'Verlos de boer van de zorg voor de natuur'; Het landbouwestablishment predikt revolutie

Twee weken geleden, midden in de discussies over verlaging van de landbouwsubsidies met maar liefst 30 procent, kwam een werkgroep van dertien zwaargewichten uit landbouw- en milieubeleid met een manifest, waarin binnen tien jaar een radicale sanering van de landbouw bepleit wordt?

Staatssecretaris Gabor van Natuurbeheer, koud vijf weken in functie, nam het minzaam in ontvangst en legde de achttien velletjes ambtelijk jargon in zijn onderste bureaulade. ' Volstrekt onmogelijk', zei hij vriendelijk. Ook in de media kreeg het plan een lauwe reactie. Toch is het briljant in zijn eenvoud. De landbouw moet, net als de industrie op het industrieterrein, voortaan worden opgevat als een strict economische activiteit, die aan strenge milieu-eisen moet voldoen. En omgekeerd hoort men in natuurgebieden pur sang geen concessies te doen aan houthakkers of kokkelvissers.

Neem nou bijvoorbeeld de Krimpenerwaard. Ondanks alle geldverslindende EG-landbouwsubsidies leiden de boeren daar een schraal bestaan op hun verouderde, kleine bedrijven, waar het tobben is met het waterpeil en uitbreidingskansen ontbreken. Alleen door een steeds intensiever gebruik van krachtvoer, kunstmest en bestrijdingsmiddelen, en door voortdurende bemaling houdt de boer hier voorlopig zijn hoofd nog boven water. En de rekening daarvoor krijgen wij vroeg of laat gezamenlijk op ons bord.

Kunnen de boeren in de Krimpenerwaard niet beter worden uitgekocht? Als hun landerijen worden prijsgegeven aan de krachten der natuur en het waterpeil niet langer door gemalen tot op de centimeter nauwkeurig wordt beheerst, kan zich hier binnen een jaar of tien, twintig, spontaan een laagveenmoeras naar Middeleeuws model ontwikkelen, compleet met kraanvogel en karekiet, die broeden in het riet. De Rotterdammers kunnen dan in het weekeind bij Kinderdijk een kano huren op zoek naar de eland, die op zijn grote platte voeten door de blubber sopt en zich tegoed doet aan de waterplanten.

Een absurd plan? Toch zit er wel iets in. ' Ik kan het aan mijn kinderen niet langer verkopen', zei oud-minister Winsemius onlangs bij de opening van het academisch jaar in Wageningen, ' dat wij enerzijds zes miljard gulden uitgeven om de overproduktie in de landbouw in stand te houden, terwijl we anderzijds miljarden moeten betalen om de milieuschade die diezelfde intensieve landbouw meebrengt, weer op te ruimen. Dat wij als samenleving zulke enorme bedragen tweemaal uitgeven, dat is niet meer uit te leggen!'

Pieter Winsemius is mede-ondertekenaar van het manifest, dat een duurzaam samengaan van landbouw, natuur en milieu bepleit. De samenstelling van deze club is spectaculair, met klinkende namen als Mansholt, Nijpels. Winsemius en RABO-topman Wijffels. Ook de aanbevelingen liegen er niet om. Voor het jaar 2000 moet de landbouw schoon zijn. Het oppervlak natuurgebied moet verdubbelen. En voortaan moeten landbouw en natuur zoveel mogelijk worden gescheiden. De landbouw moet, net als de industrie, worden opgevat als een strict economische activiteit, die aan strenge milieu-eisen moet voldoen.

