HUIZINGA'S EIGEN HERFSTTIJ

J. Huizinga. Briefwisseling II. 1925-1933 door Leon Hanssen, W. E. Krul, Anton van der Lem (red.) 498 blz., Veen/Tjeenk Willink 1990, f 65, -

ISBN 90 204 1991 9

In 1925 was Johan Huizinga tweeenvijftig jaar oud en dom weg ongelukkig. Hij werd in Nederland, en steeds meer ook daarbuiten, geacht als belangrijk historicus, maar was bevangen door persoonlijke neerslachtigheid en wetenschappelijke twijfels. Het leek alsof zijn bloeitijd, met als apotheose de publikatie van Herfsttij der middeleeuwen in 1919, nooit meer terug zou komen. Zijn 'heldere jaren', zoals hij zelf het lange broeden op zijn hoofdwerk omschreef, waren al in 1914 ruw afgebroken door het overlijden van zijn echtgenote Mary Vincentia Schorer. De overgang van Groningen naar Leiden als hoogleraar algemene geschiedenis in datzelfde jaar had zeker ook een therapeutische achtergrond, maar scheen niet echt te baten. Toen in 1920 ook nog een van zijn zonen stierf, verzeilde Huizinga in een diepe crisis.

Voorheen is wel betoogd dat de koele ontvangst van Herfsttij door sommigen van de oudere generatie vakhistorici, zoals Samuel Muller Fzn., de 'pontifex maximus' van het geschiedkundig establishment, Huizinga's geestesgesteldheid ook niet opgeruimder maakte. Maar gezien het enthousiasme in de overige kritieken, lijkt dat een te sombere voorstelling van zaken.

In geschiedkundige zin waren de jaren twintig voor Huizinga in ieder geval geen opmerkelijk rijke tijd, afgezien van de op bestelling geschreven biografie Erasmus (1924), waarover hij zelf niet erg tevreden was. Een beoogd nieuw groot werk over de culturele bloei in de twaalfde eeuw bleef voor altijd steken in wat vingeroefeningen. Wel verscheen een levensschets van zijn in 1925 overleden vriend Jan Veth, de portretschilder en kunstcriticus, die hij had leren kennen in de kring rond het blad De Kroniek.

Zijn dood had Huizinga zeer aangegrepen. ' Je stem klonk zoo ver en zoo anders, ' schreef Richard Roland Holst hem daags na het gebeuren, ' dat ik nauwelijks aanneem dat ik je werkelijk gesproken heb.' Huizinga's geschreven eerbetoon kreeg onmiskenbaar een sterk autobiografisch karakter. Leven en werk van Jan Veth verscheen in 1927 en onthult veel over de cultuurhistorische koerswending die Huizinga in deze periode doormaakte. Meer dan voorheen probeerde hij de grenzen tussen geschiedwetenschap en kunst, tussen de esthetische en de historische gewaarwording, scherp te trekken. De levensschets werd weinig minder dan een afrekening met de Beweging van Tachtig, waardoor Huizinga in zijn jeugd zo beinvloed was geweest, maar die hij nu omschreef als een verschijnsel dat ' aan de Nederlandse beschaving veel schade heeft gedaan'.

PESSIMISME

Het was deze toenemende aversie tegen het esthetiserende, tegen alle varianten van de Romantiek, tegen de hoogmoed van de modernistische kunstopvattingen en tegen het subjectivisme, zowel als een toenemend pessimisme over zijn eigen tijd, die het intellectuele decor bepalen van het zojuist verschenen tweede deel van de Huizinga-correspondentie, J. Huizinga. Briefwisseling II. 1925-1933. Deze achtergrond maakt ook duidelijk waarom in dit deel enkele tamelijk uitvoerige reacties van Huizinga zijn te vinden op kritische opmerkingen in brieven van bijvoorbeeld Ter Braak en Martinus Nijhoff. En dat terwijl van Huizinga toch maar zeer weinig postale beschouwingen zijn overgeleverd. Onbeduidende kattebelletjes, vrijwat officiele epistels en een beperkt aantal persoonlijke brieven (bezorgde notities aan en over zijn kinderen, die niet in de sporen van hun vader traden, condoleances, en wat reisverslagen), dat is al wat ons rest. Correspondentie met cultuurhistorische overpeinzingen was niet bedoeld voor de eeuwigheid. Klaarblijkelijk op zijn verzoek hebben zijn belangrijkste vrienden, zoals Richard en Henriette Roland Rolst en Andre Jolles, zijn brieven vernietigd. Dus wat zijn meest nabije geestverwanten betreft, zijn er in dit tweede deel weer veel brieven aan Huizinga, maar slechts een beperkt aantal brieven van Huizinga.

