Terug uit de burgerdood; 'Vadertje'Dharsono, Indonesie's populairste dissident

Luitenant-generaal b.d. Hartono Rekso Dharsono (65), in de volksmond 'Ayah (vader) Ton' en voor zijn medegevangenen 'Nelson Dharsono' is sinds 16 september weer op vrije voeten. Dharsono klom tijdens de 'politionele acties' op tot bataljonscommandant van de Siliwangidivisie. Op de middelbare school in Semarang leerde hij vloeiend Nederlands, dat hij in 1954 nog eens ophaalde aan de Hogere Krijgsschool in Den Haag. Na de soevereiniteitsoverdracht hielp hij bij de opbouw van de ABRI, het Indonesische leger. De huidige ABRI-commandanten waren ooit zijn cadetten aan de Militaire Academie van Magelang. Na enkele jaren in de luwte van de diplomatieke dienst kwam hij in aanvaring met Soeharto en belandde uiteindelijk in de gevangenis. Thuis bereidt Indonesie's populairste dissident zich voor op zijn terugkeer in de politiek.

In 1984 kwam het in de havenstad Tanjung-Priok tot een bloedig treffen tussen het leger en islamitische demonstranten. Volgens legerwoordvoerders vielen er dertig doden, dissidenten spraken van enkele honderden slachtoffers. De dissidente groep Petisi 50 eiste in een open brief dat een onafhankelijke onderzoekscommissie de ware toedracht zou achterhalen. Een van de ondertekenaars was luitenant-generaal Dharsono. Kort daarop nam hij deel aan een bijeenkomst van radicale moslim-studenten, waarvan er enkele later een bomaanslag pleegden op een bank in Jakarta. Ofschoon een van de bommenleggers later verklaarde dat de generaal geweigerd had mee te werken aan sabotageacties werd Dharsono ervan beschuldigd tot subversie te hebben aangezet.

Voor een politieke gevangene bent u in Cipinang met opvallend veel egards bejegend.

' Ik moet erkennen dat ze mij in vergelijking met de andere gevangenen heel redelijk hebben behandeld. Ik zat niet in een gewone cel, ik had op het gevangenisterrein een apart huisje met een kleine tuin. Wie deze beslissing heeft genomen weet ik niet zeker, ik denk generaal Try Sutrisno (chef-staf van de Indonesische strijdkrachten, DV). Met Try Sutrisno had ik een goed contact toen hij adjudant was van de president; hij was toen nog kolonel. Ik was in die jaren ambassadeur in Thailand, Cambodja en Vietnam. Later werd ik secretaris-generaal van de Associatie van Zuid-Oostaziatische Landen (ASEAN) en zag ik hem niet meer.'

Hoe was uw contact met de medegevangenen in Cipinang?

' De verhouding met de andere gevangenen was erg goed. De leden van de PKI (Partai Komunis Indonesia, DV) kwamen me vaak opzoeken. Ik had regelmatig contact met kolonel Latief (een lid van de linkse samenzweerdersgroep onder overste Untung, die op 30 september 1965 een mislukte greep naar de macht deed, DV). Hij en de andere PKI-gevangenen zitten daar al meer dan twintig jaar. Hoewel wij destijds als vijanden werden beschouwd, vind ik dat het na zoveel jaren tijd is om te vergeven. Als je samen in de gevangenis zit, leg je de nadruk op de menselijke relaties. Ook met de islamitische gevangenen had ik een goed contact. Ik ben na het Tanjung Priok-incident namelijk in hetzelfde pakket opgepakt als enkele moslimactivisten. We beschouwden elkaar als lotgenoten en we wilden geen oude koeien uit de sloot halen.'

In de pers stond dat de gevangenisautoriteiten op de dag van uw vrijlating hebben geprobeerd u langs het comite van ontvangst te loodsen door u extra vroeg te laten gaan.

' Ze hebben alles geprobeerd om mij heel vroeg in de morgen te laten vertrekken, alleen met de bedoeling om een ontmoeting met de mensen die mij opwachtten te voorkomen. Maar de dag daarvoor had ik in overleg met de militaire districtscommandant besloten dat ik om tien uur 's ochtends zou vertrekken. Mijn hele familie, met inbegrip van mijn kleinkinderen, zou mij komen afhalen en die had tijd nodig om zich voor te bereiden. Dat is redelijk, he.'

Toen de poort openging stonden daar, behalve uw familie, zo'n duizend mensen: ex-gouverneur van Jakarta Ali Sadikin, de activist voor de mensenrechten Jan 'Poncke' Princen, een hele groep dissidente vrienden. Was dat voor u een verrassing?

