Onderzoek naar behoud verzuurde boeken komt op gang; Nationaal geheugen wist zichzelf

Veel van ons nationale geheugen ligt vast op papieren informatiedragers en veel ook niet. Het nationale geheugen dat in hoofd en hart ligt opgeslagen verdwijnt vanzelf zonder dat er een haan naar kraait, maar informatie op papieren dragers is dat niet toegestaan. Toch dreigt ook het papier de weg van alle vlees te gaan: bibliothecarissen en archivarissen roepen al jaren dat boeken en archiefstukken onder hun hand verbrokkelen en verkruimelen. Hele delen van bibliotheken kunnen niet meer worden uitgeleend, niet eens meer worden ingezien.

Al in de jaren zeventig werd op het boekbederf gewezen. Ruime aandacht kreeg het gevaar toen het zogeheten 'Klankbordoverleg' van bibliothecarissen in oktober 1988 opriep tot een massaconservering van (oude) papieren bestanden. Het in mei 1989 door de Raad van advies voor bibliotheekwezen uitgebrachte advies om een Nationaal Conserveringscentrum op te richten gaf de doorslag. Het centrum kwam er, en al heet het Coordinatiepunt Nationaal Conserveringsbeleid, het bracht twee ministeries tot ongekende samenwerking: WVC en Onderwijs en Wetenschap. Het leidde zelfs tot nauwe contacten tussen de Koninklijke Bibliotheek (KB) en de Rijksarchiefdienst, die wel buren zijn maar elkaars deur niet platlopen. In juli begon een 'Proefjaar massaconservering'.

Het dramatische papier- en boekbederf heeft verschillende oorzaken. Papier van voor 1800 werd bereid uit linnen en katoenen lompen en gelijmd met beenderlijm om het beschrijfbaar te maken. Dat papier verkeert nog in redelijke staat, al gaat het onder invloed van de luchtverontreiniging achteruit. Omstreeks 1800 begon men te lijmen met hars en papiermakers 'aluin' (aluminiumsulfaat): een verraderlijk goedje dat makkelijk met vocht reageert en dan zwavelzuur vormt.

Lompenpapier kon gelukkig wel een stootje velen omdat de lompenbewerking veel calcium en magnesium (dat het zuur neutraliseert) in het materiaal achterlaat. Omstreeks 1840 werd houtslijp als grondstof ingevoerd. Houtslijp bevat als structuurelement lignine ('houtstof') en cellulose ('celstof'), beide lange moleculen die erg gevoelig zijn voor zuur. Zuur doet ze uiteenvallen, verbrokkelen, en tot overmaat van ramp zijn de ligninebrokken geel tot bruin van kleur. Lignine-houdend ('houthoudend') papier verbrost en vergeelt waar je bijstaat. Een geluk dus dat men omstreeks 1900 steeds meer chemisch gewonnen houtcellulose voor papier gaat gebruiken. Daarin zit weinig of geen lignine.

Papier van voor 1800 is van behoorlijke kwaliteit, dat van 1800 tot 1850 (doorgaans lompen, maar met aluin) matig en dat uit de periode 1850 tot 1880 uitgesproken slecht. Dat papier is nauwelijks nog beet te pakken. Papier van na 1880 is zeer wisselend van kwaliteit, maar kranten zijn er altijd slecht aan toe.

Wie in de kelders van de KB, die veel kranten bezit, te dicht langs de kranten loopt doet wolken bruine snippertjes opstuiven. Ook veel revolutionaire pamfletten en brochures uit het begin van deze eeuw, noodgedwongen uit de goedkoopste papiersoorten samengesteld, dreigen het eind van de eeuw niet te halen. Direkt na de oorlog is op even slecht papier gedrukt.

Dat ook de moderne luchtverontreiniging de kwaliteit van het papier aantast vindt niet alleen theoretische ondersteuning (luchtvuil bevat vaak zuren) maar wordt ook door de praktijk bewezen. Hetzelfde boek dat decennia lang ligt opgeslagen in een bibliotheek van New York blijkt er veel slechter aan toe dan het boek dat al die tijd in het relatief schone Den Haag lag.

