GEBARENTAAL

In Search of a Language door Trude M. Schermer 184 blz., Eburon Publisher, f 39,50 ISBN 90 5166 155 X

Voor mensen die goed kunnen horen, is het isolement van doven onbegrijpelijk en onin voelbaar, maar er zijn als volwassene doof geworden doven die dit zo slecht verdragen dat zij zich van kant maken.

Een bevriende oogarts, die veel blinde patienten heeft, heeft mij eens gezegd dat als hij een mankement zou moeten kiezen, doof of blind, dat hij zonder een ogenblik te aarzelen 'blind' zou kiezen, omdat de blinde veel meer contact met zijn omgeving heeft, terwijl de dove totaal geisoleerd is.

Bij enig doordenken is het ook duidelijk, dat voor een overigens gezonde en normale baby die doof geboren wordt dit het ergste mankement is dat hem kon overkomen, omdat zeker negen-tiende van zijn sociale en culturele ontwikkeling van een goed gehoor afhankelijk is. Het dagelijks contact met zijn omgeving is maar globaal mogelijk en het verwerven van taal, lezen en schrijven is praktisch uitgesloten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat men doof geboren kinderen lange tijd voor imbecielen heeft gehouden. Hierin is een belangrijke wijziging gekomen in het midden van de achttiende eeuw, toen de Abbe de l'Epee in Parijs de eerste school voor doven opende en daar bijdroeg tot de ontwikkeling van een systematische gebarentaal. Al spoedig kreeg De l'Epee bezoek van een Amerikaan, die na een jaar studie in Parijs de methode naar Amerika overbracht en het verder ontwikkelde dan in Europa, waarbij de gebarentaal ook intensiever bij het onderwijs betrokken werd. Onbegrijpelijk is daarom dat een internationaal congres voor de opvoeding van de doven in 1880 in Milaan een motie aannam met de strekking dat oraal onderwijs verre superieur was aan gebarentaal, die dan ook op school verboden moest worden. Pas een eeuw later werd op een dergelijk congres dit standpunt herzien en de gebarentaal als een wezenlijk communicatiemiddel erkend en ook voor het onderwijs toegelaten. Van de vijf dovenscholen in Nederland heeft alleen die in Brabant dit standpunt nog niet volledig aanvaard.

Professor B. T. Tervoort, al heel lang betrokken bij het onderwijs aan doven, is op een gegeven moment begonnen met de ontwikkeling van een woordenboek (zoals het van 1960 daterende American Dictionary of Am. Sign Language) voor de vijftienduizend tekens van de dovengebarentaal. Het in augustus verschenen Amsterdamse proefschrift van Trude Schermer, In Search of a Language, is daar een uitvloeisel en een gevolg van. Zij argumenteert en demonstreert in haar boek dat het hier een geheel eigen taal betreft, niet afgeleid van het orale Nederlands, met een zelfstandige grammatica en zinsbouw.

Er is natuurlijk wel enig verband met het Nederlands, maar er zijn regionale verschillen, ook al gaat het haar te ver om de term dialecten te gebruiken. Zoals er ook grote verschillen bestaan met de Vlaamse gebarentaal zijn ook de Engelse en Amerikaanse gebarentalen nauwelijks aan elkaar verwant.

Voor linguistisch geinteresseerden is deze analyse van een ongebruikelijke taal uitermate boeiend.

Voor de minder specialistische lezer, die toch wat meer wil weten over deze vaak onbegrepen problematiek, noemik enkele boeken, grotendeels afkomstig uit de bibliografie van het proefschrift. Uit Nederlandse bron zijn dat in de eerste plaats de uitgave uit 1981 van de Stichting Nederlandse Dovenraad Wie niet horen kan moet maar zien (Couthino), en van Germaine Beck en Evelien de Jong Opgroeien in een horende wereld (Uitgeverij Van Trigt). De Amerikaanse neuroloog Oliver Sacks, waarvan inmiddels bij Meulenhoff terecht al vier boeken zijn vertaald, kwam een jaar of zes geleden voor het eerst in contact met de problemen van doven. Het resultaat van zijn interesse in de materie is het fascinerende boek Stemmen zien. Reis naar de wereld van de doven (Boekenbijvoegsel 2/12/89).