Het is een leemte die de hele publikatie van de Huizinga-correspondentie treft, maar die haar niet minder de moeite waard maakt. Net zoals het vorig jaar gepubliceerde eerste deel is dit deel prachtig uitgevoerd, een hoogstandje van historisch speurwerk, met geserreerd commentaar dat door zijn beknoptheid slechts doet smachten naar meer.

Het rechtstreeks belang van het nu verschenen deel schuilt vooral in de publikatie van brieven die te maken hebben met de geruchtmakende kwesties waarin Huizinga tussen 1925 en 1934 betrokken raakte. Zijn kalme leven van universitaire verplichtingen, lange reizen naar Amerika en Nederlandsch Indie, en een groeiende hoeveelheid officiele functies, werd tenminste drie keer ernstig opgeschrikt: door zijn verwoede, maar vergeefse pogingen zijn vriend Andre Jolles benoemd te krijgen als hoogleraar, door de onthulling van het plagiaat dat zijn vriend H. Th. Colenbrander had gepleegd in 1933, en door zijn botsing met de antisemitische Duitse schrijver Johannes von Leers tijdens een Leids universitair congres in datzelfde jaar. Het waren stuk voor stuk affaires waarvan de pers indertijd bol stond, en die de wetenschappelijke wereld naar adem deden happen.

DETECTIVE

De schaarse brieven met betrekking tot deze zaken geven dit boek hier en daar de allure van en spine-chilling detective-verhaal. Ik althans las met huiverend genoegen hoe Huizinga, die 'onverbeterlijke dagdromer'zoals hij zichzelf eens omschreef, bij deze incidenten naar buiten trad als de Dirty Harry van de Nederlandse historiografie: onbuigzaam, doortastend, en zich vanuit een eigen ethiek voorwaarts stortend zonder rugdekking!

De kwestie-Jolles is een enigszins bizarre episode in de Nederlandse wetenschapsgeschiedenis. Huizinga kende Andre Jolles (1874-1946) al uit de begintijd van De Kroniek, en waardeerde diens breed uitwaaierende geest. Jolles had zich bij gebrek aan beter gevestigd als hoogleraar Nederlands in Leipzig. Bijdragen aan De Gids en vooral een uitvoerige briefwisseling met Huizinga waren zijn 'life-line' met het vaderland. Huizinga's pogingen zijn vriend een academische werkkring in Nederland te bezorgen, culmineerden in een ongekend duw-en trekwerk toen de Amsterdamse leerstoel kunstgeschiedenis en archeologie in 1926 vrijkwam.

In het kader van de verwetenschappelijking van de humaniora was echter bij de universiteit het plan gerezen de leerstoel te splitsen en vakwetenschappers te benoemen. Dat zou de doodsteek voor de kansen van Jolles betekenen. Huizinga liet een cascade los van persoonlijke interventies, brieven, proclamaties en stukken in diverse kranten. De kwestie sleepte uiteindelijk meer dan een jaar in de vorm van een met ongekende openheid gevoerde pennestrijd. Onderwijl waren er evenwel buitenlandse deskundigen geraadpleegd, die zo blijkt in dit boek een vernietigend oordeel over Jolles velden. Zijn kandidatuur was in hun ogen 'einfach lacherlich', hijzelf werd afgedaan als iemand met de geestelijke diepgang van 'ein guter Kinodirektor'. De universiteit kwam tot de conclusie dat Jolles 'volkomen ongeschikt' was voor een hoogleraarschap.

