JOURNALIST ZIJN IN CHINA

Een kwestie van karakter door Liu Binyan 328 blz., Nijgh en Van Ditmar 1990, vert. uit het Engels door May van Sligter (A Higher Kind of Loyalty, 1990), f 49,90

ISB ISBN 90 2365 5870 1Begin 1958 viel de Chinese journalist en schrijver Liu Binyan voor de eerste keer in ongenade. Hij kreeg het etiket 'kap' zeggen de Chinezen 'extreem rechts element' opgeplakt, verloor zijn partijlidmaatschap en werd naar een boerderij buiten Bejing gestuurd voor een 'heropvoeding door middel van handenarbeid'.

Daar was een maandenlange periode van beschuldigings- en zelfbeschuldigingssessies aan voorafgegaan. Mao Zedong had in februari 1957 het startsein gegeven voor de campagne om 'honderd bloemen te laten bloeien en honderd denkwijzen te laten wedijveren'. Voortaan mochten de Chinezen in het openbaar corruptie en machtsmisbruik van partijfunctionarissen aan de kaak stellen om 'de band tussen partij en volk te herstellen'.

Mao's opzetje bleek, in de woorden van Liu, een 'valkuil voor miljoenen'. Het ging de voorzitter niet om openheid, maar om het ontmaskeren van zijn 'rechtse' vijanden en het afdwingen van absolute gehoorzaamheid aan zijn eigen 'linkse' koers. Velen die hun nek uitstaken door kritiek te leveren op partijbonzen, kwamen zelf in ernstige moeilijkheden. De honderdbloemen campagne mondde uit in een 'anti-rechtse' heksenjacht waarvan, zo schrijft Liu in zijn deze week in Nederlandse vertaling verschenen memoires Een kwestie van karakter, meer dan een miljoen mensen het slachtoffer werden, hijzelf inbegrepen.

Liu had maandenlang geweigerd in het openbaar zijn 'fouten' te belijden. Die hadden er onder meer uit bestaan dat hij kritische reportages over corrupte partijfunctionarissen had geschreven, waardoor hij 'het imago van de partijleiding (had) besmeurd' en 'het beleid betreffende de eliminatie van contrarevolutio-naire elementen en de invoering van socialistische democratische centralisatie zwartgemaakt'.

Ten slotte zag hij in dat verder verzet nutteloos was en eind 1957 besloot hij te bekennen. Tijdens een van de laatste kritieksessies van de staf van het Nieuwsblad voor China's Jeugd, waaraan hij toen verbonden was, zei hij: ' Mijn geest is ondergedompeld in bourgeois-ideologie en individualisme. Al mijn woorden en daden komen voort uit mijn geest en aangezien mijn geest volkomen vergiftigd is, kan er toch niets goeds uitkomen?' Toen Liu dat gezegd had, ' slaakte zowel ik als de zaal een zucht van opluchting'.

HEROPVOEDING

Het hoge woord was eruit. Maar toen de waarnemend secretaris van het partijcomite van hem verlangde dat hij ook nog eens zijn 'politieke ambities achter (zijn) rechtse woorden en daden' zou bekennen, weigerde Liu. ' Ik was verbijsterd. (...) Hij wilde dat ik bekende dat ik de partij omver wilde werpen. Dat ging echt te ver!' Het duurde nog enkele weken voordat hij ook deze laatste bekentenis had afgelegd. Toen werd hij eindelijk met rust gelaten. Enkele maanden later werd hij voor zijn heropvoeding de stad uitgestuurd.

Hij bleef tweeentwintig jaar lang een uitgestotene, op een paar maanden voor het begin van de Culturele Revolutie in 1966 na, toen hij tijdelijk werd gerehabiliteerd. Hij verbleef dertien jaar lang als dwangarbeider op het platteland, en onderging talloze vernederingen. Maar het kwam nooit in zijn hoofd op om het communistische systeem als zodanig te verwerpen. Hij zag de eindeloze reeks van ideologische terreurcampagnes, moord, uitbuiting en bedrog waaraan de Chinese Communistische Partij zich sinds 1949 vrijwel onafgebroken heeft bezondigd, als een tijdelijke misstand die op het conto van een helaas tamelijk groot aantal corrupte kaderleden geschreven moest worden. Liu weigerde ook maar enig moment te overwegen dat de marxistische ideologie als zodanig misschien wel elementen in zich bergt die zulke misstanden vrijwel onvermijdelijk maken.

In 1979 werd Liu gerehabiliteerd, na de val van de Bende van Vier en het aan de macht komen van Deng Xiaoping. Hij werd 'ontkapt' als 'extreem rechts element', werd opnieuw partijlid, en ging weer aan het werk als verslaggever bij de partijkrant het Volksdagblad. Ook begon hij weer te schrijven voor literaire bladen.

In deze periode ontwikkelde hij het genre van de literaire reportage waarin hij fictieve elementen door de verhaalslijn mengde om de essentie duidelijk te maken zonder sommige functionarissen al te uitdrukkelijk voor de voeten te lopen. Het leidde er toe dat hem van hogerhand verdraaiing van de feiten voor de voeten werd geworpen, maar het maakte hem bij het publiek onzeglijk populair. Mensen begonnen hem op de redactie en zelfs thuis op te zoeken met hun klachten. Liu schreef op grond daarvan menige onthullende reportage, maar dat werd hem door de partijleiding niet in dank afgenomen.

