Le Blanc: nieuwe uitdaging bij de Oosteuropabank; Attali doet me denken aan Den Uyl, zo inspirerend

DEN BOSCH, 19 nov. Dr Bart le Blanc (43) heeft zijn eerste directiebijeenkomst bij de Oosteuropabank achter de rug. Le Blanc, die nu nog de dagelijkse leiding heeft over het bankiershuis F. van Lanschot Bankiers, werd onlangs tot zijn verrassing benoemd tot secretaris-generaal van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) de formele naam van de 'Oosteuropabank' die - onder leiding van de Fransman Attali - de voormalige Oostblokstaten op het pad van de markteconomie moet brengen.

'Toen ik begin dit jaar een artikel schreef voor (het juridische tijdschrift) Ars Aequi waarin ik onder andere inging op de problematiek in Oosteuropa, had ik niet het flauwste vermoeden dat dit mijn werkterrein zou worden. Ik schreef het omdat ik geleerd heb dat je naast je eigenlijke werk ook iets heel anders moet doen'.

Le Blanc had veel interesse in de functie omdat de samenwerking tussen particuliere sector en overheidssector in het Oosten een belangrijke rol zal spelen en hij in beide sectoren ruime ervaring heeft. Hij was lange tijd adviseur van de premier en onder meer directeur-generaal van de Rijksbegroting voordat hij in 1983 tot het bestuur van Van Lanschot toetrad. Bovendien was hij voorzitter van commissies waarin bedrijfsleven en overheid samenwerkten, zoals bij de privatisering van de infrastructuur.

Le Blanc zou per 1 juli volgend jaar de voorzittershamer van Van Lanschot formeel in handen krijgen en geeft dus een goede positie op. 'Je verlaat een ruim 250 jaar oude bank voor een bank die nog niet bestaat. De werksfeer bij Van Lanschot bevalt me erg goed zodat het geen makkelijke beslissing was'.

De komende maanden zal hij bij de Oosteuropabank nog in deeltijd werken. Le Blanc: 'Ik vlieg zo nu en dan voor overleg naar Londen, maar het voorbereidende werk wordt gedaan door ongeveer veertig medewerkers die speciaal voor deze aanloopfase door de veertig deelnemende landen zijn gedetacheerd. Zelf verwacht ik maart volgend jaar volledig in Londen aan de slag te gaan'.

De Brabantse bankier, geboren en getogen in Den Bosch, verruilt dan een statig oud pand in die stad voor een gehuurde ruimte in Londen waar op het moment zelfs nog geen bureau voor hem aanwezig is. 'We gaan in Londen formeel pas van start als een tweederde meerderheid van de deelnemende landen de verdragen heeft geratificeerd, hetgeen pas ergens volgend jaar het geval zal zijn. Eerder kan de EBWO geen geld uitlenen'.

De deelnemende landen storten geld bij de bank. Dat eigen vermogen dient als een garantie voor geldverschaffers die op basis daarvan bereid zullen zijn geld tegen gunstige voorwaarden aan de Oosteuropabank uit te lenen. Die kan het vervolgens met een beperkte winstmarge doorsluizen naar de Oosteuropese landen. Het startkapitaal bedraagt tien miljard ecu op basis waarvan de bank jaarlijks ongeveer twee miljard ecu zou kunnen uitlenen, omgerekend ruim vier miljard gulden.

De laatste keer dat een dergelijke multilaterale ontwikkelingsbank werd opgericht, betrof de Aziatische ontwikkelingsbank in 1966. De Europese Investeringsbank (EIB), die zich hoofdzakelijk richt op de Europese Gemeenschap, dateert uit 1958 en verleende vorig jaar 12,2 miljard Ecu aan kredieten.

