GROEPSTHERAPIE ALS PSYCHIATRISCHE HAARLEMMEROLIE

Schets voor een nieuwe psychiatrie door Hans van Epen

406406 blz., Bohn 1990f 57,50

ISB ISBN 90 6016 859 3'De invoering van het begrip vitaal-depressief syndroom in de jaren 1960-1970, met de daarbij horende antidepressieve pil heeft het leven van de toch al veel gekwelde psychiaters en psychiatrische assistenten een stuk gemakkelijker gemaakt, ' verkondigt psychiater Hans van Epen - die alom geprezen wordt om zijn gedegen werk met drugsverslaafden in de afdeling 'De Keet' van het Deltaziekenhuis te Poortugaal - in zijn boek Schets voor een nieuwe psychiatrie.

Wie een dergelijke pretentieuze titel kiest, kan rekenen op een kritische instelling van de lezer die in het algemeen nogal sceptisch staat tegenover alles wat op dit gebied als nieuw wordt aangeprezen. Bovendien lijkt het me niet eenvoudig echt met iets nieuws te komen, want gedurende de afgelopen twintig jaar leek er haast niets te gek in de psychiatrie. Van Epen geeft trouwens zelf ook blijk van een kritische instelling jegens de huidige psychiatrie, want op de achterflap van het boek lezen we wat hij ziet als belangrijke euvels daarvan, namelijk de vergaderziekte, de intakewaan, de managementziekte en de classificatiedwang, waarbij het nosologisch karakter van deze aanduidingen opvallend is.

LEVENSPROBLEMEN

De meeste kritiek heeft hij echter op 'de medicinering van de psychiatrie en de psychiatrisering van levensproblemen' die optraden in de jaren zestig. Psychiaters die vertrouwd waren met de behandeling van mensen met klassieke psychiatrische beelden, kregen in die tijd in toenemende mate te maken met mensen met neurotische problemen, emotionele verwaarlozing en levensproblemen. Vreemd genoeg kwam de psychiater hierdoor zelf in problemen waarvoor, althans volgens Van Epen, de farmaceutische industrie gelukkig als redder optrad. ' Er wordt een hypothese ontwikkeld, een diagnose verzonnen en voorlopig kan iedereen weer tien jaar vooruit, ' zo luidt Van Epens visie op de ontwikkeling van de recente geschiedenis van de psychiatrie.

Het probleem met een schrijver als Van Epen is dat hij in veel opzichten wel een beetje gelijk heeft. Zo poneert hij bij voorbeeld dat het gezonde deel van de patient in de klinische psychiatrie wat wordt verwaarloosd en dat psychiaters bij hun onderzoek van iemand altijd wel iets kunnen vinden dat niet helemaal klopt: ' Bij de psychiater ben je bij voorbaat kansloos.' Helaas verliest hij zich in zijn betoog menigmaal in het gebruik van hyperbolen en waarschijnlijk niet bedoelde karikaturen. Als voorbeeld noem ik de beschrijving van een pasgetrouwde jonge vrouw met seksuele problemen die na een verkeerde behandeling tenslotte wordt overgeplaatst naar een chronische afdeling van het gesticht.

Ik moet toegeven dat deze overdrijving soms ook leidt tot vermakelijke passages, zoals die over de 'farmaceutische mafia' die de destijds jonge en publikatiebeluste Van Epen als haar held beschouwde en hem op een vorstelijke behandeling onthaalde nadat hij een, op zichzelf beschouwd, weinig opzienbarend medicijnenonderzoek bij schizofrene patienten had afgerond.

