Ex-minister Luns met stip op lijst van de gijzelaarsmissie naar Irak

DEN HAAG, 19 nov. Ruim zes jaar lang was Joseph Luns nog maar sporadisch in het nieuws in Nederland. Die tijd is blijkbaar lang genoeg geweest om de oude wonden te doen helen die er in de relatie tussen hem en zijn land waren gegroeid. Want zijn naam staat sinds enkele dagen met stip genoteerd op het lijstje waarover de leiders van de vijf grootste fracties in de Tweede Kamer beschikken met gegadigden voor een missie naar Irak met het doel de gijzelaars vrij te pleiten.

De nu 79 jaar oude, in Brussel woonachtige, politicus had in de negentien jaren als minister van buitenlandse zaken in Nederland en de daarop volgende twaalf jaren als secretaris-generaal van de Noordatlantische Verdragsorganisatie een schijnwerper op zich gericht die nooit doofde.

In de latere jaren, voor zijn pensionering in 1984, was de aandacht uit Nederland niet meer gevoed door positieve gevoelens. Nederland aarzelde, weifelde over de stationering van kruisraketten, Luns vond dat allemaal heel bedenkelijk en hij liet niet na dat voortdurend te zeggen.

De Nederlandse politici namen een slappe knieen houding in tegenover Moskou, ze lieten zich praktisch gesproken chanteren, vond Luns. Hij noemde het bovendien een epidemisch verschijnsel in Nederland, dat men niet meer wilde discussieren en mensen als hem, die een duidelijk standpunt hadden, uit de weg ging.

Hij achtte zichzelf een 'pragmatisch conservatief' en dat was niet populair in het progressieve Nederland. Hij maakte het de progressieven dan ook niet makkelijk met zijn standpunten: hij prees de neutronenbom toen een groot deel van Nederland zich er tegen verzette, hij verheugde zich op de herverkiezing van president Nixon toen deze al diep in het Watergate-schandaal stak, hij prees de sjah van Perzie toen iedereen diens martelingen veroordeelde.

Het stond allemaal in sterk contrast met de vele jaren dat hij in Nederland onafgebroken de populairste politicus was. Het woord 'bepaaldelijk' hoefde maar uitgesproken te worden, of iedereen wist dat het over Luns ging. Zijn gevatheid, zijn cynisme, zijn altijd aanwezige glimlach kende iedereen. De latere gestoorde relatie met Nederland stond ook in schril contrast met het enorme aanzien dat hij in het buitenland had.

Hijzelf dacht dat die populariteit te maken had met het volkomen ontbreken bij hemzelf van het minderwaardigheidsgevoel van de kleine natie. Hij zei gewoon wat hij dacht, ongeacht de gesprekspartner. In de Nieuw-Guinea zaak bond hij rustig de strijd aan met president Kennedy. Bij de vorming van de Europese Gemeenschap liep hij voortdurend en zonder aarzeling president De Gaulle jarenlang tot diens woede voor de voeten.

De man die vanaf 1952 negentien jaar lang het Nederlandse buitenlands beleid bepaalde en vervolgens twaalf jaren zonder enige moeite bij elke regeringsleider en elk staatshoofd ter wereld binnen kon lopen, wordt wellicht na al die jaren weer ingeschakeld voor een belangrijke missie naar Irak. Hier en daar in het parlement zal bij de gedachte aan Luns wel een brok moeten worden weggeslikt. Niemand zal echter twijfelen aan Luns' vaardigheden. Er is geen Nederlands politicus die zo vaak met dit bijltje heeft gehakt als Joseph Luns.