Wat wij zien en horen

Verzamelen jullie ook van alles? Wij hebben tafels vol met halfedelstenen en allerlei stukken gesteente. Grote brokken amethyst, agaatschijven, bergkristal dat is net water van glas en zelfs scherfjes van meteorieten. Die kan je in Amsterdam kopen in Artis bij het Planetarium. Als er kennissen van ons naar het buitenland gaan durven ze gewoon niet terug te komen zonder dat de achterbanden van hun auto bijna plat staan van het gesteente dat ze in de achterbak voor ons meenemen. Een poosje geleden brachten vrienden van ons een zak zoutkristallen uit Israel mee, van de Dode Zee. Onze papa zei: 'Dat is voldoende om een olifant in te pekelen. Nou begrijp ik waarom de vrouw van Lot in een zoutpilaar veranderde.' Maar dat zout is nu net natte sneeuw. We hebben de zak open laten staan en toen is het vochtig geworden. Het proeft naar tranen. Ook hebben we fossielen. Haaietanden uit de mergel in Limburg en overblijfselen van pijlinktvissen die je als kant in de gladgeslepen steen ziet zitten. En we hebben ieder een tand van een holenbeer uit het pleistoceen. Er schijnt een plaats in Duitsland te zijn waar ze als sigarettepeuken om je heen gestrooid liggen. We hebben ook potten met dode vlinders, die vanzelf zijn doodgegaan natuurlijk. Vooral dagpauwogen zijn mooi. Het zijn net droogbloemen, maar dan een beetje zielig. Als we een dode hommel vinden doen we hem in een klein plastic doosje op een wolkje watten. Dat ziet er erg lief uit. Het zijn net beertjes die slapen. Maar het mooiste van onze verzameling is een egelvis en een vogelspin. Die heeft onze papa in de herfstvakantie in Frankrijk voor ons gekocht, in een klein winkeltje aan de haven van Honfleur. Toen we die vogelspin, die zo groot is als een schoteltje van een theekopje, mee naar school namen, gilden de meisjes alsof dat harige beest nog in staat was om zo naar ze toe te kruipen.

Toen we nog maar net konden lopen en achter onze ouders door de duinen hobbelden, waren we al van alles aan het verzamelen. Dorre stuifzwammen waaruit we wolkjes sporen knepen, stukjes rendiermos en botjes van konijnen. Soms keek onze papa onze zakken even na, want we namen wel eens een konijneschedeltje mee dat nog te vers was en erg stonk. 'Pas als ze helemaal gebleekt zijn en er zit geen huid en haar meer op de kopjes mag je ze meenemen. Moeten jullie nou eens horen wat onsmakelijk. De hersentjes van het arme knaagdiertje kledderen er in heen en weer. Daar moeten eerst nog wat maden en wurmpjes van smikkelen en smullen.'

Een poos geleden zou iemand een paar heel oude schedels voor ons meenemen. Mensenschedels. Hij woont bij een middeleeuwse kerk waar in de diepe gewelven eronder allemaal skeletten liggen. Wij verheugden er ons erg op en we hadden er al een plaats voor ingeruimd op onze tafels. Maar toen hij kwam had hij niets. Hij zei dat ze zo dor en broos waren dat je ze niet vervoeren kon. Als je erin kneep verkruimelden ze. Het was net of je een hand bruine suiker had.