Te denken valt aan een high-tech landbouw in gesloten systemen. In de glastuinbouw bijvoorbeeld wordt daaraan gewerkt en ook in de intensieve veehouderij moet men naar schone, ammoniakdichte stallen toe. Bedrijven die dit niet bolwerken moeten maar verdwijnen. En net zoals aan de industrie, die vervuild water loost, bepaalde heffingen worden opgelegd in het kader van de Wet op de Verontreiniging van het Oppervlaktewater, zou men ook in de landbouw het beleidsinstrument van de heffingen moeten hanteren, bijvoorbeeld op het gebruik van krachtvoer, kunstmest en bestrijdingsmiddelen. Dat geld kan in een pot worden gestort waaruit men boeren, die schoon werken, een inkomenstoeslag per hectare kan betalen. RABO-topman Wijffels noemt zulke heffingen een efficiente manier om milieukosten in de bedrijfsvoering te internaliseren. ' Heffingen zijn de crux van ons verhaal', zegt ook oud-minister Nijpels. ' Politiek ligt dat altijd heel moeilijk, maar daarmee haal je in het landbouwbeleid het snelste resultaat. Ik heb daar als liberaal ook geen gewetenswroeging van, want zonder een krachtig overheidsbeleid red je het niet in de milieuproblematiek.'

Mestoverschot

' Waar het ons om gaat, is dat het huidige landbouwbeleid volkomen vastloopt', zegt oud-PvdA minister ir. Sico Mansholt, de grote architect van het naoorlogse landbouwbeleid. ' De boeren worden overstroomd met beleidsnota's en doelstellingen, maar er gebeurt niets! Ze krijgen geen enkele economische prikkel om hun bedrijfsvoering echt te veranderen om het overschot aan fosfor en stikstof te laten verdwijnen. Dat vergt natuurlijk harde maatregelen, maar dat is onvermijdelijk.'

Volgens de huidige mestwetgeving wordt pas in het jaar 2000 de zogenaamde eindnorm ingevoerd in de vorm van een mestgift, die niet hoger is dan de planten kunnen benutten. Tot zolang blijft het dumpen van mest in feite toegestaan, met alle problemen vandien.

Mansholt: ' Er moeten varkens verdwijnen, dat kan niet anders. Als je milieuhygienisch verantwoord wilt bemesten, dus volgens de zogenaamde eindnormen van de mestwetgeving, dan kan bij ons huidige kunstmestverbruik de totale varkensstapel als overschot worden aangemerkt. En als de helft van het kunstmestverbruik door stalmest wordt vervangen, wat een grote verschuiving zou betekenen, dan nog kan de mest van 65 tot 75 procent van de varkens niet op milieuhygienisch verantwoorde wijze in ons land worden afgezet.'

Centrale mestverwerking, waarbij de mest in grote fabrieken wordt gedroogd en vervolgens in korrelvorm geexporteerd, kost zo'n 33 gulden per varkensplaats per jaar en lijkt daarmee onbetaalbaar. ' Dan kun je die varkens maar beter naar Frankrijk verplaatsen, want daar is geen overschot en kun je de mest dus zo uitrijden', zegt Mansholt.

Vandaar het voorstel om in eigen land een heffing op fosfor, stikstof en eventueel ook bestrijdingsmiddelen in te voeren. Het plan is glashelder. Iedere boer houdt op zijn bedrijf een mineralenbalans bij. Normaal landbouwkundig gebruik van kunstmest of dierlijke mest is geen enkel probleem. En veehouders die zelf teveel mest hebben, kunnen dat ongestraft aan een akkerbouwer in de omgeving kwijt. Maar de mineralenbalans moet wel kloppend zijn, zonder verliezen naar het milieu. Als er te kwistig wordt gestrooid of teveel uitgereden, zodat er op bedrijfsniveau een mineralenoverschot ontstaat, dat het water vervuilt en het milieu bedreigt, gaat dat de boer geld kosten. Dat betekent dat hij er anders dan nu alle belang bij krijgt om snel naar alternatieven, zoals fosfaatarm krachtvoer, om te zien.

