Bestaat er rechtszekerheid ?

Weet u met de belastingwet in de hand, precies waar u aan toe bent? Heeft u het vertrouwen dat u bij de belastinginspecteur uw recht krijgt? Kortom, hoe staat het met onze rechtszekerheid op fiscaal terrein? Deze vraag was het thema van het zesde congres van het Landelijk Overleg Fiscalisten, dat donderdag in Leiden werd gehouden. Bij die gelegenheid gaf prof. dr. J. E. A. M. van Dijck een onthullend overzicht van de stand van zake bij de rechtszekerheid in de belastingheffing. Zijn conclusie is dat de beroepsfiscalisten geen enkel belang hebben bij een grotere rechtszekerheid van de burger en dus ook geen hand uitsteken voor een verbetering van de situatie. Wie moeten zich deze beschuldiging aantrekken?

In de eerste plaats zijn dat de regering en Staten Generaal. Van Dijck beschuldigt hen er van bewust onduidelijke wetten te maken. De wetgever doorziet bij het opstellen van een wet nog niet alle reacties die de nieuwe regels zullen oproepen. Het is ook bijna niet te doen bij voorbaat te voorzien wat de allerbeste belastingadviseurs in de komende tien jaar kunnen bedenken om een wetsregel te omzeilen. Daarom kiest het ministerie van financien, of een amenderend kamerlid, maar al te vaak voor een lekker vaag woord, waar de praktijk later nog alle kanten mee uitkan. 'Dat heet dan dat men de rechter niet voor de voeten wil lopen. Maar het is juist de taak van de wetgever om voorop te lopen en wel zo snel dat niemand over hem struikelt' aldus Van Dijck. Hij verwijst naar Duitsland waar men wel degelijk in staat blijkt ingewikkelde zaken in heldere wetteksten te regelen.

Het tweede mikpunt van zijn kritiek vormen de belastingambtenaren. Zij kunnen hun macht niet altijd aan. Ook als de hoogste rechter zich uiteindelijk heeft uitgesproken over de betekenis van een onduidelijk woord, zijn er nog belastinginspecteurs die zich daar niet bij willen neerleggen. 'Als ze zien dat iets niet te belasten is, komen ze in een soort furie terecht. Soms bedenken ze dan een soort wetsuitleg waarbij iedereen onthutst is over zo veel fiscaal onvermogen', zo signaleert Van Dijck. Hij houdt de inspecteurs voor dat zij minder een straatvechtersmentaliteit moeten tonen. Als zij originele vondsten hebben om de belastingheffing te verbeteren, dan moeten ze een artikel in de vakliteratuur schrijven en niet over de rug van een belastingbetaler het nieuwe idee uitproberen.

Ook de staatssecretaris van financien reageert volgens Van Dijck veel te star op nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen. Hij geeft systematisch de opdracht elke nieuwe ontwikkeling op fiscaal terrein die hem niet helemaal aanstaat, tot voor de Hoge Raad aan te vechten. 'Dat zijn vaak beschamende procedures. Voor doodgewone zaken moeten mensen tot voor de Hoge Raad procederen om hun gelijk te krijgen.'

Onvermoeid richtte de Tilburgse emeritus hoogleraar zijn volgende pijlen op de rechter, die zijns inziens volstrekt te kort schiet. Dat geldt niet zozeer voor de 'lagere' rechters (de belastingkamers van de gerechtshoven) maar specifiek voor de hoogste belastingrechter: de Hoge Raad. Hij beschuldigt het eerbiedwaardige college er van bewust rechtsonzekerheid te scheppen door zijn beslissingen niet of op een onbegrijpelijke wijze te motiveren. De belastingrechters van de Hoge Raad voelen er stelselmatig niets voor op terreinen waar verwarring heerst meer algemene rechtsregels te formuleren. Die zouden dan richting kunnen geven aan het denken van de praktijkmensen. De Raad beperkt zich evenwel tot uitspraken die zich specifiek op het berechte geval toespitsen. 'Daardoor duurt de chaos ook na zo'n rechterlijke uitspraak onverminderd voort.'

Dit alles betreft de overheidsinstanties die borg zouden moeten staan voor een maximum aan rechtszekerheid. Andere fiscalisten zoals de belastingadviseurs hebben geen verantwoordelijkheid bij het bewaken van de rechtszekerheid. Zij profiteren overigens wel volop van het ontbreken ervan. De mogelijkheid samen met de fiscus allerhande onduidelijkheden te lijf te kunnen gaan, vormt voor hen een lucratief spel. Voeg daarbij de inspecteurs zelf, die genieten van de macht die de onduidelijke wetsbepalingen hen geven en tel daarbij op de gelegenheid die onduidelijke wetteksten aan de wetenschapsmensen bieden om mooie beschouwingen te geven. Completeer dit beeld met het gemak voor de wetgever om wat problematische punten in vage formuleringen onder te brengen. Dan zie je dat iedere professionele fiscalist een zeker belang heeft bij het voortbestaan van onduidelijke regels. Van Dijck: 'Het klinkt verschrikkelijk cynisch, maar op deze wijze is de impuls voor het verminderen van de rechtsonzekerheid maar heel matig aanwezig'.