Belangrijk verschil met andere multilaterale ontwikkelingsbanken is dat de Oosteuropabank in de statuten politieke leningsvoorwaarden stelt: het lenende land moet kiezen voor een markteconomie met een meerpartijdemocratie. Welke landen hieronder vallen is nog onzeker. Le Blanc: 'De bank moet nog een landenstrategie bepalen, zoals nog zo veel zaken geregeld moeten worden. Er is in dit stadium nog veel onzeker.' Wel zijn de hoofdlijnen, deels vastgelegd in de statuten, duidelijk. Le Blanc: 'Doel van de bank is het helpen bij de overgang van planeconomie naar markteconomie. Daarbij is de gedachte dat je niet zomaar geld moet aanslepen. Eerst moeten de voor een markteconomie noodzakelijke institutionele infrastructuur worden opgebouwd zoals effectenbeurzen, een bankstelsel en een juridisch systeem met faillissementsrecht, regeling van de eigendomsverhoudingen en dergelijke. De bank wil zich in eerste instantie richten op het adviseren bij het opbouwen van die instituties'.

'Het is de bedoeling dat we eind volgens jaar met 200 tot 250 medewerkers in Londen zitten en in 1992 met het dubbele aantal. Daarbij zit een scala aan adviseurs, hoewel ook adviezen extern ingehuurd zullen worden'.

Kenmerkend voor de Oosteuropabank is ook dat ze zich nadrukkelijk op de particuliere sector richt. De leningen gaan alleen naar overheden als projecten directe betekenis hebben voor het bedrijfsleven zoals infrastructuur of als sprake is van privatisering van staatsbedrijven. De bank mag volgens de statuten pas geld uitlenen als andere financiers geen redelijk geprijsd alternatief zijn.

De zeggenschap van de bank is uiteindelijk in handen van de 42 leden, veertig landen en de Europese Investeringsbank en Europese Commissie elk als afzonderlijk lid. De Verenigde Staten leveren als land de grootste bijdrage en krijgen tien procent van het stemrecht. De Europese Gemeenschap heeft bij elkaar 51 procent in handen, zodat het Europese karakter van de bank gewaarborgd is.

Le Blanc: 'De ministers van financien van de deelnemende landen zullen minimaal een keer per jaar bijeen komen en hun stem uitbrengen over de belangrijkste besluiten. Voor de tussentijdse besluitvorming hebben de leden twintig bewindvoerders permanent afgevaardigd, waaronder een Nederlander'.

De bewindvoerders stemmen over voorstellen die worden uitgewerkt door het uitvoerend comite waarvan Le Blanc een van de negen leden is en de Fransman Attali de voorzitter. Attali versloeg mei dit jaar oud-minister Ruding in de strijd om de functie van president-directeur van de Oosteuropabank.

Le Blanc: 'Attali doet me denken aan Den Uyl; een geweldig intellectueel die maatschapijhervormend denkt. Ik heb nu verschillende keren met hem gesproken en vind het een inspirerende man.'

Le Blanc: 'Ik ga fungeren als een soort trait d'union tussen het uitvoerend comitee en de bewindvoerders. In mijn functie moet ik ervoor waken dat de voorstellen van het comite passen in het beleid dat door de bewindvoerders is uitgestippeld'.

Door regelmatig de stemming bij de bewindvoerders te peilen moet Le Blanc de adviezen van het commite zodanig bijsturen dat ze veelal op een breed draagvlak kunnen rekenen als ze in stemming worden gebracht. Naast dit voorkoken zal hij ook direct bij de beleidsvoorbereiding betrokken zijn. 'Maar ik ben niet, zoals de Nederlandse titel secretaris-generaal suggereert, de beheerder van de staf. Slechts een beperkt deel van de medewerkers valt onder mijn verantwoording'.

Het uitvoerend comite bestaat hoofdzakelijk uit mensen met een lange staat van dienst. Le Blanc: 'Ik ben daar de Benjamin. De meeste die daar zitten hebben in hun loopbaan de top bereikt: de directie van een grote bank, voorzitter van een grote industriegroep of topman bij het grootste advocatenkantoor in de wereld'.

De eerste indruk is Le Blanc goed bevallen: 'Er hangt een sfeer van mensen die alles al eens hebben meegemaakt, die hun competentie niet meer hoeven te bewijzen. Niemand heeft de neiging te scoren, haantje de voorste te zijn, elkaar de vliegen af te vangen. Zo'n werksfeer is voor mij uniek, een droomsfeer. Mooier kun je het niet hebben'.