De permanente oorlog; Margaret 'Kill the socialists' Thatcher

Zelfs als Margaret Thatcher volgende week de aanval op haar leiderschap weet af te slaan, komt ze uit het treffen niet als overwinnaar tevoorschijn. De pijn en de tweedeling binnen haar eigen Conservatieve Partij over de toekomst van Groot-Brittannie in Europa zitten daarvoor te diep. Wat maakt de onaantastbare Iron Lady zo kwetsbaar? Wat zijn de diepere achtergronden van het politiek conflict, die de langst regerende premier van Engeland in deze eeuw, plotseling tot een gedoodverfde verliezer maken?

De tragiek ligt in Margaret Thatcher zelf. De onbuigzaamheid van haar karakter, een kwaliteit waarmee ze haar land in het begin van de jaren tachtig uit de post-imperiale malaise leidde, heeft geleid tot een verstarring in haar opvattingen en tot onbegrip voor een nieuw tijdvak in de Europese - en dus Britse - geschiedenis.

In feite - daar is het merendeel van haar critici het over eens - zit zij, als gevangene van haar eigen karakter, niet alleen zichzelf, maar ook de Britse Conservatieve Partij in de weg. Die geaardheid predestineerde haar tot agente van het conflictmodel, waardoor het haar onmogelijk werd, toen de tijd daarvoor rijp werd, uit te groeien tot een staatsvrouwe die gezien kon worden als een moeder des vaderlands.

Oorlog, in verschillende gradaties van heftigheid, is Margaret Thatcher nooit uit de weg gegaan. De eerste keer dat het de natie en de wereld in volle omvang duidelijk werd dat deze leidster van de Conservatieve Partij een frontale botsing niet schuwde, nee, die zelfs met een zekere gretigheid zoekt, was toen Argentinie, in 1982, poogde een eilandengroep in de Stille Oceaan, de Falklands, binnen haar grondgebied in te lijven. De verdediging van de 1800 inwoners en de 600.000 schapen op dit ver verwijderde stukje Brits koninkrijk berustte voor Thatcher niet op bluf, maar op iets waaraan de Britten destijds al jaren een tekort hadden gehad: nationale trots.

In een avontuur dat door de rest van de wereld met een mengeling van ongeloof en respect werd bekeken stuurde ze de Britse marine met 100 schepen en 28.000 man naar de andere kant van de aardbol en bracht ze de Argentijnen, zonder diplomatiek overleg vooraf, de vernedering toe die zij Groot- Brittannie hadden willen aandoen. Het kostte 1000 doden en 1700 gewonden. Maar het had ook een verdienste: het maakte dat ze de verkiezingen van 1983 kon winnen, want het voldeed, in de woorden van Peter Jenkins, ' op een cruciaal moment aan de psychologische behoefte van een volk dat na jaren van aftakeling en neergang nu ook in de ogen van de rest van de wereld eens iets wel goed wilde doen'.

Die perceptie van nationale trots, gecombineerd met vechtlust, speelde al evenzeer een rol bij de grote mijnwerkersstaking van 1984. Edward Heath, de voorganger die zij in 1975 zo verrassend verslagen had in haar gooi naar het leiderschap van de Partij, was door de mijnwerkers ten val gebracht. Margaret Thatcher moest wel demonstreren dat het dit keer haar beurt was om die 'eredivisie van de werkende klasse', de mijnwerkers en hun leider Arthur Scargill ten val te brengen.

Heath had gevraagd: ' Wie maakt er in Groot-Brittannie eigenlijk de dienst uit?' Zij zou laten zien wie de dienst uitmaakte. Zij zou een eind maken aan de illusie dat de regering de vakbonden niet baas kon. Zij zou voor eens en voor altijd laten zien dat de grondwettig gekozen regering machtiger was dan de vuist van de vakbeweging, zelfs al was daar een bittere, bijna sectarische oorlog van maanden voor nodig. En ze won.

Tegen die tijd had Thatcher zich een gevoel van overmacht eigen gemaakt, dat maakte dat ze die kabinetscollega's van het eerste uur, die het met haar koers niet eens waren, met een gerust hart terzijde kon schuiven. Francis Pym, James Prior, Peter Walker, het zijn maar een paar voorbeelden van Conservatieve ministers die werden ontslagen of op dood spoor gezet. Geoffrey Howe, de man die haar boven allen geholpen had de economie op het rechte pad te sturen, kreeg als beloning Buitenlandse Zaken. Nigel Lawson werd gerecruteerd om op Financien het werk van Howe voort te zetten. Dit was het moment dat het kabinet, eerder een verzameling ongelijk gestemde zielen, een werktuig van haar wensen werd. Zij had gewonnen, zij was de sterke leider en wee degene, die haar voortaan tegensprak. In de kabinetten onder leiding van Margaret Thatcher heerste, aldus de later ontslagen Leader of the House, John Biffen, 'een stalinistisch regime'.

Drie achtereenvolgende verkiezingsoverwinningen, in grote mate vergemakkelijkt door de afwezigheid van een geloofwaardige oppositie, hebben Margaret Thatcher, aldus haar politieke biograaf Hugo Young, ' gesterkt in haar overtuiging dat zij en zij alleen de noodzakelijke wijsheid en het begrip meebrengt dat nodig is voor elk onderwerp dat ook maar op de agenda staat.' Dat geldt niet alleen voor binnenlandse, maar ook voor buitenlandse ontwikkelingen.

Margaret Thatcher kan niet zonder het conflictmodel. Binnenslands bleef zij een partijpolitieke kenau - ' I want to kill socialism' - die haar van nature schrille stem, op advies van haar image-makers, in het Lagerhuis een toon lager moduleert om met de politieke tuinkabouters op dat niveau af te rekenen. Buitenslands gaat zij het conflict even graag en even van nature aan, of het nu over sancties jegens Zuid-Afrika gaat of over de integratie van Groot-Brittannie in Europa. ' Als het weer een kwestie is van een tegen negenenveertig', zei ze na een treffen op een Gemenebestvergadering, waarop ze als enige volhield dat sancties geen zin hadden, ' dan spijt het me voor die negenenveertig'. Dit is een leider die nog steeds geen schijn van twijfel heeft over wat ze voor haar land gedaan heeft en nog wil doen.

' Jongeman', zei ze tegen een journalist die haar kritiseerde over dit soort uitlatingen, ' de manier van leiding geven en de stijl, waarop u kritiek hebt, heeft, als u het precies weten wilt, heel wat voor Groot-Brittannie voor elkaar gekregen'.

Ronald Reagan

Dezelfde nationale trots die Margaret Thatcher de Falklandsoorlog, een waagstuk van post-imperiale signatuur, ingaf, werd in hoge mate bevredigd door de Amerikaanse president Ronald Reagan. Het was eerder met hem persoonlijk, dan met de Verenigde Staten dat de Britse premier een speciale relatie kon claimen, zij het dat Groot-Brittannie voor de handhaving van haar status van (zogenaamd) onafhankelijke kernmacht van de Amerikanen afhankelijk is. Maar ze claimde hem, enerzijds omdat ze vast besloten was de naam Great Britain in de vooroorlogse status van grote natie te hullen, anderzijds omdat ze vast geloofde dat Groot-Brittannie en Europa voor hun verdediging moesten kunnen blijven vertrouwen op de steun en bescherming van de Verenigde Staten.

' Arme schat, hij heeft niets tussen zijn oren', zei ze eens over Reagan tegen een van haar ambtenaren, maar ze mocht hem en om politieke redenen vleide ze hem en viel ze hem nooit af. Zelfs niet, toen ze moest besluiten Britse bases beschikbaar te stellen voor de Amerikaanse aanval op Lybie, een expeditie waar ze om praktische redenen tegen was. In haar ogen waren de Britse (en Europese) belangen echter uiteindelijk het beste gediend door de Amerikanen niet te bevestigen in het gevoel dat de Navo-partners in Europa het wel prettig vonden om op defensiegebied onder de paraplu van Amerika te schuilen, maar niet bereid waren in een gemeenschappelijk belang - het uitroeien van terroristen die in Europa aanslagen pleegden op vliegtuigen en een disco voor Amerikaanse militairen - samen met de Verenigde Staten de handen uit de mouw te steken.

Diezelfde overweging zou in augustus 1990 opnieuw een rol spelen, toen Reagan's opvolger, George Bush, om steun vroeg om in Saoedie Arabie een streep in het zand te trekken tegen Iraks president Sadam Hoessein. Nog voor de Europese partners er onderling over hadden gesproken, had Margaret Thatcher al ondersteuning toegezegd en daarmee de 'speciale relatie', die een kwijnend bestaan leidde naast de alliantie Bush-Kohl, hersteld. George Bush spreekt nu over 'mijn goede vriendin Margaret'. Margaret heeft dit keer geen aarzelingen over de juistheid van de koers en spreekt over oorlog.

