Sterfte aan borstkanker lager door onderzoek

ROTTERDAM, 17 nov. Het bevolkingsonderzoek naar borstkanker dat momenteel geleidelijk in het hele land wordt uitgevoerd zal de sterfte aan borstkanker in 2015 met 16 procent doen verminderen. Er sterven dan per jaar 700 vrouwen minder aan borstkanker dan zonder bevolkingsonderzoek te verwachten was. Het effect zal met 33 procent minder sterfte het grootste zijn bij vrouwen van 50 tot 70 jaar.

Dit voorspellen epidemiologen van de Rotterdamse Erasmusuniversiteit en van de Rijksuniversiteit Utrecht en een radioloog van het landelijk referentiecentrum voor bevolkingsonderzoek op borstkanker in Nijmegen in het vandaag verschenen Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde.

Bevolkingsonderzoek bij jongere vrouwen beinvloedt de sterftecijfers waarschijnlijk veel minder. Dat komt allereerst doordat in die leeftijdsgroep borstkanker minder vaak voorkomt maar ook omdat borstkankerpatientes die jonger zijn dan 50 jaar betere overlevingskansen hebben. Borstkankerscreening lijkt op korte termijn altijd een groot effect te hebben omdat in het begin nog veel zeer langzaam groeiende tumoren worden gevonden.

Het bevolkingsonderzoek in Nederland is momenteel in de beginfase. Eind 1993 moeten alle vrouwen boven de 50 jaar een oproep hebben gehad. Zij zullen iedere twee jaar een herhalingsoproep krijgen. Bevolkingsonderzoek heeft tot doel tumoren vroegtijdig te ontdekken. Bij latere ontdekking is de overlevingskans aanmerkelijk slechter.

De nu gepubliceerde prognose voor het effect op lange termijn is gebaseerd op de resultaten van vergelijkbare buitenlandse screeningsprogramma's op borstkanker. Vooral Zweeds onderzoek vertoonde veel overeenkomsten met wat in Nederland staat te gebeuren. De sterftereductie van 16 procent die in Zweden werd bereikt, had daar een stroom van kritische commentaren tot gevolg waarin de vraag werd gesteld of bij een zo beperkte reductie de screening van een hele populatie nog wel zinvol is. De Nederlandse auteurs benadrukken dat goede voorlichting en een hoge opkomst van groot belang zijn voor het slagen van een bevolkingsonderzoek. In Zweden varieerde de opkomst tussen de 60 en 87 procent, aanmerkelijk hoger dan de opkomst in Nederland bij het al bestaande bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker.