Liefhebbers etnografica tonen topstukken

HILVERSUM, 17 nov. Vanaf vandaag zijn in het Rijksmuseum Kroller-Muller in Otterlo ongeveer 250 objecten tentoongesteld die men niet snel weer bij elkaar zal zien. Voor de tentoonstelling Sculptuur uit Afrika en Oceanie heeft een groot aantal etnografica-collectioneurs zijn mooiste stukken afgestaan.

De expositie is geen initiatief van het museum, maar van de Vereniging Vrienden van Ethnografica. Een klein, nog onbekend 'verbond', opgericht in 1983: 'Als verzamelaar ontmoetten we elkaar weliswaar op veilingen en bij gespecialiseerde handelaren, maar er doken zo vaak vraagtekens op bij het onderzoek naar bepaalde objecten, dat het me goed leek ons te verenigen', aldus voorzitter I. Vogelzang, cultureel antropoloog en oud-rector van een Hilversums lyceum.

Inmiddels telt de vereniging zo'n 150 leden. Museumconservatoren en deskundigen selecteerden sculpturen 'met de hoogste artistieke waarde'. Om sommige eigenaren niet voor het hoofd te stoten, want een foto in de catalogus, compleet met een iconografische analyse, vermeerdert de waarde van een stuk, en om de handel niet te bevorderen, want sommige collectioneurs zijn ook handelaar, blijven de deelnemende leden anoniem.

Niet alleen in Otterlo, Rotterdam en Leiden zijn op dit moment etnografica-tentoonstellingen ingericht, vanaf half december zullen in het Haags Gemeentemuseum eveneens beelden uit Afrika te zien zijn onder de titel Staande mens, voornamelijk objecten uit de Duitse Ludwig-collectie. Bovendien is deze week in het Volkenkundig Museum van Berlijn een bijzondere expositie met 130 Senufo-topstukken geopend. De Senufo, een volk van 1,5 miljoen mensen die onder meer in Ghana en in Mali leven, behoren tot de beste 'snijders' van Afrika. Het Berlijnse museum toont maskers, voorouderbeelden en versierde gebruiksvoorwerpen als lepels, muziekinstrumenten en deuren.

Na de grote Newyorkse tentoonstelling Primitivism in 20th Century Art, waar de nadruk lag op de invloed van etnografica op Europese kunstenaars als Picasso, Braque, Brancusi en Man Ray, lijkt de belangstelling voor het 'primitieve beeld' te zijn toegenomen. De tweedelige catalogus van het Amerikaanse overzicht behoort zelfs tot de best verkochte kunstboeken in Nederland.

Vogelzang: 'Meestal wordt het Westen geconfronteerd met de ellende van de ontwikkelingslanden, de beeldende kunst komt hier zelden aan bod. Dat verandert nu. Misschien krijgt een grotere groep mensen interesse omdat men uitgekeken raakt op de moeilijk toegankelijke eigentijdse kunst. Een andere factor zou kunnen zijn dat het verzamelen van etnografica financieel nog haalbaar is'.

Vogelzang tast in het duister over het aantal Nederlandse verzamelaars. Helaas kunnen we deze collectioneurs, vanwege de anonimiteit, niet vragen waarom zij juist primitieve kunst verzamelen. 'Sommigen zijn via de moderne kunst in aanraking gekomen met Afrikaanse sculpturen, anderen door hun vak, cultureel antropoloog bij voorbeeld, en er zijn ook verzamelaars die een aangeboren 'Fingerspitzengefuhl' voor deze kunstvormen bezitten. Bij studie van de kunstgeschiedenis negeert men de primitieve beeldhouwkunst trouwens volkomen'.

Spoorloos

In de meeste musea in West-Afrika wordt het nationaal erfgoed verwaarloosd. Door gebrek aan goede acommodatie gaan vele stukken verloren. Het Amerikaanse tijdschrift ARTnews gaf in zijn september-uitgave onder de kop 'Lost Heritage; the destruction of African art' een lange reeks schrijnende voorbeelden. De beelden rotten er weg door gebrekkige klimatologische omstandigheden, ze worden soms binnen enkele dagen verpulverd door insecten, of ze verdwijnen spoorloos, want museumbewaking ontbreekt veelal. Kwetsbare weefsels verkleuren in groten getale doordat het zonlicht vrij spel heeft in de expositieruimten.

Het Nationaal Museum in Dakar (Senegal) zit al jaren met lege zalen vanwege een lekkend dak. Andere musea hebben last van corrupte medewerkers die het museumbezit aan buitenlanders verkopen, met name in Amerika en Frankrijk wordt etnografica begeerd. Afrikaanse staten, waar exportrestricties nauwelijks effect sorteren, missen het geld om primaire voorzieningen te treffen. Om voorwerpen uit te roken, een eerste vereiste bij de conservering van houten objecten, doopt men ze maar in de dieselolie. Museale budgetten varieren van duizend tot vijfduizend gulden per jaar. Niet verwonderlijk, want Afrikaanse regeringen hebben andere zorgen.

De minimale waardering voor het eigen cultureel erfgoed en de schromelijke verwaarlozing zijn volgens Westafrikaanse deskundigen vooral te wijten aan de perceptie van de voorwerpen. Voor de Afrikaan telt vooral de functie, men heeft nauwelijks oog voor de esthetiek die de Westerling zo aantrekt. Worden voorouderbeelden of andere rituele objecten eenmaal uit het dorp van herkomst naar een museum overgebracht, dan verliezen ze de kracht die ze voor de plaatselijke bevolking bezitten. Daarmee is ook de interesse verdwenen.

Vogelzang: 'Het Afrikaanse patrimonium wordt alleen in het westen goed geconserveerd. De meeste houten beelden gaan in Afrika zelf niet langer dan tien jaar mee. Oudere sculpturen van tachtig, negentig jaar oud vindt men alleen nog in Europa en Amerika. Door het verdwijnen van cultussen krijgen met name deze oudere beelden een veel hogere waarde'.

De teloorgang van het traditionele geloof heeft verder tot gevolg dat het aantal begaafde snijders afneemt. Nieuwe generaties brengen weinig interesse meer op voor het ambacht. Bij sommige bevolkingsgroepen neemt het plastic de plaats van het hout al in. Het overlijden van een tweeling was bij de Yoruba in Nigeria aanleiding om zogenaamde tweeling-beeldjes te laten snijden, zodat de geesten van de overledenen niet bleven ronddolen, maar in diezelfde sculpturen tot rust kwamen. De Yoruba kopen tegenwoordig liever plastic beeldjes. Goedkoper en minder kwetsbaar.

'Wij hopen met deze tentoonstelling de interesse voor primitieve kunst verder aan te wakkeren', zegt Vogelzang. 'Vindt u het trouwens niet bijzonder dat een rijksmuseum en een particuliere vereniging zo nauw samenwerken?'