Een tweesnijdend zwaard tegen het communisme; Het geheime verzetsnetwerk Gladio

Italie is opgeschrikt door de ontdekking van een schimmig legertje dat de strijd moest aanbinden tegen het communisme in het algemeen en de Italiaanse communisten in het bijzonder. De contouren van Gladio doemen inmiddels ook in andere Navo-landen op. Reconstructie van een geheim verzetsnetwerk.

Na al die jaren heeft advocaat Iberto Capalozza zijn inschrijvingskaart van het clandestiene legertje nog steeds. Nummer 002103. Achterop staat de eed die hij veertig jaar geleden heeft gezworen: ' In naam van God, van Italie en van de gevallenen voor de onafhankelijkheid en de vrijheid zweer ik: te strijden voor de verdediging van mijn vaderland en voor de integriteit van mijn huis en haard, en me te verzetten tegen de installatie van iedere nieuwe dictatuur.'

Behalve deze gepensioneerde advocaat uit Spilimbergo, die zich nu bezighoudt met vrijwilligerswerk, hebben ongeveer vijfduizend andere mensen in Noordoost-Italie eind jaren veertig, begin jaren vijftig deze eed afgelegd. Het waren uiterst onzekere tijden: veel Slovenen uit het aangrenzende Joegoslavie keken met begerige blikken naar Venezia Giulia en delen van Friuli om deze streken bij een grote Sloveens republiek te kunnen voegen. Triest, de geplande hoofstad van de nieuwe republiek, was nog steeds een fel-betwiste stad waar Britse en Amerikaanse troepen in de zogeheten Zone A een garantie moesten bieden tegen de Joegoslaven in zone B; pas in 1955 zou hierover een akkoord worden bereikt.

In dit onzekere klimaat vonden veel leden van de befaamde partizanenbrigade Osoppo-Friuli dat ze voorbereid moesten zijn op een nieuwe partizanenstrijd, nu niet tegen de nazi's maar tegen de Joegoslaven. In alle geheim werd de 'Organisatie O' opgericht, onder leiding van generaal Luigi Olivieri. ' Training was niet nodig', vertelt advocaat Capalozza. ' We kwamen allemaal uit de partizanenoorlog.'

In een seminarie in Udine zijn onlangs de papieren hierover teruggevonden die de inmiddels overleden Olivieri had toevertrouwd aan zijn biechtvader. Hieruit blijkt dat de Organisatie O niet alleen de grenzen wilde bewaken, maar ook een oogje hield op ' filoslaven, communisten en hun sympathisanten'. De groep wilde ' preventief en repressief' opgetreden ' tegen plaatselijke elementen die in staat zijn tot sabotagedaden en gevaarlijke acties'. Daarvoor had ze de beschikking over 650 handgranaten, zes mortieren, achttien machinegeweren, en tientallen pistolen en geweren - voornamelijk wapens die in de partizanenstrijd waren gebruikt en voor alle zekerheid waren achtergehouden toen de verzetsgroepen werden ontwapend.

Tien jaar heeft deze organisatie bestaan, tot 22 november 1956. ' De organisatie is ontbonden', schreef generaal Olivieri, ' maar met reden kan men aannemen dat de geest die haar heeft bezield, de vlam van liefde voor het vaderland zal blijven voeden en dat haar leden steeds bereid zullen zijn om te antwoorden op het appel.' Vier dagen later, op 26 november, wordt in Rome het akkoord ondertekend voor de oprichting van het geheime verzetsnetwerk Gladio.

Het 'Verhaal van O', zoals de Udinezen het hebben gedoopt, is een van die verhalen over vroeger die weer naar boven zijn gekomen sinds het bestaan van Gladio vorige maand is onthuld. Om beter te kunnen begrijpen in welk politiek klimaat Gladio ontstond, wie de 'gladiatoren' waren en waarom vermoed wordt dat sommigen van hen betrokken waren bij extreem-rechtse aanslagen in de jaren zestig en zeventig, heeft Italie een bad in het verleden genomen - voorzichtig, want velen zijn bang hun handen te branden aan machten die sterker zijn dan zij.

