MYLES HORTON; Een bescheiden wereldbestormer

Een bescheiden wereldbestormer The Long Haul. An Autobiography

door Myles Horton (met Judith Kohl en Herbert Kohl; inleiding door Bill Moyers) 231 blz., Doubleday 1990, f 52,25 ISBN 0 385 26313 9

Vlak voor zijn dood, in januari van dit jaar, vroeg Myles Horton zich af waarom de mens zo weinig van de vogels had geleerd. Volgens hem behoren de vogels tot de meest intelligente schepsels op aarde. Zij vervallen niet in de fout de wind te willen bevechten en veranderen tijdig van koers om de gewenste bestemming te bereiken. ' Waarom kunnen wij niet van weg veranderen om het gestelde doel te bereiken, ' aldus de vertwijfelde Horton, wiens gehele leven in het teken van een streven naar sociale verandering heeft gestaan.

Kort na zijn dood verscheen zijn autobiografie onder de titel The Long Haul. Blijkens dit boek was Horton een wereldverbeteraar met een groot aantal on-Amerikaanse trekken. Het was meestal in de natuur dat hij eenvoudige antwoorden op zwaarwichtige vragen vond. Bovendien leerde hij daar ook dat de mensheid niet vrij is totdat het gevecht voor de vrijheid wordt aangegaan. Toen hem gevraagd werd of in deze tijd van de-ideoligisering zijn voortdurende strijd tegen onrechtvaardigheid geen anachronisme was, reageerde hij schouderophalend met 'So what?'.

Links Amerika vereert Myles Horton als geen ander. De necrologie in The Progressive van januari vermeldde dat Norton tot zijn dood vocht 'om de vlam van zijn toorn brandende te houden'. Horton was degene geweest die in de jaren dertig ervoor had gezorgd dat de Amerikaanse vakbond CIO zich in de zuidelijke staten kon ontwikkelen. Hij was vanaf de jaren veertig blanken en zwarten voorgegaan in het gevecht tegen rassenscheiding en hij had in de jaren zeventig en tachtig, krachtig gefulmineerd tegen Amerika's grootste schande: de steeds groeiende groep daklozen in de steden. Vakbondsleider John L. Lewis, socialist Norman Thomas, Martin Luther King, burgerrechtenvoorman Bob Moses, en de Zuidafrikaanse dominee Desmond Tutu, werden naar eigen zeggen allen door Hortons toorn aangestoken. Maar in plaats van een vooraanstaande plaats in de media te claimen, heeft hij altijd de luwte van de natuur verkozen.

GEZWOEG

Horton werd op 9 juli 1905 in Savannah in Tennessee geboren, een plaats nabij de zuidelijke bergketen der Appalachen. De streek waar hij opgroeide was een van de minst ontwikkelde gebieden van Amerika. De Duitse, Schotse en Ierse immigranten die zich hier vestigden, konden niet vermoeden dat de vooruitgang hier pas zeer laat zou doordringen. Net als de meeste bewoners hadden Hortons ouders de grootste moeite om het bestaansminimum te halen. Naast gezwoeg op het land, probeerde men met baantjes als houthakker of mijnwerker in het dagelijks onderhoud te voorzien. In deze cultuur heerste de opvatting dat 'werk zonder lichamelijke inspanning geen werk was'. Leraren, dominees en dokters werden niet gepruimd, want ' wie zit en praat, wordt niet moe'.

In 1924 werd Horton aangenomen op Cumberland College, de enige school in de buurt, en in de vakanties gaf hij voor de Presbyteriaanse Kerk godsdienstles aan kinderen van houthakkers en mijnwerkers. Ook beklom de jonge Horton regelmatig op zondag de kansel om een dienst te leiden en een opzwepende toespraak te houden.

Uit The Long Haul blijkt dat het Horton niet verbaasde dat hij als leken-prediker snel geaccepteerd werd. ' Door de onderlinge afstand tussen de bewoners was de kerk een ontmoetingsplaats die in een gemeenschappelijke behoefte aan een verhaal voorzag, en behalve de zondag, waren dood en geboorte de gelegenheden om elkaar te ontmoeten'. Met melancholie kijkt hij terug op zijn toenmalige vakantiebaantje. Vooral het leiden van de collectieve begrafenissen, de 'memorial funerals', vond hij prachtig. Daarbij waren honderden mensen aanwezig. Samen met zijn collega-lekenpredikers vermaakte hij hen met wedstrijdjes wie de langste religieuze riedel kon houden. Saillant detail was dat de bijeenkomsten die Horton organiseerde door blank en zwart bezocht werden. Niemand, behalve de kerkleiding dan, tekende daar bezwaar tegen aan.