Enige weken geleden bracht het ministerie van WVC een rapport uit met aanwijzingen voor de bescherming van bibliotheken en archieven tegen vervuilde lucht. Een eerste weerslag van een TNO-studie waarvoor al in 1985 opdracht was gegeven. Goedkope maatregelen zijn: deuren dichthouden, fotokopieerapparaten verwijderen en muren kalken (witkalk absorbeert zuur.) De duurste oplossing is filters opnemen in de airconditioning.

Onderdeel van het 'Proefjaar massaconservering' is een omvangrijke schade-inventarisatie van boeken en stukken uit de KB en het Algemeen Rijks Archief (ARA). Per instituut zijn dit najaar, onder leiding van een statisticus, 3000 titels van na 1800 aselect uit de kasten getrokken. Per titel zijn een twintigtal gegevens genoteerd: bibliografische kenmerken en een beschrijving van zichtbare schade (schimmel, vliegepoep en rattevraat), maar ook de uitkomst van chemische en fysische analyses. Men bepaalde de zuurgraad (pH) van het papier (er zijn pH-waarden lager dan 3,5 gevonden, 7 is neutraal), het lignine en aluingehalte. Als maat voor de mechanische sterkte geldt het 'dubbelvouwgetal', dat is het aantal keren dat men een hoekje van een bladzijde heen en weer kan vouwen. (Beurtelings omhoog, naar achteren, weer omhoog, enz.) Het levert geen reproduceerbaar getal maar is als grove indicatie zeer bruikbaar en ook in het buitenland toegepast.

Een hoekje vers krantepapier breekt pas af na zo'n 300 keer vouwen, bankpapier kan duizenden keren hebben. De KB heeft zelftellende vouwmachines die veel werk uit handen nemen maar archiefstukken worden uitsluitend met de hand gevouwen: handvouwgetal. Veel aangetast en bros papier doorstaat nog geen 6 keer vouwen en het papier van de bijgaande illustratie (niet ouder dan 45 jaar!) niet eens een keer. De statistische verwerking van de schade-inventarisatie zal nog even duren.

Onderdeel van het 'proefjaar' zijn ook een bureaustudie naar een zestal massaconserveringsmethoden voor verzurend papier en praktisch onderzoek naar kleinschaliger conserveringsmethoden. Dat laatste zal worden begeleid door TNO in Delft, en hopenlijk financieel gesteund door EZ. Gisteren is het projectvoorstel bij het ministerie ingediend.

Het gemeentearchief van Helmond zal proberen de massa-ontzuringsmethode van de Amerikaanse onderneming Wei T'o Associates toe te passen op losse stukken. Wei T'o brengt de zuurgraad van papier naar neutraal met methyl-magnesium-carbonaat dat in organische oplosmiddelen (vooral, helaas, de ozonbedreigende freonen) is opgelost. Het laat bufferend magnesiumcarbonaat achter.

De firma Archimascon uit Heerhugowaard zal een in water opgeloste buffer in papier brengen. Kwestie van dompelen. Na het bloedstollende bad worden behandelde stukken en boeken bevroren en gevriesdroogd: dan zijn alle vastgekoekte bladen weer los. Een beproefde methode bij waterschade.

Restauratie-atelier Tiendschuur in Helmond ontwerpt een hele conserveringsstraat voor het handmatig conserveren.

Aan het peperdure massaconserveren (boekenkasten tegelijk) gaat Nederland nog niet beginnen. Het geld en de durf onbreekt, want niemand weet wat het lange termijn effect is van de hulp. De Library of Congress in Washington, die geen uitstel aandorst, conserveerde al veel boeken met een zelf ontwikkelde methode: verzuurd materiaal wordt met het gas di-ethyl-zink (DEZ) behandeld. DEZ laat zinkoxyde achter dat in het bufferend zinkcarbonaat overgaat. Akzo kocht de rechten van de methode en kondigde aan twee fabrieken voor conservering neer te zetten maar zag het daar nog niet van komen. Men vreest een te gering boekenaanbod. Een probleem is dat DEZ zeer explosief is.