Vermoed wordt dat een aantal leden van de 'Organisatie O' rechtstreeks zijn doorgestroomd naar Gladio en hun eed van trouw hebben verwisseld voor het korte latijnse devies daarvan: silendo libertatem servo, zwijgend dien ik de vrijheid. Een van de vertrouwensmannen van generaal Olivieri, de alpinist Aldo Specogna, heeft immers ook veel leden voor Gladio gerecruteerd.

Er waren nog veel meer bronnen die konden worden aangeboord, veel meer gevoelens waaraan kon worden geappelleerd. In Noordoost-Italie was de angst voor Joegoslavie de belangrijkste drijfveer. In de rest van Italie was voor velen het communisme in zijn algemeenheid de grote vijand: Moskou wegens zijn legers, de Italiaanse communisten wegens de grote aanhang die de verzetsstrijd hun had opgeleverd. De verkiezingen van 1948 waren voor velen een strijd tussen God en de duivel, tussen reactie en vooruitgang.

' Tijdens de verkiezingscampagne in 1948 sliepen we op het ministerie van defensie', zegt de republikein Randolfo Pacciardi, toen vice-premier en later minister van defensie. ' Ik op de begane grond en (minister van binnenlandse zaken) Scelba op een opklapbed op de eerste etage. Scelba was ervan overtuigd dat er een plan voor een opstand bestond, hij was bang.'

Hoewel links in 1948 ruim werd verslagen door de christen-democraten en hoewel de aanslag drie maanden later op de communistische leider Togliatti niet werd gevolgd door de gevreesde algemene opstand, bleef minister Scelba het binnenlandse communistische gevaar als een reele dreiging zien, en velen met hem.

Concrete oorlogsdreiging

Graaf Edgardo Sogno Rata del Vallino was een van die mensen. Het is een grote, roemrijke naam in Italie. Tijdens de oorlog zond Radio Londen raadselachtige boodschappen uit als 'de telefoon is zwart'. Deze waren bestemd voor la Franchi, Sogno's schuilnaam als verzetsleider. Deze monarchist uit Turijn was een van de moedigste en beroemdste partizanen. Maar al tijdens de oorlog had Sogno vaak ruzie met zijn communistische medestrijders in het verzet, en in de jaren daarna begon hij een lange kruistocht, met als boodschap dat de strijd tegen het fascisme moest worden gevolgd door de strijd tegen het communisme.

In verschillende vraaggesprekken de afgelopen weken heeft Sogno verteld dat hij in de jaren 1947-49 herhaalde malen contact heeft gehad met bewindslieden als Scelba en Pacciardi, om te praten over de oprichting van een clandestien netwerk. Sogno zegt dat Scelba hem als minister van binnenlandse zaken vroeg een verzetsnetwerk op te zetten van burgers, dat onder zijn leiding had moeten staan. Scelba, een christen-democraat, heeft dat ontkend, maar hij bevestigt wel het beeld van die tijd dat Sogno schetste.

' We waren in oorlog tegen de communisten', zei Scelba tegen La Stampa. ' Nu kan je makkelijk die tijd vergeten, maar de keus was toen tussen een westerse democratie of een Russische kolonie. De communisten beschikten in die tijd over een efficiente paramilitaire organisatie, met grote wapendepots en getrainde mensen. Dat was een concrete oorlogsdreiging, geen metafoor.'

Ook al heeft Sogno beloofd dat hij binnenkort met papieren zal aantonen dat Scelba liegt, de ex-minister blijft ontkennen dat hij zelf op de een of andere manier heeft geprobeerd een clandestien verzetsnetwerk op te zetten. Maar vragen of hij wist wat de Amerikanen in die tijd deden, ontwijkt hij.

Voor Washington is Italie wegens zijn grote communistische partij, de grootste van West-Europa, lang een van de zwakke schakels in de alliantie geweest, en direct na de oorlog was het dat zeker. De PCI mag nooit aan de macht komen, was het devies in Washington. En dat doel was de rechtvaardiging voor directe en vergaande interventie in de Italiaanse binnenlandse politiek.

