Universiteiten zitten niet te wachten op meerjarenafspraken onderwijsminister; Breed verzet tegen plannen van Ritzen

ROTTERDAM, 16 nov. Snel tekenen, zei een meerderheid in de Tweede Kamer vorige week tegen minister Ritzen (onderwijs) over zijn meerjarenafspraken met het hoger onderwijs. 'We zullen later wel beoordelen of we het met uw intenties eens kunnen zijn.'

Nu gisteren ook de laatste universiteitsraad, die in Delft, zich heeft uitgesproken over dit 'hoofdlijnenakkoord' is echter duidelijk dat de universiteiten niet zitten te wachten op het akkoord zoals hun dat is voorgelegd.

In september en oktober sloot de minister een meerjarig beleidsakkoord met de besturen van universiteiten, hogescholen en academische ziekenhuizen. Bedoeling: rust brengen in het hoger onderwijs. In ruil voor hun inspanningen om, bijvoorbeeld, de studieduur te bekorten beloofde de minister hen financiele bescherming, in de hoop zo het vertrouwen van het onderwijs in 'Zoetermeer' te herstellen.

Maar het akkoord zal door de colleges van bestuur niet in de huidige vorm kunnen worden ondertekend. De universiteitsraden die de richtlijnen voor de organisatie en coordinatie van het onderwijs vaststellen hebben in meerderheid het meest omstreden onderdeel van het akkoord afgewezen. Dat is de dwingende selectie en verwijzing van elke student aan het einde van het eerste studiejaar, het 'bindend studieadvies'.

Bij de verdediging van het akkoord heeft menig college overigens ook al gezegd de betreffende passage niet erg serieus te nemen, of zelfs aan de uitvoering ervan niet te zullen meewerken. Ook om die reden lijkt het niet goed mogelijk dat de huidige concept-tekst wordt ondertekend.

De universiteitsraden maken zich zorgen over de manier waarop de universiteiten in opdracht van de minister hun studenten op 'het rechte spoor' moeten zetten. De minister wil dat universiteiten en hogescholen studenten in de propaedeuse scherper gaan selecteren en verwijzen wat opmerkelijk is omdat hij enkele maanden geleden deze functies van de propaedeuse heeft geschrapt in zijn voorstel voor de nieuwe hoger-onderwijswet.

Maar wat als de student dan verwezen wordt naar een andere opleiding? Het akkoord voorziet niet in sluitende afspraken over de verdere studieloopbaan van studenten die naar andere opleidingen worden verwezen. Samenwerking tussen de opleidingen binnen een universiteit of hogeschool komt niet aan de orde, net zo min als die tussen universiteiten en hogescholen. Ook is er geen sprake van wederzijdse erkenning van geleverde prestaties.

Ook om nog een andere reden zijn de raden en studenten maar ook de Tweede Kamer weinig enthousiast over het voorstel van de minister. Zij wijzen erop dat de instellingen niet verplicht worden hun onderwijs goed te laten aansluiten op het niveau van de beginnende student.

Ook is er geen sprake van een verplichting de propaedeuse zo in te richten en het onderwijs zo te organiseren dat het reeel en verantwoord is van de studenten goede resultaten te vergen. De studiebegeleiding staat nog in de kinderschoenen of ontbreekt, van controle op de studievoortgang is pas op een enkele universiteit en hogeschool sprake. Controle op de studievoortgang lijkt in de akkoorden vooral bedoeld voor na de propaedeuse.

De universiteiten beloven in het akkoord dat zij nu echt werk gaan maken van de herprogrammering van het onderwijs. De verkorting van de cursusduur nu bijna tien jaar geleden heeft vaak bestaan uit het plakken van een nieuw label op het bestaande onderwijsprogramma. Het gevolg is, aldus Ritzen, dat in veel studierichtingen de studenten eigenlijk niet in vier jaar kunnen afstuderen.

Ritzen wil waar dat mogelijk is een kortere cursusduur dan vier jaar stimuleren. Langer dan vier jaar is onbespreekbaar. Want, zo stelde hij in de Kamer, als daar niet strikt de hand aan wordt gehouden, probeert iedereen er onderuit te komen. Maar, zo zei hij even later, een langere cursusduur voor studierichtingen waar dat aantoonbaar onontkoombaar is, is niet uitgesloten.

Bij de vergelijking van de hoofdlijnenakkoorden valt het op dat de hogescholen er financieel aanmerkelijk beter uitspringen dan de universiteiten, door uit te gaan van Ritzen's eigen studentenramingen: die voorzien in een groei van het hoger beroepsonderwijs met nog eens 35.000 studenten. Ongetwijfeld het gevolg van beter onderhandelen door de hogescholen, maar bovenal kon het hoger beroepsonderwijs gebruik maken van de tijdsdruk waaronder de minister zichzelf had gesteld. Ritzen zou met het akkoord hebben willen 'scoren' voordat zijn staatssecretaris Wallage met de vakbonden overeenstemming bereikte over een nieuw financieringssysteem in het voortgezet onderwijs en in het basisonderwijs.

Het verschil tussen de akkoorden verliest overigens aan waarde naarmate het duidelijker wordt dat de financiele bescherming die de minister in de akkoorden belooft, flinterdun is. In de afgelopen weken kon Ritzen in de Kamer niet aannemelijk maken dat het hoger onderwijs bij komende bezuinigingen zal worden gespaard. Zelfs zijn stelling dat bezuinigingen op hogescholen en universiteiten dan in elk geval alleen tot het afstoten van taken zou moeten leiden, hield nog geen week stand. In de Kamer zei hij vorige week dat die uitspraak niet verabsoluteerd mocht worden: er kan kennelijk nog efficienter worden gewerkt. Voor de universiteiten mag dat geen verwondering wekken. Ritzen heeft de afgelopen half jaar immers regelmatig gezegd dat daar nog wel op kan worden bezuinigd.