Om te zorgen dat er niet mee wordt gesjoemeld, dient het 'verificatie-principe' toegepast te worden - bij het BTW-stelsel al in gebruik, maar in landbouwkringen nieuw. Het werkt als volgt. Boeren, veevoer- en kunstmesthandel, vleesverwerkende bedrijven , zuivel- en eierindustrie moeten aan een gezamenlijke mineralenboekhouding worden onderworpen. De kunstmestcooperatie noteert hoeveel men de boer geleverd heeft, de boer noteert hoeveel hij heeft ontvangen. De kunstmestfabriek houdt natuurlijk zijn eigen balans liefst zo laag mogelijk en heeft er dus geen belang bij om te weinig afzet op te geven. Als men naar waarheid opgeeft, zal de boer daar geen bezwaar tegen maken, maar als men teveel afzet opgeeft, zal de boer, die op zijn beurt zijn eigen mineralenbalans ook niet onnodig wil opvoeren, protesteren. Op zijn beurt houdt de boer bij hoeveel mineralen hij weer in de vorm van melk, vlees en eieren aan zijn afnemers heeft geleverd en de afnemers geven op, hoeveel ze hebben ontvangen. De boer wordt dus zowel door zijn leveranciers als door zijn afnemers gecontroleerd en dat maakt het systeem, net zoals de BTW, weinig fraudegevoelig.

Mansholt: ' Het is geen belasting op krachtvoer of kunstmest, die wordt er niet duurder van, alleen overmatig gebruik wordt belast.'

Subsidies

Naast de heffingen vormen ook subsidies een belangrijk instrument om het landbouwbeleid te sturen. Minister Bukman liet afgelopen woensdag weten dat de boeren voorlopig niet op inkomenssteun hoeven te rekenen. De EG-ministerrraad in Brussel besloot onlangs, na zeven tumulteuze bijeenkomsten, om de landbouwsubsidies de komende jaren met maar liefst 30 procent te verlagen.

' Toch zouden wij graag zo'n inkomenstoeslag zien als stimulans voor boeren, die zich aan strenge milieuregels houden', zegt werkgroepvoorzitter dr. ir. Dick de Zeeuw. Volgens De Zeeuw wordt thans per hectare landbouwgrond gemiddeld, uit diverse potten en potjes, zo'n 2400 gulden subsidie per jaar verstrekt. Zulke subsidies wil de werkgroep voortaan doelgericht inzetten om de milieuproblemen zo snel mogelijk de wereld uit te helpen. Daarbij zou men graag zien dat landbouwgronden, bossen en natuurgebieden in principe dezelfde basissubsidie krijgen. ' Dat maakt het indelen van het landelijk gebied een stuk eenvoudiger, als je een stuk landbouwgrond een andere bestemming wilt geven. Natuur en bosbouw kunnen beter met de landbouw concurreren als ze dezelfde bedragen aan subsidie krijgen', zegt landbouweconoom prof.dr. Jan de Veer.

Volgens berekeningen van het Landbouw Economisch Instituut (LEI), waarvan De Veer directeur is, komen er de komende tien jaar in ons land maar liefst 475.000 hectaren overtollige landbouwgrond vrij. Vorig jaar was 55 procent van de bedrijfshoofden ouder dan 50 jaar en van deze boeren heeft maar 46 procent een opvolger. Alleen al door de vergrijzing onder de boeren wordt er dus de komende aardig wat grond te koop aangeboden. Terug naar de natuur.

Toen in 1833 in ons land het kadaster werd ingevoerd, bestond ons land nog voor 28 procent (900.000 hectare) uit woeste gronden. Omstreeks 1900 was dat nog 600.000 hectare. Op dit moment bezit ons land zo'n 200.000 hectare natuurgebied, ongeveer 5 procent van het totale landoppervlak. Ter vergelijking: de landbouw neemt 72 procent, de bebouwde kom 9 procent, de infrastructuur bijna 4 en het industriegebied 7 procent van ons land in beslag en de rest (ruim 9 procent) bestaat uit water.

' Wij willen het areaal natuurgebied binnen tien jaar verdubbelen door aankoop van overtollige landbouwgronden', zegt De Zeeuw. ' En op den duur zou zelfs een vijfde van het Nederlandse grondgebied uit natuurterreinen moeten bestaan.'