De CIA had direct na de oorlog al fors meebetaald aan de oprichting van de Sociaal-democratische partij en van twee niet-communistische vakbonden. Uit documenten van de National Security Council blijkt dat ook al vrij snel in Washington werd gesproken over de vorming van een verzetsnetwerk in Italie.

Hoe er op het State department werd gedacht over de situatie in Italie vlak na de oorlog, blijkt uit een telegram van 15 maart 1948 van George Kennan, toen hoofd afdeling planning van State department. Hij stelt voor de verkiezingen van 18 april te verhinderen of de communisten buiten de wet te plaatsen. ' De communisten zouden waarschijnlijk antwoorden met de burgeroorlog en dat zou ons de kans geven het vliegveld van Foggia en alle andere bases die voor ons van nut zijn weer te bezetten', schreef Kennan. ' Dat zou ongetwijfeld allemaal tot veel geweld leiden en waarschijnlijk tot een militaire verdeling van Italie; maar we zijn op een kritiek moment en die ontwikkelingen zouden te prefereren zijn boven een verkiezingszege zonder bloedvergieten, die aan de communisten in een klap het hele schiereiland zou geven en golven van paniek zou veroorzaken in heel het omliggende gebied.'

Kennans suggestie werd verworpen, maar de vorming van een clandestien netwerk ging door. In 1951 begonnen ook de Italiaanse militaire geheime diensten met het idee te spelen, maar de Amerikanen waren er toen al mee bezig. In de eerste versie van Andreotti's brief aan het parlement, een versie die een paar uur later is gewijzigd, wordt gerefereerd aan een nota van de Italiaanse generaal Musco, die constateert ' dat vergelijkbare Amerikaanse organisaties in Noord-Italie clandestiene groepen aan het oprichten waren.' Anoniem gebleven bronnen op het State department hebben in de Italiaanse pers gezegd dat daarvan burgers lid waren die al tijdens de oorlog hadden samengewerkt met het Amerikaanse en het Britse leger.

Er werden plannen gemaakt om samen een netwerk te vormen, en die kregen in 1953 extra vaart toen er een nieuwe Amerikaanse ambassadeur in Rome kwam: mevrouw Clare Booth Luce, de vrouw van de legendarische Time-uitgever Henry Luce. Minister Scelba en graaf Sogno, twee vaste gasten op de ambassade aan de Via Veneto, hebben verteld dat zij absolute prioriteit gaf aan het bestrijden van het communisme in Italie.

CIA

Op de stafvergaderingen die daarover iedere dinsdagmiddag werden gehouden, was ook William Colby aanwezig, de latere directeur van de CIA. Zijn vorige post was Skandinavie geweest, waar hij in Noorwegen een netwerk had opgezet dat zowel tegen de communisten in het buitenland als die in het binnenland was gericht. In recente interviews heeft hij gezegd dat zijn taak in Italie alleen politiek was, met een belangrijke financiele component: de Verenigde Staten hebben, in ieder geval tot diep in de jaren zeventig, miljoenen dollars betaald aan Italiaanse politieke partijen. Een rapport uit 1976 van het Huis van Afgevaardigden schatte dat de CIA in de dertig jaar daarvoor 75 miljoen dollar heeft gegeven aan Italiaanse partijen en afzonderlijke politici. Het was in ieder geval minder dan de Sovjet-Unie, aldus Colby, die schatte dat Moskou in de jaren vijftig ongeveer vijftig miljoen dollar per jaar overmaakte aan de PCI.

Tegen deze achtergrond van Italiaans en Amerikaans anti-communisme vormden de geheime diensten uit de twee landen in 1956 het geheime netwerk Gladio. Volgens premier Andreotti is Gladio drie jaar daarna in Navo-verband gaan samenwerken met verwante groepen uit andere landen. Over hoe Gladio als organisatie in de jaren daarna heeft geopereerd, hangt nog een grote sluier. Maar over een aantal hoofdrolspelers is meer duidelijk.

