Knelgeval

Voordat boer Van der Zalm senior in 1983 ging genieten van zijn oude dag moderniseerde hij zijn bedrijf opdat ook zijn zoon nog een boterham kon verdienen in de melkveehouderij. Zijn twaalf versnipperde landjes op de Betuwe werden in overleg met de dienst Landinrichting herverkaveld tot een groot perceel. Om in aanmerking te komen voor herverkaveling moest duidelijk zijn dat het bedrijf van de oude boer ook in de toekomst zou blijven bestaan. Daarom vormden vader en zoon in 1982 de maatschap Van der Zalm.

Landbouwautoriteiten rekenden Van der Zalm senior voor dat een rendabele bedrijfsvoering alleen door schaalvergroting te realiseren was. Dat betekende dat hij zijn veestapel van zeventien melkkoeien aanzienlijk moest uitbreiden. Er volgde een investering van bijna twee en een halve ton in de bouw van een nieuwe ligboxenstal voor 74 melkkoeien. Van der Zalm junior zegde in november 1983 zijn dienstbetrekking bij het gasbedrijf op en ' zette zijn schouders er onder', zoals hij het zelf uitdrukt. Nu, zeven jaar later, staan er in die grote stal slechts 48 koeien. Oorzaak: in april 1984 vaardigde de minister van landbouw de Beschikking Superheffing uit. Om het melkoverschot in de Europese Gemeenschap terug te dringen werd de melkproduktie van boeren aan banden gelegd. Van der Zalm junior meent dat zijn belangen bij de uitvoering van die quoteringsmaatregel geschaad zijn.

Het college van beroep voor het bedrijfsleven is het administratiefrechtelijk orgaan waar boeren hun klachten kunnen voorleggen. Het college bestaat sinds 1954 en telt drie verschillende kamers. De rechters van het college zijn in rang en salariering gelijk aan de raadsheren van het Haagse gerechtshof. Een administratief medewerker meldt dat nog onbekend is hoeveel zaken het college jaarlijks afhandelt. ' We zijn dit jaar begonnen met een telling.' Wel is duidelijk dat een van de kamers van het college bijna full time bezig is met superheffingszaken.

Vandaag zit Van der Zalm junior, stevig gebouwd, kort geknipt stug haar, snor, samen met zijn gemachtigde, mr. H. J. Dankot, voor de rechters van het college. De tegenpartij namens het ministerie van landbouw is mevrouw mr. J. A. Hylkema, in een blauw jasje en blauw-wit gestreepte rok tot op de kuit. Eerder heeft Van der Zalm al een kort geding - voorlopige voorziening - over deze zaak verloren. De zogeheten 'bodemprocedure' die daarop volgde, lag maanden stil omdat het college in een vergelijkbare zaak een procedure voerde bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in Luxemburg. Dit wordt de laatste etappe van een reeds vijf jaren slepend juridisch gevecht.

Het college van beroep is ondergebracht in een anoniem kantoorgebouw aan de Lutherse Burgwal in het centrum van Den Haag. Het zaaltje heeft een laag okergeel systeemplafond, blauwe vloerbedekking en enkele tientallen stoelen met mauve bekleding. Het drie personen tellende rechtscollege, onder voorzitterschap van vice-voorzitter mr. D. van Wagtendonk, is gezeten voor de matglazen ramen in de muur. Afgezien van de griffier en de partijen is het leeg in het zaaltje.

Vanochtend zijn al twee andere boeren met superheffingsproblemen verschenen. Van Wagtendonk zet er vaart achter. Al voordat boer Van der Zalm en zijn raadsman zich goed en wel geinstalleerd hebben, opent Van Wagtendonk de zitting. De draad wordt schijnbaar willekeurig opgenomen op het punt waar de partijen in de schriftelijke wisseling van argumenten gebleven waren. ' Ons standpunt is dus dat de maatschap Van der Zalm feitelijk pas in 1983 begon', begint Dankot. ' In 1982 heeft niet de maatschap geproduceerd maar Van der Zalm senior. De afschriften van de melkfabriek bewijzen dat. Onze stelling is dat de maatschap Van der Zalm in aanmerking dient te komen voor de startersregeling.'

Nadat in 1984 de superheffing werd ingevoerd, bleek al snel dat een groot aantal melkveehouders zich benadeeld voelde. De hoofdregel van de quoteringsmaatregel luidde dat de boeren voortaan 8,65 procent minder melk mochten produceren dan in het jaar 1983. Over alles wat zij meer produceerden, moest een superheffing betaald worden. Terstond meldden zich boeren bij het ministerie die betoogden dat 1983 nou net geen goed beeld gaf van hun produktie. De boer was ziek geweest of het vee was ziek geweest of het bedrijf was maar net aan het beginnen. Er bestaat sinds begin dit jaar zelfs een Stichting Knelgevallen Superheffing, voor en door boeren die zich door de wetgeving gedupeerd voelen.