De teleurstelling bij Huizinga en de bitterheid bij Jolles waren groot. Huizinga moet gevoeld hebben dat de opmars van de moderne wetenschapsopvattingen, met vooral 'zure vak-pedanten' (zoals zijn vriend Jan Kalff het verwoordde), ook knaagden aan zijn eigen visie op kunst en geschiedenis als een terrein, een terrein dat universele geesten onbelemmerd moesten kunnen doorzwerven. Jolles bekeerde zich enkele jaren later tot het nazisme. In 1933 zou dit leiden tot een dramatische breuk tussen de twee. Jolles verbrak de jarenlange vriendschap, 'met een woord', schreef Huizinga in zijn autobiografische schets Mijn weg tot de historie. Over deze episode is weinig in correspondentie bewaard, alleen een als troostend bedoelde brief van Richard Roland Holst: ' Dat hij Nazi geworden is, bevreemdt mij niet, hij heeft niet zoo maar een Nero-kop voor niets.'

PLAGIAAT

De breuk met Jolles was niet het enige waardoor 1933 voor Huizinga uiterst enerverend werd. Het jaar begon met de herdenking aan de Leidse universiteit waar Huizinga juist deze periode rector magnificus was van de vierhonderdste geboortedag van Willem van Oranje. Huizinga's oude vriend en collega H. Th. Colenbrander hield in aanwezigheid van de voltallige koninklijke familie een gedenkrede over prins Willem, die ook het onderwerp was van een juist tevoren door hem gepubliceerd artikel in De Gids (waarvan hij ook redactielid was). Een week later onthulden de jonge historicus Pieter Geyl en de jonge literator P. N. van Eyck dat dit stuk zozeer leunde op het werk van de Belgische historicus Henri Pirenne dat van flagrant plagiaat gesproken moest worden.

Huizinga had speciaal voor Van Eyck geen bijzondere sympathie. Nog in 1930 had die hem in het overigens onbeduidende tijdschrift Leiding scherp aangevallen op zijn bundel Cultuurhistorische verkenningen. Geyl was indertijd wel zeer geimponeerd geweest door de kritiek van Van Eyck. ' Als H.'s reputatie het overleeft, zal het alleen te wijten zijn aan de omstandigheid dat Leiding maar 100 abonnementen heeft, ' schreef hij op de hem eigen wat hooggespannen toon.

Dit alles nam niet weg dat Huizinga in de kwestie-Colenbrander de zijde van het duivelse duo koos. Anders dan velen in de historische wereld, die vooral hun toorn richtten op de brengers van de slechte boodschap.

Uit brieven van derden blijkt dat het juist Huizinga was die Colenbrander ' het hardst beoordeelde'. Martinus Nijhoff schreef in deze dagen aan Andriaan Roland Holst: ' Volgens Huizinga kan C. beter zijn baan als professor neerleggen, voor De Gids bedanken en in het buitenland voorlopig zich terugtrekken. Het is ellendig om te zien hoe diep Huizinga onder de indruk was van dit eerverlies.'

Desondanks was Huizinga gedwongen zich in zijn officiele functies zo terughoudend mogelijk over de affaire uit te laten. Maar in een persoonlijke brief aan zijn collega G. W. Kernkamp was hij onomwonden: ' Wij zijn het er hier over eens, en het is mij van psychiatrische zijde volmondig bevestigd, dat men hier van doen heeft met een ziekelijke verzwakking van zijn onderscheidingsvermogen, (...), waaruit ook zijn volslagen onvatbaarheid voor de erkenning van de beteekenis van het gepleegde kwaad, te verklaren valt.' Even later kreeg Huizinga nog een kattebelletje van Rik Roland Holst over de kwestie: ' Je uitlatingen over Colenbrander troffen mij te meer daar ik onlangs hoorde dat C. morphiomaan was. Geloof jij dat? Als leek zoudt je zeggen 't klopt, want bij die lijders vallen immers onverwacht ook zedelijke remmen weg. '