Allereerst de VS. Toen de christen-democraten begin jaren zestig gingen samenwerken met de socialisten, gaf Washington het nihil obstat, ook al waren de socialisten volgens sommigen het paard van Troje van de communisten. Maar tegelijkertijd zei president Kennedy in mei 1962: ' Voor het geval de communisten de controle over de regering veroveren of dat dreigen te doen, met legale of illegale middelen, moeten de Verenigde Staten bereid zijn iedere noodzakelijke actie te ondernemen, alleen of samen met andere geallieerde landen, om iedere Italiaans element te helpen dat probeert de communistische heerschappij te voorkomen of omver te werpen.' Tot diep in de jaren zeventig, ook toen de PCI had gezegd dat zij voorstander was van het Navo-lidmaatschap, werden de Italiaanse communisten nog als een groot gevaar beschouwd in Washington.

Vliegtuigongeluk

Dergelijke uitspraken zijn met instemming begroet door generaal Giovanni De Lorenzo, in december 1955 met duidelijke steun van mevrouw Booth Luce benoemd tot chef van de Sifar, de militaire geheime dienst. In juni 1962 spreekt hij met de CIA af al het mogelijke te doen om de opening naar de socialisten te blokkeren. Drie maanden later wordt hij benoemd tot hoofd van de carabinieri, en twaalf dagen na zijn benoeming komt een van de belangrijkste voorstanders van de centrum-linkse coalitie, Enrico Mattei, de president van de staatsholding Eni, om bij een mysterieus vliegtuigongeluk.

Toeval? Dezelfde De Lorenzo heeft anderhalf jaar daarna een plan opgesteld om een groot aantal politici te arresteren en gevangen te zetten op Sicilie en de radio en tv over te nemen. Het ging niet door, en toen het drie jaar later uitlekte werd De Lorenzo niet eens bestraft.

Deze generaal wordt wel gezien als de geestelijke vader van de intriges die de geheime diensten in de jaren daarna hebben gesponnen. Door al deze intriges en samenzweringen van de militaire geheime dienst is het sterke vermoeden ontstaan dat Gladio de sleutel is voor een aantal van de onopgeloste raadsels van de jaren zeventig. Extreem-rechtse kringen hingen toen de strategie van de spanning aan: aanslagen moesten zoveel paniek veroorzaken dat de democratie zou instorten en vervangen kon worden door een autoritair of neo-fascistisch bewind.

De voorgeschiedenis van Gladio biedt een goede voedingsbodem voor extremistische acties. Een aantal hoofdrolspelers hebben ze zeker niet ontmoedigd. En de middelen waren er ook, in de vorm van de 139 clandestiene opslagplaatsen voor wapens en munitie waarvan er in ieder geval twee zijn leeggehaald. Hoewel er nog te weinig over Gladio bekend is om met zekerheid uitspraken te kunnen doen, worden met deze wetenschap veel affaires met een wat onduidelijk geheime-dienstluchtje opnieuw bekeken. Zoals de couppoging van 1970, waarbij hulp was gevraagd van de mafia. Of de beschuldiging dat Gelli heeft bemiddeld tussen de CIA en extreem-rechtse terroristen. Of de moorden in 1979 en 1980 op twee Siciliaanse christen-democraten die wilden gaan samenwerken met de communisten. Of de vele bloedbaden waarvoor extreem-rechts verantwoordelijk is gehouden maar waar nooit iemand voor in staat van beschuldiging is gesteld. En zelfs de moord door de linkse Rode Brigades op Aldo Moro, de architect van het historisch compromis, de (korte) samenwerking tussen christen-democraten en communisten.

De rechters die zich met deze zaken bezighouden, vaak al jarenlang, moeten zich door een bijna onontwarbare brij van dossiers heen worstelen. Regelmatig zijn ze daarbij een halt toegeroepen met de mededeling: staatsgeheim. Nu Gladio in de openbaarheid is gekomen, gaan er misschien meer mensen praten. Maar de christen-democratische partij doet van alles om de zaak te sussen: als er koppen moeten rollen, zullen dat bijna allemaal christen-democraten zijn. Daarom zal de politieke strijd in Italie de komende tijd vooral in het teken staan van de vraag hoever het deksel van de beerput open mag.