Maar het zet uit oogpunt van natuurbescherming natuurlijk weinig zoden aan de dijk om hier en daar eens een boerenbedrijfje aan te kopen en tot natuurgebied uit te roepen. De bedoeling is, dat overtollige landbouwgronden doelgericht worden aangekocht ter versterking van wat biologen noemen het ecologisch netwerk. Dat is het netwerk van grote en kleinere natuurgebieden, dat men de komende jaren van de grond wil tillen. Grote gebieden, van enkele duizenden hectares, zijn bijvoorbeeld de duinen, de Oostvaardersplassen, de Hoge Veluwe, de Meinweg (op de grens tussen Midden-Limburg en Duitsland). De nieuwe natuurgebieden zouden daarop moeten aansluiten. Een bekend probleem is immers, dat in kleine, geisoleerde natuurgebieden planten en diersoorten gemakkelijker uitsterven. Als ze met elkaar in verbinding blijven staan, hebben ze meer kans om de gelederen tezijnertijd weer aan te vullen. Vandaar het pleidooi voor groene linten in het landschap, bijvoorbeeld de rivieren met hun uiterwaarden, wegbermen en slootkanten. Als men eenmaal een bepaald areaal landbouwgronden heeft aangekocht, zou het instrument van de landinrichting moeten worden ingezet om te zorgen dat er grotere eenheden natuurgebied aaneengevoegd worden.

Afschepen

Staatssecretaris Gabor van Natuurbeheer noemde het voorgestelde tempo van aanpak ' volstrekt onmogelijk'. Er zou minstens 30 jaar voor nodig zijn en bovendien eerst meer onderzoek.

' Dat kan hij politiek niet maken, om zich achter het kennisargument en het tijdsargument te verschuilen!' briest De Zeeuw. ' Als je kijkt naar de ernst van de problemen en naar het gewicht van onze delegatie, dan laten we ons niet op zo'n manier afschepen! Laat hij dan maar eens met argumenten komen waarom dit voorstel niet zou kunnen. We zullen Gabor kritisch blijven volgen, ook al weten we nog niet precies hoe.'

Elke tien jaar die je de problemen verder voor je uitschuift, is onverantwoord, benadrukt De Zeeuw. ' We moeten niet langer wachten op nog meer onderzoek, we hebben genoeg kennis en ook de beleidsinstrumenten en de financiele instrumenten om binnen tien jaar orde op zaken te stellen.'

Zelf heeft Dick de Zeeuw, in zijn diverse ambtelijke functies, waarvan de laatste vijf jaar als voorzitter van het College van Bestuur van de Landbouwuniversiteit, een belangrijke stempel op de ontwikkeling van de landbouw gedrukt. Heeft hij spijt van de manier waarop het is gegaan? ' Ach, spijt... Je draagt natuurlijk een collectieve verantwoordelijkheid voor de manier waarop het is gegaan. We hadden alle neuzen in dezelfde richting, met af en toe een alarmbel. Maar tien jaar geleden beschikten wij als insiders al over dwingende cijfers waaruit bleek dat het zo niet verder kon. Nitraat in het grondwater, onafbreekbare bestrijdingsmiddelen, we kwamen erachter dat de natuur het niet op eigen houtje zou redden. We kregen door dat we het bufferend vermogen van de natuur schromelijk hadden overschat. Omstreeks 1977 kwamen we al met rapporten over de gevaren van methylbromide als grondontsmetter en over de noodzaak om de melkproduktie te beperken, maar het ministerie wilde die rapporten gewoon niet zien, die kant wilde men niet uit. En nog steeds verschuilt staatssecretaris Gabor zich bij het in ontvangst nemen van ons plan achter gebrek aan kennis.'

Ook Ed Nijpels is teleurgesteld in de reactie van Gabor. ' Ja, uiteraard. Ik begrijp zijn antwoord wel, maar het is een kwestie van politieke prioriteiten stellen.'