Er kwam een commissie die de regeling voor de verschillende categorieen klagers aanpaste. Zo kwamen er criteria op grond waarvan de melkproduktie voor 1983 geschat kon worden. Dat leverde voor Van der Zalm de volgende rekensom op: zijn nieuwe stal biedt plaats aan 74 koeien, daarvan moesten twaalf koeien, die in de oude stal pasten, afgetrokken worden. De uitbreiding was dus 62 koeien. Maar hiervan moest volgens de criteria weer twintig procent worden afgetrokken: resteerden 49,6 koeien. Deze koeien produceerden (in 1984) gemiddeld 5.500 liter melk per jaar: bij elkaar 272.800 liter. (Inmiddels produceren Nederlandse koeien gemiddeld 6.600 liter) Dat was het geschatte quotum over 1983 waarvan dan weer de 8.65 procent van de superheffingsregeling afgetrokken moest worden: bleef over 238.000 liter. Het ministerie had bij de berekeningen een fout gemaakt. Volgde een herberekening: Van der Zalm kreeg een quotum van 297.000 liter melk. Voor boeren die in 1983 een bedrijf begonnen waren, gold echter nog een bijstelling: zij mochten in plaats van twintig, tien procent aftrekken.

De kern van het geschil voor het college van beroep draait om die tien procent: Van der Zalm stelt dat hij in 1983 begon en dat hij dus recht heeft op die startersregeling, maar het ministerie onkent dat. De maatschap was immers al een jaar daarvoor opgericht. Voor Van der Zalm betekent tien procent minder aftrek van de geschatte veestapel in 1983 zo'n 35.000 liter melk extra. Omgerekend in koeien zou dat neerkomen op een jaarlijks netto verlies van 12.000 gulden.

Dankot betoogt dat de maatschap misschien wel formeel in 1982 was opgericht, maar dat dit alleen gebeurde op aandrang van de landbouwautoriteiten om in aanmerking te komen voor herverkaveling. ' Pas in 1983 zien we dat de maatschap operationeel wordt. Van der Zalm junior komt in het bedrijf. Er worden leningen afgesloten. Er wordt geinvesteerd.'

Het rechtscollege luistert naar het betoog en Van Wagtendonk geeft vervolgens het woord aan Hylkema, de gemachtigde van de minister. Zij begint een binnensmonds betoog over aantallen 'standplaatsen' in een eventueel te bouwen stal, over een 'in casu in 1982 gevormde maatschap'.

Van Wagtendonk: ' Mag ik u onderbreken. Verzoeker wil alleen van twintig naar tien procent. U geeft hier een spontaan verweer dat niet is toegesneden op de stelling van verzoekers.'

Zijn mede-rechter mevrouw mr. C. M. Wolters valt hem bij: ' Ja, deze opmerkingen hebben wij reeds gelezen in uw nota van dupliek.'

Gemachtigde Hylkema past haar betoog aan en stelt dat de minister ' de starterspremie niet van toepassing' acht. ' De zoon heeft geen schulden aangegaan. De vader heeft zelf uitgebreid met het oog op bedrijfsopvolging.'

Als zij is uitgesproken, doet voorzitter Van Wagtendonk een 'feitelijke constatering': ' Op 1 januari 1982 is er een maatschap. Vader produceert niet alleen voor zichzelf maar ook voor de andere maat. Het is dus wat gekunsteld om te zeggen dat hij alleen voor zichzelf geproduceerd heeft.'

Dankot probeert nogmaals zwakjes een onderscheid aan te brengen tussen de maatschap die er formeel wel was in 1982 maar in de praktijk pas in 1983. Achteraf zal hij zeggen: ' Juridisch gezien lopen we zeker de kans dat we met het bestaan van die maatschap om de oren geslagen zullen worden.'

Van Wagtendonk wil van Van der Zalm zelf horen in hoeverre hij al voor 1983 betrokken was bij de produktie op het bedrijf van zijn vader. ' Ik neem aan dat je langzamerhand in zo'n bedrijf groeit. Hoe is dat gegaan?'

Van der Zalm ontkent dat de overname geleidelijk gegaan is. Hij ziet het moment in 1983 dat hij zijn baan opzegde als het begin van zijn carriere als boer. Als hij zou toegeven in 1982 al mede-producent te zijn geweest, loopt hij zijn tien procent starterspremie mis. Van Wagtendonk vraagt verder. ' Als je de zaak van je vader gaat overnemen ligt het toch voor de hand dat je je er mee bemoeit. Ik neem aan dat u 's ochtends en 's avonds, in weekends en vakanties gewoon meewerkte.'

Van der Zalm kan de redelijkheid van die opmerking nauwelijks betwisten. Nadat de leden van het college nog eens zijn ingegaan op enkele detailvragen, sluit de president de behandeling. Uitspraak doet het college over zes weken, ' of zoveel eerder als mogelijk is'.

' Ik denk niet dat ik kan winnen', overpeinst Van der Zalm achteraf, ' Maar ja, je grijpt iedere kleine kans die je hebt.'