onthouden van een toestemming. Daarvoor ligt het mandaat niet bij de mens. De joodse wet is de autoriteit die het mandaat verleent dan wel onthoudt.

Cyclus

Tenslotte, door het beschikkingsrecht over het stoffelijk overschot over te hevelen naar de gemeenschap doet men, in ieder geval volgens een aantal religieuze levensbeschouwingen, afbreuk aan de waardigheid van het individu, de mens. Tijdens het leven op aarde omhulde het lichaam de 'unieke' mens. Uniek in de zin dat geen twee mensen op aarde, zowel geestelijk als stoffelijk, hetzelfde zijn. De consequentie daarvan is, dat ook nadat de ziel het lichaam heeft verlaten, het unieke van het lichaam behouden blijft totdat het lichaam, door de teraardebestelling en het proces dat daarop volgt, op de gebruikelijke wijze weer in de cyclus der natuur is opgenomen. Een beheer van de gemeenschap over het stoffelijk overschot degradeert het lichaam van de unieke autonome mens tot een reservoir voor organen. En dat op zichzelf is niet de bedoeling van de orgaantransplantatie. Uiteindelijk gaat het toch om ook die ene, unieke, andere mens in leven te houden.

    • Lody B. van de Kamp