Zijn religieuze interesse en, naar eigen zeggen, 'natuurlijke leergierigheid', dreef hem in 1928 naar het Union Theological Seminary te New York, waar hij in contact kwam met de theoloog en filosoof, Reinhold Niebuhr. De eerste colleges die hij volgde, waren voor hem ontluisterend. ' Ik begreep werkelijk niet waar Niebuhr en de studenten over discussieerden. De uitbuiting van arbeid door kapitaal, de rassenscheiding, het waren allemaal onderwerpen die ik van nabij had meegemaakt, maar door het abstracte taalgebruik wist ik echt niet waarover men sprak.' Doordat Niebuhr veel zag in Horton, wist deze zijn achterstand op de andere studenten snel in te halen en, zoals dat vaak mooi in autobiografieen verteld wordt, kon hij zich spoedig ontwikkelen tot een opvallende student met uitgesproken politieke denkbeelden.

SOCIALISME

Naast het intellectuele gehalte, kenmerkte het docentschap van Niebuhr zich door een kritische houding jegens het Amerikaanse maatschappelijke systeem. Bij voortduring stelde hij de 'valse beloften' van het kapitalisme aan de kaak en begin jaren dertig presenteerde Niebuhr zich als iemand met grote sympathie voor het socialisme. Behalve dat hij zich in 1932 als kandidaat voor de Amerikaanse Socialistische Parij in New York opwierp, wist hij zijn studenten regelmatig te mobiliseren voor demonstraties inzake 'social issues'.

In Hortons stem klinkt dan ook die van Niebuhr door wanneer hij in zijn boek schrijft dat Roosevelts New Deal niet meer was dan een poging de bestaande kapitalistische orde in tact te houden om de werkelijke klassentegenstellingen te verhullen. Niebuhr overtuigde Horton bovendien ervan dat de sociaal zwakkeren hun positie alleen maar konden verbeteren als zij mondig werden gemaakt. Hen moest vooral worden geleerd te doorzien hoe het politieke proces in elkaar stak.

Na zijn studie voegde Horton de daad bij Niebuhrs woord en besloot in zijn geboortestreek een school op te richten met als doel zwarte en blanke arbeiders in politieke kwesties te onderwijzen. Zijn Highland Folk School was bedoelt als een kaderschool, waar plaats was voor iedereen die geinteresseerd was in de lotsverbetering van de bevolking in de Appalachen-regio. Opmerkelijk genoeg ontstond al snel een intellectuele verwijdering tussen Horton en Niebuhr. Want terwijl de leermeester onder invloed van het opkomende fascisme en nationaal-socialisme het faillissement van het Amerikaanse liberalisme en Europese socialisme uitriep en alleen nog maar oog had voor de zondigheid van de mens, ontwikkelde zijn pupil zich als de idealistische activist met een heilig geloof in het menselijk vermogen de samenleving te verbeteren.

Spoedig moest de optimistische Horton echter erkennen dat de staf van de school het edele motief om de inwoners van de zuidelijke Appalachen uit hun misere te helpen, verkeerd benaderde. ' We dachten dat de ons geleerde manier om problemen op te lossen, van toepassing was op de achterstandspositie van de mensen in de Appalachen. Op kwesties als arbeidsuitbuiting en lage lonen hadden we meteen stereotypen als 'schuld van het kapitaal' voorhanden en we adviseerden de aanwezigen dat zij zich moesten organiseren om looneisen te kunnen stellen. We realiseerden ons niet dat de zwarte werknemers van zo'n eis de dupe werden en ontslagen zouden worden. Bovendien merkten we dat de bezoekers van de school niet in staat waren duidelijk te maken wat zij van ons wilden. Hun zorg was alleen maar zich netjes te gedragen jegens ons academici, ' aldus Horton.

DEPRESSIE

Ondanks de moeizame start ontwikkelde de Highland Folk School zich binnen korte tijd tot een opleidingscentrum voor mensen die zich wilden inzetten voor de arbeiders in de streek. Zelfs midden in de depressiejaren verwachtten velen een spoedige industrialisatie van het Zuiden. Toen de CIO zich in 1935 in de zuidelijke staten trachtte te organiseren, kwam het voor niemand als een verrassing dat de vakbondsleiding 'Highlander' als opleidingsinstituut voor kaderleden aanwees. Het was de verdienste van Horton dat hij de van nature traditionele vakbondsmensen ervan wist te overtuigen dat zij zich met hun organisatiedrift ook op de zwarte werknemers moesten richten. Menigeen wist hij ervan te doordingen dat het tamelijk eenvoudig was de heersende segregatie in het Zuiden te doorbreken. Treffend in dit verband was zijn eigen optreden bij een staking van textielarbeiders voor hogere lonen. Horton zag dat de zwarte en blanke werknemers op de werkvloer ieder een eigen regenton hadden waaruit gedronken werd om de hitte in de fabriek en het stoffige werk te kunnen volhouden. Toen Horton onopgemerkt de 'blanke' regenton verwijderde, waardoor de blanke werknemers gedwongen werden uit de 'zwarte ton' een teug te nemen, kraaide geen haan meer naar een gescheiden watervoorziening.