BELEDIGING

Tijdens diverse campagnes, zoals die tegen de 'geestelijke vervuiling' in 1983 en tegen de 'bourgeois liberalisering' in 1986/87, werd Liu het vuur na aan de schenen gelegd. Ten slotte werd hij in januari 1987 opnieuw uit de partij gestoten, precies acht dagen na de politieke val van zijn beschermheer Hu Yaobang, die verantwoordelijk was geweest voor zijn rehabilitatie acht jaar daarvoor.

Liu's reactie was typerend voor de partijman die hij in zijn hart altijd is gebleven: ' Uitstoting uit de partij was een grote belediging voor mij.' Bij het lezen van zo'n passage wrijft men de ogen uit. Honderden bladzijden lang zijn we in Een kwestie van karakter vergast op een litanie van onrecht en ellende veroorzaakt door de leiding van de CCP, en de schrijver is beledigd omdat hij uit die maffiabende wordt verwijderd! Hoe is het mogelijk.

Tijdens zijn journalistieke werk in de jaren tachtig werd het Liu langzaam duidelijk dat van liberalisering onder de nieuwe leider Deng Xiaoping niets terecht zou komen. Reeds de afkondiging door Deng van de leus ' Houd de Vier Hoofdprincipes Hoog en Bestrijd de Liberalisering' in 1979 had hem duidelijk gemaakt: ' de partijleiding wilde de hervorming tot economisch gebied beperken en tolereerde geen aantasting van de bestaande politieke orde en ideologie.' De drie achtereenvolgende zuiveringen van de jaren tachtig en zijn eigen uitstoting uit de partij bevestigden hem in zijn pessimisme.

Maar Deng en de zijnen wilden wel graag in het westen voor liberaler dan hun voorgangers worden aangezien, en daarom hielden zij Liu niet tegen toen hij in 1988 op uitnodiging van Harrison Salisbury naar de Verenigde Staten ging om daar lezingen te houden aan een groot aantal universiteiten. En daar zit hij nog steeds. Want in juni 1989 gebruikte Deng het leger om uiterst bloedig de democratiseringsbeweging van studenten en intellectuelen in Beijing te onderdrukken , en het leek Liu onder die omstandigheden maar beter niet naar China terug te keren.

In de VS lijkt Liu nu eindelijk ook zijn illusies over een rol voor communisme, marxisme, maoisme of enig verwant 'isme' in het China van de toekomst te zijn kwijtgeraakt. ' Het lijdende Chinese volk heeft (...) uiteindelijk al zijn illusies over de Chinese Communistische Partij verloren, ' schrijft hij. Maar nog steeds blijft de onverbeterlijke communist Liu Binyan dat in zijn hart jammer te vinden. Want niet de ideologie of zelfs de partij die haar uitdraagt, heeft volgens hem de schuld, maar een kleine groep leidende figuren die haar hebben misbruikt om veertig jaar lang het Chinese volk te onderdrukken, misleiden en mishandelen. ' Ik heb mijn jeugd opgegeven om de Communistische Partij te steunen in haar strijd de staatsmacht te grijpen. En nu heeft een handvol tirannen de partij verraden, zichzelf veranderd in vijanden van het volk in de ware zin van het woord.'

MOERAS

De rol van de Chinese Communistische Partij is binnen afzienbare tijd uitgespeeld, dat hebben nu ook hervormingsgezinde communisten als Liu Binyan in de gaten. De bloedig onderdrukte democratiseringsbeweging van het Tiananmen-plein heeft ' een vuur in de harten van talloze mensen ontstoken', schrijft hij. En hij voorspelt: ' De woede van het volk zal zich uiten in gewelddadige handelingen van verzet en in langzaam-aan-acties beide van ongekende omvang(...) Er zullen politieke en economische crises ontstaan, totdat de regering uiteindelijk in het door haar zelf geschapen moeras ten onder zal gaan.' Voor het Chinese volk valt te hopen dat dat niet te lang op zich zal laten wachten.

Een kwestie van karakter is het relaas van een rechtschapen man, die het ideaal van zijn jeugd in vuur en rook ziet opgaan. En van een koppig man, die altijd aan de oorspronkelijke inhoud van dat ideaal (wat dat ook moge wezen) is blijven vasthouden. Het boek is geschreven in een heldere stijl, maar helaas behoorlijk saai. Het kostte mij grote moeite geconcentreerd te blijven bij een ruim driehonderd bladzijden lange en helaas vrijwel van humor of ironie gespeende opsomming van onrecht en ellende. Liu Binyan schrijft nogal afstandelijk en weinig evocatief. Daardoor is zijn boek een schier onafgebroken inventarisatie van kommervolle situaties geworden, zonder dat de mensen die daar een rol in spelen tot leven komen. Maar als boekhoudkundig verslag van een ca-tastrofale mislukking heeft het zeker zijn waarde. Misschien moest Liu die stylistische afstand ook wel in acht nemen, omdat hij anders al die ellende nooit op papier had gekregen.

De vertaling uit het Engels door May van Sligter is kundig. Wel had er nog best een corrigerende redacteurshand doorheen gemogen. Nu zijn er nogal wat foutieve formuleringen blijven staan als ' de hoge inflatie van de afgelopen 40 jaar ... hadden de levensstandaard verlaagd' ; ' een lid van het Politbureau ... die wist' ; ' het jonge paar ... hun huwelijk' ; en ' zowel Chen Shizong als Ni Yukian waren geboren'. Ook het aantal zetfouten is helaas tamelijk hoog. Een pluspunt is de uitgebreide index, die het boek de toegevoegde waarde van naslagwerk verleent.