Drama bij De Woeste Hoeve

Halverwege de oude weg Arnhem-Apeldoorn ligt een verlaten, vervallen herberg met een aangebouwde wagenschuur. In smeedijzeren cijfers op de witte gevel staat het bouwjaar: sinds 1771 is hier gegeten, geslapen en afgerekend. Maar vier jaar geleden ging een nieuwe snelweg open, de klandizie nam drastisch af, en nu staat rond De Woeste Hoeve een manshoog hek met prikkeldraad. Nuttig, want links en rechts zijn al ruiten ingegooid en hier en daar is het rieten dak kapot getrokken.

Honderdvijfentwintig meter naar het zuiden, aan de andere kant van de weg, ligt aan de voet van een hoog houten kruis een bronzen plaquette met de tekst: 117 vaderlanders werden hier op 8 maart 1945 door de Duitse overweldiger op gruwzame wijze vermoord. Het was de meest omvangrijke fusillade in Nederland in de Tweede Wereldoorlog, een deel van de represailles naar aanleiding van de aanslag op SS-Obergruppenfuhrer en General der Waffen-SS und der Polizei Hanns Rauter op dezelfde plaats, 33 uur eerder.

Nog dertien kilometer verder naar het zuiden, in Arnhem, woont Cristien Tamboer-Aartsen (72). Van 1933 tot 1952 exploiteerde haar familie De Woeste Hoeve en als enige was zij zijdelings getuige van de aanslag en de executie.

'Al heel kort na de bevrijding', vertelt mevrouw Tamboer, 'kwamen de eerste mensen die er meer van wilden weten, en ook veel nabestaanden. Ik had het gezien, dus ik moest het vertellen. Vooral als er kleine kinderen bij waren kreeg ik altijd een dikke keel, en toen heb ik alles wat ik wist maar opgeschreven ook omdat ik geen tijd had om iedere keer alles te vertellen terwijl er klanten stonden te wachten.' Ze opent een map vol krantenknipsels en brieven, met daarbij de vergeelde, beduimelde vellen die ze toen volschreef en die sindsdien door vele honderden handen gingen. 'Woeste Hoeve' staat erboven, en daaronder 'Geachte Nederlanders'. 'Mijn broer en zuster zeiden: 'Wie schrijft dat nou op?' Maar later grepen zij er nog vaker naar dan ik. Er kwamen veel bussen met bezoekers. Vaak ging er dan iemand op een verhoging staan en las die brief voor. Net een kerk. Dat is wel honderd keer gebeurd. Toen wij uit De Woeste Hoeve weggingen werd er nog steeds vaak naar gevraagd en zelfs nu komen er af en toe nabestaanden bij me.'

In de herberg werden kort voor kerstmis 1944 vier Wehrmacht-soldaten ingekwartierd om bij toerbeurt een nabijgelegen brandtoren te bemannen. De familie Aartsen mocht kiezen verhuizen of de vier verzorgen , en koos het laatste.

Op dinsdagmiddag 6 maart begon de reeks gebeurtenissen die het leven van mevrouw Tamboer zou tekenen: 'Het was nog net licht toen een auto met drie Duitsers stopte, een chauffeur, een officier en Rauter. Dat hij het was vertelden die vier die bij ons woonden, toen hij weer weg was. Hadden ze toch de generaal op bezoek gehad! Dat had indruk gemaakt. Het was wel een knappe man. Achter de herberg heeft hij nog staan wateren, zodoende heb ik hem goed gezien. En we moesten hem koffie brengen surrogaatkoffie, want echte was er al lang niet meer.'

Die avond, kort voor elf uur, begon het tweede bedrijf. Met haar zuster sliep Cristien Aartsen op een bovenkamer vanwaar drie ramen uitzicht boden op de plaats waar nu het monument staat. Vaak verstoorden vliegtuigen en V-1's de Veluwse stilte, ook die avond. In de brief staat: 'Wij lagen allen op bed, de vier Duitsers die hier wacht hadden ook. We zagen nog een paar V-1's in de verte gaan. Opeens mitrailleurvuur, toen was het doodstil. We gingen rechtop in bed zitten. Opnieuw mitrailleurvuur, toen bleef het stil. Ik schoof het raam op, stak mijn hoofd naar buiten, maar hoorde niets meer.'

Ze zag wel wat, voegt ze daar nu aan toe: 'Ik zei tegen mijn zuster: 'Moet je zien, er staat een auto.' Hij had de lichten nog aan. We verwachtten dat er wel beweging zou komen, maar verder was er niets te zien. Ook geen mensen die voor de lampen liepen.'

Cristien keek nog een paar keer naar buiten, en zag dan steeds de bewegingsloze koplampen. 'En ik zag de auto ook staan in het schijnsel van de vlammen van een overkomende V-1. Af en toe kwam er een paard en wagen langs, met een petroleumlamp aan de onderkant van de wagen. Mijn zuster zei: 'Het zal wel niets bijzonders zijn, ze lopen allemaal gewoon door'.'

De herberg stond niet helemaal alleen: met een paarhonderd meter tussenruimte waren er ook nog een boerderij en een woonhuis. In dat laatste pand woonde toen een mevrouw Middelink, die om half vier 's ochtends de bewoners van De Woeste Hoeve wakker maakte door tegen de deur te bonzen. Het nieuws was er snel uit: passerende Duitsers hadden in de auto twee lijken gevonden en het bijna-lijk van een generaal. Gehinderd door nachtelijke kou en kogelgaten in zijn rechterhand, zijn onderkaak, zijn linker oksel en zijn longen had hij een onprettige nacht beleefd, en mevrouw Middelink had koffie voor hem moeten zetten. Om half vijf werd hij afgevoerd naar een kliniek.