' Oh ja, dat had ik helemaal niet verwacht. Er waren ook veel studenten uit Bandung. Die kon ik alleen niet ontmoeten, omdat ik de auto niet uit mocht. Daarom zijn ze nog diezelfde avond naar mijn huis in Bandung gekomen om mij te begroeten.'

U komt vrij in een tijd waarin iedereen in Indonesie de mond vol heeft van de zogenaamde 'keterbukaan' de nieuwe openheid.

' Ik zie wel enige verandering, met name in de pers, maar niet veel. De keterbukaan is mij nog te veel een kwestie van smaak en willekeur van de overheid, zonder echte garanties.'

In 1980 werd u burgerlijk dood verklaard: u mocht bijvoorbeeld niet meer geciteerd worden. Uw vrijlating in september is echter breed uitgemeten in de media en uw uitspraken van die dag stonden in de krant. Is dat niet nieuw?

' Mijn proces is destijds ook uitvoerig verslagen, met name door het weekblad Tempo. Maar dat blad kreeg een paar weken later een zware drukker van generaal Moerdani, toen nog hoofd van de staatsveiligheidspolitie. Dat er nu een echte openheid is, moet mijns inziens nog bewezen worden. Zolang die openheid bepaalde grenzen heeft en niemand precies weet waar die liggen, durven mensen niet openlijk te zeggen wat ze op hun hart hebben.'

Toen u nog gevangen zat, heeft u tegen een Nederlandse journalist gezegd: alles in dit land hangt af van het leger. Waar staat de ABRI in de huidige discussie over openheid?

' Ik ben er zeker van dat het leger als sociaal-politieke kracht zijn best doet om de ontwikkelingen in een goede richting te sturen. We mogen alleen niet vergeten dat de strijdkrachten in Indonesie ook deel uitmaken van de regering. Dat is het dilemma van de zogenaamde 'dwifungsi' (dubbelrol) van de ABRI: het leger zegt enerzijds in maatschappelijke organisaties op te willen komen voor de belangen van het volk, maar in veel gevallen gedraagt het zich meer als onderdeel van de regeringsmacht.

Het begrip dwifungsi heeft een lange geschiedenis. Het dateert van de tijd dat we nog tegen de Hollanders streden. Daarna moesten we rust en orde bewerkstelligen en het land opbouwen. In die tijd was de ABRI het enige goed georganiseerde apparaat. Omdat het leger zichzelf zag als 'van het volk, uit het volk en voor het volk' werd de inmenging van de ABRI algemeen gewaardeerd. Tijdens mijn proces heb ik naar voren gebracht dat naarmate de burgermaatschappij zich verder ontwikkelt - en daar is al veel bereikt - de inmenging van de ABRI in de civiele sector eigenlijk niet meer nodig is. Die moet geleidelijk vervagen.'

Denkt u dat het leger de komende jaren nog nodig is voor de stabilisering van de binnenlandse verhoudingen?

'Zolang de ABRI zichzelf als de stabiliserende factor beschouwt is de 'stabilitas nasional' nog niet helemaal gezond. Als de situatie stabiel is omdat de mensen grof gezegd bang zijn, is dat geen echte stabiliteit. We moeten ons afvragen in hoeverre de inmenging van de ABRI noodzakelijk is om de nationale stabiliteit te bereiken. Ik zou zeggen: als ze bereikt kan worden door de participatie van het volk zelf, zonder dwang, dan pas is er echte stabiliteit.

Het moet mogelijk zijn dat politieke activiteit niet beperkt blijft tot de verkiezingstijd. Op het ogenblik hoor je alleen iets van de 'Golkar' (de met het overheidsapparaat verweven en door ex-militairen gedomineerde regeringspartij, DV) Die krijgt genoeg publiciteit, maar van de andere twee (de islamitische PPP en de nationalistisch-katholieke PDI, DV) hoor je niet veel. Wil dit verbeteren, dan moeten ook de PPP en de PDI zich vrij kunnen bewegen in de desa's. Dat is nu alleen voorbehouden aan Golkar, omdat die via de bureaucratie opereert. Dat is een beetje unfair, he.'

Denkt u dat de generatie die nu de toon aangeeft binnen de ABRI, uw voormalige cadetten van Magelang, meer ruimte wil geven aan de civiele politiek?

' Ik hoop het, maar ik zie daarvoor - op een enkele uitspraak na - nog geen aanwijzingen. Het is te hopen dat de nieuwe ABRI-generatie zich gaat buigen over de kwestie van de dubbelfunctie van het leger, want dat is volgens mij de sleutel tot de toekomst van de Republiek. Zolang deze dwifungsi blijft wat hij nu is en de ABRI zich blijft bemoeien met politieke aangelegenheden, heb ik niet veel hoop op een gezond politiek leven.'