De gebeurtenissen in 1989, de dooi in het Oostblok en het afbreken van het communisme, gaven haar de voldoening dat ook de wereld zich naar haar inzichten begon te plooien. Ze prees Ronald Reagan en president Gorbachov als degenen die die gebeurtenissen hadden mogelijk gemaakt, maar wees erop dat zijzelf, Margaret Thatcher, met haar verwijzing naar de Oostbloklanden als wezenlijk onderdeel van Europa in haar beroemde toespraak in Brugge ' ver, ver voor' had gelegen in haar perceptie van de dingen die komen gingen.

Maar centraal in het beleid van haar regering stond de manier waarop Groot-Brittannie economisch diende te functioneren, gepaard aan de rol die het land internationaal diende te spelen. Vrij vertaald, zegt Hugo Young in One of Us: hoe moest de koers van het pond sterling gehanteerd worden en hoe lagen de betrekkingen met Europa. In de strijd daarover was het dat ze elke neiging tot gelijkgestemdheid onder haar meest nabije collega's aanvrat en haar natuurlijke bondgenoten van zich vervreemdde. Michael Heseltine, Nigel Lawson, Nicholas Ridley en tenslotte ook Geoffrey Howe, vielen over het absolute onvermogen van Margaret Thatcher om te helen in plaats van te splijten, de geneigdheid om liever ' nee' te zeggen dan ' ja, onder voorwaarden'.

Brussel

Dat onvermogen manifesteerde zich het duidelijkst in het aanhoudende debat over Europese integratie. In Brussel - 'Het Belgische Keizerrijk' - manifesteerde zich in de ogen van Margaret Thatcher een nieuwe vijand in de persoon van de socialist - ' Kill him!' - Jacques Delors, de voorzitter van de Europese Commissie. Dit was geen Neil Kinnock, waarmee ze in eigen huis de vloer kon aanvegen, dit was een scherpzinnige, ambitieuze Fransman die vastbesloten was zijn stempel te zetten op de periode dat hij in Brussel presideerde. Zijn fasen-plan voor politieke en monetaire eenheid, te beginnen met ook Britse toetreding tot het EMS, maakte hem in Thatcher's ogen tot staatsvijand nummer een. Hier was iemand, een verfoeilijke socialist nog wel, die erop uit was de soevereiniteit van Groot-Brittannie aan te tasten.

' Wij hebben in Groot-Brittannie niet met succes de greep van de staat teruggebracht, alleen maar om toe te zien hoe die op Europees niveau weer wordt verstevigd, met een Europese superstaat die een nieuwe dominantie uitoefent vanuit Brussel', zei ze in haar toespraak tot het Europa College in Brugge.

Die afwijzende opstelling, het onvermogen om constructief de Europese integratie eerst te laten komen en daarbinnen de Britse belangen te verdedigen, zou haar uiteindelijk noodlottig worden. Nigel Lawson, haar financiele wonderkind, dat staatsleningen afloste en verlaging van inkomstenbelasting realiseerde en dat begrotingen produceerde waarin inkomsten en uitgaven elkaar in evenwicht hielden, was al sinds 1985 voorstander van toetreding van het pond sterling tot het EMS.

Lawson zag het EMS als een methode die het gemakkelijker maakte de inflatie, het eeuwige probleem in de Britse economie, voor lange tijd in bedwang te houden. Hij liep, net als Geoffrey Howe, die hem steunde, stuk op het veto van de eerste minister. Sterker nog, toen Margaret Thatcher het debat met de twee niet rechtstreeks kon winnen, gebruikte ze haar 'persoonlijk economisch adviseur', Sir Alan Walters, om van buiten het kabinet het EMS en daarmee indirect Nigel Lawson aan te vallen als 'half-bakken'. Dat en de wrede kabinetsherschikking van juli 1989, waarin Geoffrey Howe van zijn post, van zijn buitenhuis en van zijn waardigheid werd beroofd, maakten dat Nigel Lawson in oktober van het vorig jaar zijn biezen pakte. Het was zijn enige kans om waardig en met nog schone handen te eclipseren naar een lucratieve baan in de City, daarmee ontsnappend aan verwijten over een stijgende inflatie, stijgende rente en een stijgend handelstekort. In de brief, waarin hij zijn abrupt vertrek toelichtte, hield hij Thatcher hetzelfde verwijt voor dat Michael Heseltine haar in 1986 over de Westlandaffaire gemaakt had: ze kon het niet nalaten zich met het beleidsterrein van haar ministers te bemoeien en daarmee hun werk te ondergraven. Thatcher veinsde onschuld. De positie van haar Chancellor, zei ze in een beroemd geworden interview met haar vriend Brian Walden, was ' onaantastbaar, on-aan-tastbaar'.