Kon het boek maar worden beschouwd als een goede grap, dan was er niets aan de hand. De apodictische toon ('maar nu ter zake') en de uiting van een enkele zelfbekentenis (zoals de onverstandige uitleg aan een stoere knaap die volgens Van Epen in wezen homofiel zou zijn, waarop die jongen een ernstige zelfmoordpoging deed) verraden eerder het tegendeel, namelijk bittere ernst. De meeste moeite heb ik echter met de boodschap die de schrijver meent te moeten brengen. Als het namelijk aan hem ligt, zou elke patient, ongeacht de aard van het psychische probleem dat hij of zij heeft, op een enkele uitzondering na 'een inzichtgevende en confronterende' behandeling in groepstherapie moeten krijgen. Wat helpt bij drugsverslaafden in 'De Keet', zo lijkt zijn redenering, moet ook toepasbaar zijn op mensen met andere psychische problemen. Van Epen acht zo'n confronterende aanpak van een (defect) schizofrene patient in een grote groep van vijfentwintig tot dertig mensen effectief, maar volgens de huidige inzichten lijkt me een dergelijke behandeling nu juist allesbehalve geschikt.

Door deze therapievorm te propageren als panacee voor mensen uit andere diagnostische categorieen dan verslavingsproblematiek, verwijdert de schrijver zich wel erg ver van wat reeel wenselijk en mogelijk lijkt in de algemene psychiatrische praktijk. De verklaring voor zijn demarche ligt voor de hand: de expert op een gebied kan nu eenmaal niet overal verstand van hebben.

Het is de vraag waar het boek nu eigenlijk over gaat en ook voor wie het boek precies bedoeld is. In de inleiding is te lezen dat het boek door het vermijden van vakjargon en moeilijke woorden leesbaar moet zijn voor iedereen, hulpverlener en client. Het bevat kenmerken van een leerboek met tevens diagnostische beschouwingen over 'the state of the art' van de psychiatrie door een man van de praktijk. Daarnaast lijkt het ook op een farmacotherapieboek met uitgebreide bespreking van bijwerkingen en tenslotte ook een beetje op een evangelie. Helaas wordt de boodschap waarin behandeling in een grote groep wordt gepropageerd, net iets te veel herhaald om nog overtuigend te kunnen zijn. Het overgrote deel van het boek gaat over die groepstherapie waarvan de nadelen gelukkig in het laatste hoofdstuk ook nog even worden genoemd.

SUBLIMATIE

Afgezien van de kritiek die ik op het boek heb, heb ik ook lof voor de rake beschrijvingen over modieuze problemen als incest, transseksualiteit en automutilatie, terwijl ik bovendien het door Van Epen genoemde onderscheid tussen het menstype Casanova en Don Juan beslist helder vind. Grappig is ook zijn uitleg over sublimatie, waarbij hij als voorbeeld de hopman noemt die pedofiele neigingen sublimeert in het optrekken met jonge padvinders. Indien men deze sublimatie nu zou beschouwen als een ongezonde vorm van afweer die bewerkt moet worden, dan loopt de hopman een vlotte kans te veranderen in een gefrustreerde pederast.

De beschrijving van schizofrene patienten (in de woorden van de schrijver 'unieke creaturen') is eveneens de moeite van het lezen waard. Zo was er een man die jarenlang dagelijks aan Van Epen de filosofisch klinkende vraag voorlegde: ' Is de Noordzee bewezen?' En een andere patient die hem desgevraagd uitlegde waarom ' katholieken communisten zijn': namelijk omdat ' katholieken ter communie gaan' (een leuk concretisme voor Lubbers).

Het boek bevat veel waarheden, maar maakt door het gebruik van te veel woorden en het kwistig strooien met uitroeptekens naar mijn mening jammer genoeg een onrijpe indruk. Er staan ook fouten in. Zo was de onlangs overleden psychoanalyticus John Bowlby toch echt geen Amerikaan, zoals Van Epen ons wil laten geloven, maar ontegenzeggelijk Engelsman. Schets voor een nieuwe psychiatrie kan misschien nog het best worden beschouwd als een cri de coeur. Als ik hierin gelijk heb, dan blijft over de vraag waarom het boek niet driehonderd bladzijden korter is geworden.

    • Hans van der Ploeg