Nauwelijks waren de emoties bekoeld, en was zoals dat pleegt te gaan Colenbranders reputatie officieel gered, of Huizinga moest zich alweer schrap zetten tegen de stormen des tijds. Tijdens een door hem voorgezeten studentencongres in Leiden bleek de leider van de Duitse delegatie, dr. Johannes von Leers, de schrijver te zijn van een zeer antisemitische brochure. Huizinga riep hem terstond ter verantwoording en gaf hem, zo staat in het hierover opgemaakte protocol, 'den diepen afschuw en verachting voor dusdanige uitingen' te kennen. Hij verzocht hem ' van de gastvrijheid, welke de universiteit hem heeft verleend, niet verder gebruik te maken'. Von Leers' verweer mocht niet baten. Huizinga wees hem met dodelijke trefzekerheid de deur: ' Het doet mij hevig leed, maar ik kan U ten afscheid niet de hand drukken. U kunt gaan.'

Het was een boude stap, die Huizinga geheel op eigen gezag maakte, in een tijd dat menigeen in Nederland nog afwachtend stond tegenover de toestand in Duitsland, of een broer had bij de NSB. De burgemeester van Leiden en het college van curatoren van de universiteit waren in ieder geval niet te spreken over de handelwijze van Huizinga. Er volgde een ijzige briefwisseling, waarin Huizinga geen duimbreed week en op formele toon zichzelf als de rector magnificus de bevoegdheid toekende 'de eer en waardigheid' van de universiteit te behoeden.

De kwestie haalde de internationale pers en bracht de historische wereld in staat van beroering toen duidelijk werd dat het Duitse vakblad Historische Zeitschrift zich openlijk keerde tegen Huizinga. Zo ook de befaamde Duitse geschiedschrijver F. Meinecke, die hem laakte onder verwijzing naar ' die naturlichen Pflichten, die wir als Deutsche zu erfullen haben'.

WEGDRIJVEN

Zo eindigde 1933 voor Huizinga weinig vrolijk. De recente dood van zijn vrienden Cornelis van Vollenhoven en W. H. Allen viel hem zwaar, en zijn algemene somberheid over de gang van de moderne geschiedenis namen snel toe. Dat hij zich in de jaren daarna zou overgeven aan uitvoerige cultuurpessimistische beschouwingen, zoals In de schaduwen van morgen, voelt men in dit deel van de correspondentie al aankomen. Dat cultuurpessimisme zou een groot publiek succes worden, maar ging tot verdriet van jongere intellectuelen niet gepaard met een actief anti-nazistische opstelling in politieke zin. Zo dreef Huizinga met zijn visie op de wereld van zijn tijd onafwendbaar weg van een nieuwe generatie cultuurdragers.

Zijn geschiedschrijving werd daarentegen juist in deze tijd in het buitenland ontdekt door een nieuwe avant-garde. Aan het eind van dit deel van de Huizinga-correspondentie zijn twee brieven van Lucien Febvre te vinden, waarin Huizinga uitgenodigd wordt voor een bijdrage aan het jonge Franse tijdschrift Annales. Huizinga hield de boot af, maar daarop brandde Febvre los in een uitvoerige loftuiting over Herfsttij, dat hij noemt als een inspiratiebron voor de nieuwe geschiedschrijving in Annales: ' Alle hoofstukken van Uw werk zouden in ons blad verschenen hebben kunnen zijn, stuk voor stuk!'

Bovendien verwoordde Febvre in zijn brief het echte belang van Huizinga, dat in onze tijd zo vaak wordt bedolven onder steriele idolaterie, als hij hem toevoegt: ' Mais d'hommes a l'esprit large, nous n'en aurons jamais assez.'