' Het spanningsveld tussen landbouw en milieu is natuurlijk heel groot, maar ik ben er van overtuigd dat daar uit te komen valt, als we maar bereid zijn om nu in te grijpen', aldus Nijpels. ' Nu meteen, niet over dertig jaar. Onze club bepleit een onorthodoxe aanpak. Als je ziet wat een brede spreiding deze groep heeft, van Mansholt tot Wijffels, dat komt niet vaak voor. Daar zitten mensen bij, die gepokt en gemazeld zijn op landbouwterrein, dan kun je verwachten dat die niet met hun hoofd in de wolken lopen.'

strikte scheiding

Nieuw in dit rapport is, dat bepleit wordt af te stappen van de kunstmatige verweving van landbouw en natuur. Het verhoogt de duidelijkheid als agrarische ondernemers niet langer met een onvrijwillige bijbaan als natuurbeheerder worden opgezadeld. Bioloog Frans Vera: ' Je moet de boer verlossen van die zorg voor de natuur waarop hij niet is aan te spreken. Hij heeft natuurlijk zorg voor de natuur. Jij mag in je tuin ook geen merels doodschieten en geen nesten uitstoten. Maar ze kunnen jou niet verplichten om in je tuin een X-aantal bosvogels te houden als dat betekent dat je je tuin niet meer in kunt om een pilsje te drinken. Dat is het verschil!'

Nijpels steunt dit pleidooi: ' Je moet die zaken veel strakker scheiden. Wij erkennen dat zelfs milieuvriendelijke landbouw toch ingrijpt in de natuur. Dat kun je dan maar beter op sommige gronden expliciet toestaan en op andere juist niet. Dat wil niet zeggen dat men dan op de landbouwgronden Gods water over Gods akker laat lopen, maar je moet niet de illusie hebben dat je op diezelfde gronden ook nog eens een leuk stukje natuur kunt kweken.'

Voor de circa 150.000 hectare oude cultuurgronden met hun rijke houtwallen en ruige overhoekjes wordt een uitzondering gemaakt. Daar blijven landbouw en natuur nauw verstrengeld. Maar afgezien daarvan kan volgens Vera veel geld dat nu aan boeren wordt betaald om naast hun landbouwactiviteiten ook nog eens wat aan natuur te doen, beter worden besteed door het rechtstreeks aan natuurbeschermingsorganisaties te betalen. ' Die organisaties zijn er puur voor de natuur en krijgen daarvoor maar 70 tot 180 gulden subsidie per hectare', stelt hij. ' De verhoudingen zijn compleet zoek! Moet je nagaan: in de Weerribben, volledig staatseigendom en nationaal park-in-oprichting, was rietmaaien een oud cultuurgebruik. Dit idee van cultuur als drager van de natuur wil men in het beheer- en inrichtingsplan behouden. Daarom krijgen commerciele rietsnijders van het ministerie van landbouw straks een subsidie van 3000 gulden per hectare. Let wel: om dat riet te laten staan! Een deel van het overjarig riet moet namelijk blijven staan omdat daarin vogels als kiekendief en purperreiger, baardmannetje en kleine karekiet broeden. Maar het is nu zo duur geworden om van dat riet af te blijven, dat men zich dat nog maar op twee tot drie procent van het areaal kan permitteren. Dat is toch te gek om los te lopen?'

En in de diepe Veenweiden, waar landbouw eigenlijk niet meer rendabel is, wil men de boeren toch graag houden als beheerders van het landschap. Terwille van de boeren, die belang hebben bij een goede ontwatering van hun drassige gronden, wordt er nu binnen het ministerie gepleit voor peilverlaging, hoewel dat schadelijk is voor de natuur. En als men uiteindelijk zou besluiten daarvan af te zien, zou de natuurbescherming daarvoor compensatie moeten betalen, 700 tot 1500 gulden per hectare, uit het budget van het Natuurbeleidsplan.