De Europese verkiezingen, in mei, waren voor de Conservatieven de eerste gelegenheid in twee jaar geweest om hun populariteit bij de kiezers te testen. De uitslag was desastreus: Labour werd overweldigend beloond voor de hervonden zelf-discipline en daarmee geloofwaardigheid, maar de Tories kregen slechts 34% van de stemmen. De Britse Conservatieve Euro-parlementariers gaven de schuld aan premier Thatcher, die nauwelijks een hand had uitgestoken in de campagne en haar negatieve commentaren had voortgezet. Margaret Thatcher haalde haar schouders op. Het verlies was te wijten aan slechte organisatie, zo meende ze.

Nu begon in de Conservatieve Partij de ongerustheid zichtbaar te worden. Bij traditie handhaven de Tories naar buiten een eensgezind front en scharen zich in tijden van tegenspoed om hun leider, zeker als die bijna goddelijke status heeft aangenomen door drie achtereenvolgende verkiezingen voor de partij te winnen. Maar de aanhoudende ruzies in Europa, de meedogenloosheid waarmee bij de kabinetswijziging oude getrouwen waren afgedankt en het ontslag van Nigel Lawson op een moment dat het economisch bergafwaarts ging, leidde voor het eerst in veertien jaar tot openlijke rebellie. Sir Anthony Meyer, een lang zittend Lagerhuislid voor Wales en een man zonder invloed in de partij, stelde zich kandidaat voor het leiderschap van de Conservatieven. Hij hoopte dat een proteststem tegen Margaret Thatcher, in de eerste ronde, andere, serieuze kandidaten zou motiveren om in een tweede ronde ook een gooi naar het leiderschap te doen.

Ketterij

' Ze schijnt ervan overtuigd te zijn dat ze en onoverwinnelijk en onfeilbaar is', zei Meyer. Het was een vorm van ketterij die in jaren niet voorgekomen was. Een kleine zestig Lagerhuisleden bleken bereid de daad bij dat woord te zetten, maar tientallen MP's lieten de campagneleiders voor Thatcher's herverkiezing weten, dat dit de laatste keer geweest was dat ze zich loyaal hadden betoond, tenzij de premier haar toon en stijl veranderde.

Dat gebeurde ook, even: de haarkleur werd blonder, de militante handtas met hengsel maakte plaats voor een enveloppemodel waarmee 'handbagging' moeilijker werd en de stem daalde naar verleidelijke diepte. De eerste minister zou, zo vertrouwde ze de natie toe, na deze bevestiging van haar leiderschap, een vierde verkiezingsoverwinning behalen en misschien een vijfde en ' go on and on'.

' Ik wil dat de fakkel brandende blijft, en hoog brandende. Hij heeft voor ons land schitterende resultaten gehad, werkelijk schitterende.'

Was ze vergeten dat Howe en Lawson haar in juni van het vorig jaar, aan de vooravond van de Europese top in Madrid, een ultimatum hadden gesteld? Dat kwam erop neer dat beiden haar dreigden met gelijktijdig vertrek, indien ze niet dat weekeinde haar verzet tegen toetreding tot het EMS zou opgeven. Dat ultimatum, waaraan Margaret Thatcher wel moest voldoen, was de reden dat Howe een maand later gewipt werd en dat Lawson bij zijn vertrek in oktober met opluchting werd nagekeken.