Toen u nog in de boei zat, zei u dat u na uw vrijlating met de nieuwe ABRI-generatie wilt gaan praten.

' Ik zal snel contact zoeken. Het is alleen de vraag of ook zij dat gesprek willen. Onlangs gaf Ali Sadikin in zijn huis een feestje om mijn vrijlating te vieren. Iedereen was uitgenodigd, ook leden van de regering en de ABRI. Van hen kwam er maar een, Solihin GP (Solihin Gautama Purwanegara, voormalig officier van de Siliwangidivisie en nu een hoge functionaris in de planningsbureaucratie, DV) en dan nog nadrukkelijk op persoonlijke titel. Ik ga binnenkort uitzoeken of die burgerdood nog steeds op mij van toepassing is. Ik zal eens proberen of Immigratie mij weer toestemming geeft om naar het buitenland te reizen.

' Ik wil gewoon doorgaan met wat ik tot nu toe gedaan heb, mijn oude werk weer oppakken. Alleen nu een beetje voorzichtiger, want ik wil niet voor de tweede keer in de boei gestopt worden. Ik ben hier nu eenmaal mee begonnen en mensen verwachten veel van me na mijn vrijlating. Het heeft mij erg verheugd dat gedurende al die jaren dat ik vast zat 'Petisi 50' (het zijn er inmiddels 58 en de groep is sinds 1980 van samenstelling veranderd, DV), de mensen rond Sadikin en Nasution, compact is gebleven, dat ze nog bij elkaar komen en gezonde ideeen hebben. In die groep zijn verschillende geledingen goed vertegenwoordigd. Daar voel ik me thuis.'

Acht u het mogelijk dat er in de toekomst een brug wordt geslagen tussen de dissidenten buiten en de voorstanders van openheid binnen het establishment?

' Dat is zeker de bedoeling. De vooruitstrevende elementen binnen het systeem en de critici daarbuiten moeten op een gegeven moment bij elkaar komen. Zolang die discussie beperkt blijft tot outer circles, zoals tot nu toe steeds het geval was, hoeft de overheid zich daar niets van aan te trekken.'

Dan gaat u er van uit dat het establishment met de dissidenten wil praten.

' Misschien is dit wel de belangrijkste toets voor het bestaan van echte openheid, dat men bereid is tot een gesprek met de groepen aan de buitenkant. Zolang dat niet gebeurt praten we beter niet van keterbukaan.'

Vorige maand besloot de Minister van Informatie om het boulevardblad Monitor zijn bedrijfsvergunning af te nemen wegens de publikatie van een populariteits-poll, waarbij de profeet Mohammed op de elfde plaats eindigde. Een onverwacht harde maatregel. Moeten we dit zien als een bewuste stap terug op de weg naar openheid of vooral als een tegemoetkoming aan het islamitische volksdeel?

' Het is een combinatie van beide factoren. Dit is natuurlijk in strijd met de jongste aankondigingen dat men onethische publikaties voortaan alleen de verantwoordelijke hoofdredacteur zal aanwrijven, dat men zoiets zal overlaten aan de rechter zonder de krant als geheel te sluiten. Zo bezien is dit een stap terug. Nu staan alle werknemers van Monitor op straat. Ik vind overigens wel dat het blad met deze enquete te ver is gegaan. Ik ben geen geweldige islamiet, maar het gaat niet aan om profeten op een lijst te zetten met gewone mensen.'

Is de angst van de regering voor een opkomend islamitisch fundamentalisme in Indonesie terecht?

' Volgens mij niet. Het zijn maar kleine groepjes die niet veel betekenen. Ik ben er zeker van dat de meeste Indonesische moslims niet zo denken. In Cipinang ben ik met deze mensen in contact gekomen en ik denk dat ze voor rede vatbaar zijn. Men moet tijd maken voor een dialoog met deze lieden, zoals ik in de gevangenis heb gedaan.'

Nelson Mandela was onlangs in Indonesie. Had u hem niet willen ontmoeten?

' Dat is eigenlijk niet bij me opgekomen. Voordat ik werd vrijgelaten noemden mijn vrienden in de gevangenis mij 'Nelson Dharsono'. Ik vind dat geen juiste vergelijking. Wat hij gedaan heeft en wat hij heeft meegemaakt is veel, veel groter, he. De zaak in Zuid-Afrika is van veel principielere aard. Daar gaat het om een rassenkwestie tussen zwart en blank, terwijl het in ons geval alleen gaat om een verbetering van de bestaande situatie.'