Zo ontstaat volgens Vera de paradoxale situatie dat natuur in ons land onbetaalbaar dreigt te worden, omdat men teveel menselijke beheersinspanningen wil handhaven. Maar een echt natuurgebied van voldoende grootte, zoals de Oostvaardersplassen, bedruipt zichzelf. Daarin wordt het riet gratis afgemaaid door grauwe ganzen of grote zoogdieren. Het kost aan onderhoud zo'n 50 gulden per hectare, bijvoorbeeld om rasters te onderhouden. ' Hoeveel dacht je dat de Indianen in Zuid-Amerika kwijt waren aan het in stand houden van de Amazone? Niks, dus.'

Ook de braaklegpremie van 1850 gulden per hectare per jaar voor boeren die een stuk land een jaar lang niet bebouwen in de strijd tegen de overproduktie zint Vera allerminst. Volgend jaar leggen de Nederlandse akkerbouwers tezamen 10.000 hectare braak. ' Het enige wat we daar wijzer van worden, is dat die boer niet aan de bedelstaf raakt. Maar verder heeft het geen enkele maatschappelijke meerwaarde. Het is niet duurzaam, omdat men het van jaar tot jaar opnieuw kan bezien. Het is versnipperd, want elke boer kan het op een stukje land doen. Als je die grond aankoopt om er natuurgebied van te maken en dat over 15 tot 20 jaar afschrijft, ben je 2850 gulden per jaar kwijt. Dat geld is dan toch veel beter besteed?'

Oud-minister Nijpels, die indertijd bij de kabinetsformatie instemde met de alom betreurde beslissing om het natuurbeheer over te dragen van CRM naar het ministerie van landbouw en visserij: ' Het geloof in de verweving van landbouw en natuur was oprecht. Ik begrijp ook best dat Landbouw achter de boeren staat, dat is legitiem. Maar het is wel een feit dat er het laatste jaar te weinig geld is besteed aan de aankoop van natuurterreinen.'

Staatssecretaris Gabor heeft verklaard dat hij uiteindelijk eenzelfde areaal natuurgebieden nastreeft als de werkgroep, maar volgens de werkgroep rekent Gabor zichzelf rijk. Hij rekent bijvoorbeeld alle bossen mee als natuurgebieden. Vera: ' Wij willen het huidige areaal natuurgebied in tien jaar tijd verdubbelen van 200.000 naar 400.000 hectare en het daarna nogmaals verdubbelen. In het officiele Natuurbeleidsplan daarentegen is sprake van de aankoop van 40.000 hectare natuurterrein over de komende tien jaar en daarna uiteindelijk nog eens 50.000 hectare. Hoe kan de staatssecretaris dan beweren dat hij hetzelfde doel voor ogen heeft als wij? Hij is een te gemakkelijke prooi voor zijn ambtenaren.'

Warme sanering

Opzien baarde het feit, dat drs. H. H. F. Wijffels, voorzitter van de directie van de RABO-bank, het radicale manifest heeft mede-ondertekend, zij het op persoonlijke titel, zoals ook de overige werkgroepleden. Weet hij eigenlijk wel waar hij zijn handtekening onder heeft gezet, vroegen cynici in de agrarische vakpers zich af. Of is hij soms alleen maar in deze werkgroep blijven zitten om erger schade te voorkomen? Feit is dat de bank die zich in de jaren zeventig de bijnaam Ruimt Alle Boeren Op-bank verwierf, een krachtige motor is achter de huidige intensivering van de landbouw, als mede-eigenaar van vele duizenden varkensstallen, kippeschuren, voersilo's enzovoorts. Wat beweegt topman Wijffels dan om de boeren nu zo'n 'dolkstoot' in de rug te geven? Pleit hij daarmee voor een warme sanering, waarbij de schade voor zijn bank beperkt blijft, en voelt hij aankomen dat de tijd daar rijp voor is? Of ruikt hij misschien een interessante nieuwe markt als het erom gaat, op grote schaal natuurgebieden aan te kopen? Jammer genoeg heeft Wijffels geen tijd om op deze vragen in te gaan. Hij volstaat met een inmiddels in verschillende vakbladen afgedrukte en door een behulpzame medewerkster nog eens op dicteersnelheid voorgelezen standaardverklaring over de noodzaak om ' tot een offensief beleid vanuit de sector zelf te komen, mede om te voorkomen dat teveel van buitenaf wordt opgelegd.'