Kort daarop wist iedereen om wie het ging: Rauter. Zo verheugd als de vier Duitsers op De Woeste Hoeve de vorige middag waren geweest met zijn bezoek, zo bevreesd waren ze nu dat hij het niet zou halen. Mevrouw Tamboer: 'Ze hoorden 's nachts op de brandtoren te zijn, en ze waren bang dat ontdekt zou worden dat ze hadden geslapen. Een van hen zei: Als hij dood gaat gaan we er allemaal aan.'

Rauter haalde het met dien verstande dat hij op 25 maart 1949 wegens oorlogsmisdaden werd gefusilleerd. In de namiddag begonnen de toegestroomde autoriteiten in de herberg met ondervragingen, maar alle bewoners van het buurtschap kwamen er genadig vanaf.

Eindeloos veel grimmiger was de volgende dag. Mevrouw Tamboer: 's Ochtends vroeg kwamen twee Duitsers met mitrailleurs bij ons binnen. Ik was boven en er werd naar me geroepen dat iedereen beneden in de keuken moest komen. Ik wachtte nog een paar minuten. Voor ons zag het helemaal groen van de militairen. Er kwam een bus voorrijden en ik zag dat er een aantal burgers uitstapte. Toen ben ik ook naar de keuken gegaan. Alle luiken waren dicht, behalve bij een raam, daar ontbrak het. Ik schoof het gordijntje weg, en zag een tweede bus voorrijden. Toen een derde. Hoe lang dat duurde weet ik niet, aan tijd dacht je niet meer. We hoorden een aantal malen schieten. 'O god, dat zijn de buren', zeiden we, 'de hele buurt ligt dood aan de weg.' Want als de Duitsers wraak wilden nemen kozen ze meestal mensen van de plaats waar het gebeurd was, dat wisten we.'

Zo niet bij De Woeste Hoeve, waar 116 gevangenen uit Apeldoorn, Deventer, Zwolle, Assen en Groningen werden gefusilleerd en een Duitse soldaat die geweigerd had van het vuurpeloton deel uit te maken. Als onderdeel van dezelfde wraakactie executeerden de Duitsers op diezelfde dag op verschillende plaatsen elders in het land nog 147 andere gevangenen die evenmin iets met de aanslag hadden te maken.

Na het vuren mocht de familie Aartsen weer door het huis lopen, maar niet naar buiten. Mevrouw Tamboer: 'Binnendoor kon je van de herberg naar de wagenschuur, met een nichtje ging ik daarheen. Die Duitsers die bij ons woonden zeiden dat het niet mocht, maar we gingen toch. We klommen op een berg strobalen, tot bij een rond raam waarvan de ruit kapot was. Er zat stro in, tegen de kou, en dat hebben we eruit getrokken: in drie groepen lagen de doden langs de weg, sommigen met hun voeten op het fietspad, en Duitsers waren bezig met het geven van genadeschoten. Mensen die langskwamen moesten van hun fiets stappen en langs de lijken lopen. Later op die dag heb ik gezien hoe de slachtoffers op vrachtauto's werden afgevoerd en heb ik ze kunnen tellen.'

Af en toe pinkt mevrouw Tamboer een traan weg als ze er 45 jaar later weer over vertelt. Zeker, het heeft haar leven sterk beinvloed. 'Na de oorlog wilden we allemaal weg, emigreren, zo vol waren we ervan. Twee van mijn broers zijn een jaar later naar Canada gegaan. Het had ons zo aangegrepen het leven had daarna eigenlijk geen waarde meer, vond je toen. Maar nog steeds til ik niet zwaar aan kleine dingen. Inwendig geloof ik nog steeds, maar wat in kerken gezegd wordt heeft sinds die tijd geen betekenis meer voor me zo oppervlakkig. Ik moet er vaak aan terugdenken, vooral tegen zes maart, dan droom ik er altoos van. Ik zit met mijn man op een kaartclub, waar ook een Duitse lid is. Kan ik het heel goed mee vinden, behalve rond die dagen. Zij kan er natuurlijk niets aan doen, maar het zit zo diep... '

Over de aanslag op Rauter als zodanig valt eindeloos veel meer te schrijven dan hier gedaan is. Een zeer uitvoerige reconstructie verscheen vorig jaar in deel 56 van de serie '40-'45, toen en nu (uitgeverij Quo Vadis, Soest), van de hand van Karel Margry. Eerdere publikaties worden daarin gecorrigeerd en uitgebreid. Dat Rauter voor de aanslag in De Woeste Hoeve was, valt in geen van die teksten te lezen. Wel en zeer uitvoerig geadstrueerd dat de aanslag gepleegd werd door Apeldoornse verzetsmensen, die pas later hoorden dat Rauter in de auto had gezeten. Mevrouw Tamboer heeft over die lezing ernstige twijfels en anders haar man wel, die tijdens de oorlog in Limburg in het verzet zat. Want waarom, luidt hun onbeantwoorde vraag, lieten de daders de sporen op de openbare weg achter, terwijl ze een hele nacht de tijd hadden voor een poging alles weg te halen, en terwijl ze wisten dat ontdekking tot represailles zou leiden? Mevrouw Tamboer: 'Dat hij zo is blijven liggen, is voor mij het bewijs dat het verzet het niet gedaan heeft.'