De formele band tussen de Highland Folk School en de vakbond zou echter van korte duur zijn. Onder invloed van het Koude Oorlogsklimaat en het opkomende McCarthyisme ontwikkelde zich binnen de vakbondsleiding de neiging te breken met radicale sympathisanten. Over Horton kwam men tot de slotsom dat zijn pogingen tot desegregatie als het equivalent van communisme opgevat konden worden. Aangemoedigd door de lokale autoriteiten in Tennessee, werd zijn school bovendien afgeschilderd als een centrum voor spionage-activiteiten. In The Long Haul is Horton opvallend mild over deze aantijgingen en handelswijze van de CIO. Eigenlijk kon het hem niet zoveel schelen, want het instituut had zich inmiddels ontwikkeld tot het centrum waar de eerste burgerrechtenactivisten opgeleid werden.

Horton heeft de rassenscheiding nimmer geaccepteerd. Vanaf het moment dat de kerk kritisch op zijn gemengde bijeenkomsten reageerde, was het voor hem duidelijk dat de onder Presbyterianem veel gehoorde opmerking 'God heeft het zo gewild' niets anders was dan een legitimatie van segregatie. Daarom stond hij ook kritisch jegens de zwarte priesters die het lot van de negers in het Zuiden vergeleken met dat van de kinderen van Israel en tijdens de kerkdienst spirituals met een morele ondertoon zongen. Pas met de mobilisatie van burgerrechtactivisten kregen de religieuze liederen het politieke karakter die ze volgens Horton veel eerder hadden moeten hebben. Het was nota bene Hortons vrouw die de spiritual 'We shall Overcome' nieuw leven inblies. Nadien zou het als protestsong door de burgerrechtenactivisten bij sit-down demonstratie nog talloze malen ten gehore worden gebracht.

Vanaf de jaren vijftig leek Highlander wel een soort muziekschool. Songs als 'Oh Freedom' en 'We shall Not Be Moved' werden ingestudeerd zodat ze bij demonstraties in Selma en Birmingham dienst konden doen. Populaire linkse zangers als Woody Guthrie, Pete Seegers en Phil Oacks zouden door Highlander geinspireerd worden en zich als protestzangers onsterfelijk maken.

In deze tijd had Horton inderdaad het imago waarvan de vakbonden hem eerder hadden beschuldigd. Hij was een linkse radicaal die soms naar de werken van Marx en Lenin verwees en niet schroomde Washington verantwoordelijk te stellen voor alles wat met Amerika mis was. Misschien was dit wel de reden dat hij niet die vooraanstaande positie innam die andere leiders wel toebedeeld kregen. Martin Luther King, Stokeley Carmichael en Fanny Lou hadden overigens een grote bewondering voor Horton en bezochten dikwijls de Highlander School.

ZWARTE KIEZERS

In vergelijking met King was Horton radicaal. Terwijl King in 1961 als leider van de Southern Christian Leadership Conference (SCLC) een keurige burgerrechtenorganisatie van zwarte kerkelijke leiders het principe van geweldloosheid hoog in het vaandel had, constateerde Horton dat de burgerrechtenbeweging alleen maar wat kon bereiken indien zij zich extremistischer zou opstellen. Toen de SCLC merkte hoe moeilijk het was om zwarte kiezers in het Zuiden te laten registreren en bij deze pogingen vaak bedreigd werd, radicaliseerde zij inderdaad, maar volgens Horton niet genoeg. Grimmig merkte hij op dat de beweging te moralistisch over rassenongelijkheid sprak en met haar acties nimmer tot de wortels van economische ongelijkheid zou doordringen.

Volgens Horton was de burgerrechtenbeweging te heterogeen en te zwak georganiseerd en daarom teveel afhankelijk van charismatisch leiderschap; een bewering die hij in zijn autobiografie staaft met de constatering dat met het wegvallen van King de beweging snel haar laatste adem uitblies. Zijn overtuiging dat charisma het vuur van een politieke beweging dooft, verklaart waarom hij als activist zo weinig op de politieke voorgrond trad. Zelfs in de door hem mede georganiseerde marsen in het kader van de 'Poor People's Campaign' van 1968 liep hij achteraan. Omdat zijn overlijden in januari 1990 buiten de linkse kringen weinig aandacht kreeg, geheel overeenkomstig zijn bescheiden persoonlijkheid, is het begrijpelijk dat de inleiders van deze autobiografie hun bewondering voor de hoofdpersoon accentueren. Minder begrip is er op te brengen voor de magere toelichting op de politieke context waarin Hortons activisme zich afspeelde. Onbedoeld wordt hiermee Hortons bescheidenheid wel heel hard afgestraft.