Beiden hadden aangevoerd dat ze op hun ontmoetingen in Brussel of hun rondreizen langs Europese collega's niet langer geloofwaardig konden volhouden dat het Groot-Brittannie ernst was met het verlangen naar een verenigd Europa, als Margaret Thatcher steeds maar de indruk wekte tegen te zijn. Geoffrey Howe, 'poor old Geoffrey', hoefde na haar genadeloze herschikking van het kabinet niet langer na elke anti-Europese uitbarsting van zijn premier op reis, om de overige partners in de EG uit te leggen dat het zo heus niet bedoeld was. Hij was nu vice-premier, een titel die, zo liet Thatcher weten, niets te betekenen had. Kon ze Howe, die ze op zo'n manier had afgedaan en die haar desondanks nog nooit in zijn leven was afgevallen, zo vergeten zijn? Of had ze erop gerekend dat ' het conflict tussen loyaliteit aan de eerste minister en de loyaliteit die ik verschuldigd ben aan wat ik zie als het werkelijke belang van dit land' door Howe nooit als ' te groot' zou worden gedemonstreerd?

Margaret Thatcher heeft de splijting in haar partij, van een soort waarop in het verleden de Labouroppositie het patent leek te hebben, alleen aan zichzelf te wijten.

' Wie was ervoor verantwoordelijk dat zo'n man tot de grens van een bijna oosterse duldzaamheid werd gedreven?' vroeg Peter Jenkins zich deze week in The Independent af. En hij beantwoordde de vraag impliciet zelf: ' De Conservatieve Partij is gespleten over Europa omdat de Prime Minister haar eigen opvattingen zover doordrukte dat ze de grens van collectieve tolerantie overschreed.'

Voor Geoffrey Howe deed de zoveelste vertoning na de laatste Europese top in Rome, een debat in het Lagerhuis waar Margaret Thatcher weer afweek van het o zo zorgvuldig in het kabinet overeengekomen standpunt, de deur dicht.

' Ik beschouw de manier waarop het Italiaanse voorzitterschap de Rome Topbijeenkomst heeft geleid NIET als een toonbeeld van Europese topontmoetingen - verre van dat. Ik beschouw het NIET als op enigerlei wijze ongewenst dat Groot-Brittannie daarop kritiek uitoefent, duidelijk en op een hoffelijke manier, noch acht ik het op enige manier verkeerd wanneer wij dat, indien nodig, als enigen doen. Maar het is van cruciaal belang dat we die verschillen van mening uitvechten op basis van een duidelijk begrip over de feitelijk bestaande betrekkingen tussen dit land, de Gemeenschap en onze partners in de Gemeenschap. En het is op dit punt, naar ik vrees, dat de Prime Minister in toenemende mate het gevaar loopt zowel zichzelf als anderen het verkeerde pad op te leiden in kwesties die inhoudelijk als wel qua stijl van belang zijn'.

Het was een typische Sir Geoffrey-variant op wat Michael Heseltine, de man die gehoopt had Margaret Thatcher te kunnen opvolgen zonder haar rechtstreeks aan te vallen, in 1989 al veel verhulder had geschreven:

' Elke negatieve toespraak van een belangrijk politicus over zaken die Europa aangaan, wanneer die met schallende stem wordt wordt afgestoken voor een gehoor in eigen land, wordt ook over de grenzen opgevangen en kan schadelijke gevolgen hebben.'

Zo heeft Margaret Thatcher dan na elf jaar premierschap en geheel volgens haar karakterologische geaardheid een conflict van eigen maaksel opgeroepen, dat haar confronteert met haar sterfelijkheid als politiek leider. Natuurlijk zeggen haar campagneleiders dat ze uitziet naar de confrontatie met Heseltine en dat ze die gaat winnen. Zulke uitlatingen passen bij de premier en zijn waarschijnlijk meer dan de gebruikelijke bluf van een kandidaat in de verdediging.

Maar de leidster van de Conservatieven onderschat de kracht van de sentimenten over Europa. Want net zoals Mrs Thatcher korte metten maakte met die grote voorstander van Europa, Ted Heath, toen ze die in 1975 uit zijn leiderschap wist te verdringen, zo zou Europa dit keer, in 1990, een einde kunnen maken aan die weerspannige gevangene in de sentimenten van vroeger, premier Margaret Hilda Thatcher, de kruideniersdochter uit Grantham, die haar land eerder zoveel goeds heeft gebracht. (Aangehaalde bronnen: Hugo Young, One of Us. London 1990

Peter Jenkins, Mrs Thatcher's Revolution, The Ending of the Socialist Era. London 1987)