Daarbij, zo schrijft Wijffels met gevoel voor understatement, ' kampt de landbouw op milieugebied met een legitimatieprobleem naar de samenleving toe'. De functiescheiding tussen economische landbouw en natuurgebied lijkt hem daarom een zeer nuttige suggestie. ' Dat houdt het landbouwgebied vrij van overtrokken natuurclaims. Anderzijds vereist het wel verzachting van de ruimtelijke claims vanuit de landbouw.'

Vast staat wel dat niemand een koude sanering van de agrarische sector wil. Daarom bepleit de werkgroep een inkomenstoeslag voor boeren die schoon produceren. Te denken valt aan een bedrag van 1000 tot 1500 gulden per hectare per jaar als overbruggingspremie bij de omschakeling naar een gezonde landbouwproduktie. Landbouweconoom De Veer is daar een warm voorstander van. ' Uitgangspunt is dat het huidige prijsbeleid op zijn eind loopt. Het principe dat een boer zijn inkomen moet halen uit de opbrengst van zijn produkten loopt spaak.'

Over de vraag of zo'n nieuwe landbouw internationaal wel concurrerend blijft is De Veer stellig: ' Onze prioriteit staat vast. Onze werkgroep wil geen concurrerende landbouw die het milieu vervuilt. De enige landbouw die straks nog bestaansrecht heeft, moet een schone landbouw zijn. Ik denk dat het internationaal op den duur ook onacceptabel wordt om met zoveel bestrijdingsmiddelen te werken.'

De toekomst ziet De Veer weggelegd voor een landbouw die zeer wetenschappelijk en nauwkeurig te werk gaat en optimaal gebruik maakt van bijvoorbeeld bestrijdingsmiddelen. En daarnaast dan echte woeste natuurgebieden, zonder ingrijpen van de mens. ' Maar van mij hoeft die scheiding tussen landbouw en natuur niet al te strikt te worden doorgevoerd. Het door de mens onderhouden landschap vind ik aantrekkelijk, en het is interessant om te zien hoe zich dat ontwikkelt. Mensen fietsen graag over een dijk om naar de koeien te kijken. Daarom kun je je afvragen of het maatschappelijk draagvlak voor zo erg veel woeste natuur nu echt zo groot is. Zelf woon ik in de polder en persoonlijk zou ik niet graag zien dat ze daar natuur van zouden maken. Dat prachtige weidse landschap, daar hoeven van mij echt geen wisenten en wolven te lopen.' De werkgroep 'Duurzaam samengaan van landbouw, natuur en milieu' telt klinkende namen. Initiatiefnemers zijn D. de Zeeuw (links), vroeger algemeen directeur van de Directie Landbouwkundig Onderzoek, en W. G. Albrecht, voorzitter van het Platform Biologische Landbouw. De overige leden zijn de oud-ministers Mansholt (midden), Nijpels en Winsemius, RABO-topman Wijffels (rechts), en A. de Zeeuw, voorzitter van het GATT-landbouwcomite. Verder de bioloog Vera (plan-Ooievaar), de hoogleraren De Veer (directeur van het Landbouw Economisch Instituut), Tims (directeur van de Stichting Onderzoek Wereld Voedselvoorziening) en Zonneveld (vegetatiekunde). En tenslotte Dijkveld Stol en Verkaik, beiden van de Nationale Raad Landbouwkundig Onderzoek.