Slachting in Grootzijl; Roman van Gerrit Krol

Gerrit Krol: De Hagemeijertjes. Uitg. Querido, 136 blz. Prijs: fl. 24,90.

Wie niet beter weet zet zich handenwrijvend in een leunstoel met wat een genoeglijke episode belooft te worden. Zou Gerrit Krol dan toch eindelijk het lang verbeide, grote en brede publiek zijn tegemoet gekomen met een heuse familiegeschiedenis? Maar wie zijn nieuwe roman, met de veelbelovende titel De Hagemeijertjes, opslaat, ziet meteen dat hij het zijn lezers toch ook weer niet al te gemakkelijk heeft willen maken. En dus zet de roman in met drie puntjes, gevolgd door een onaffe zin en moet men nog heel wat van die hoekige, nadenkelijke Krol-alinea's lezen voordat de Hagemeijertjes op het toneel verschijnen. Al snel wordt dan trouwens duidelijk dat van het echtpaar alleen de nymfomane mevrouw Hagemeijer een belangrijke rol vervult. Haar suffige echtgenoot brengt het weliswaar tot burgemeester, maar heeft verder weinig in te brengen.

De echte hoofdrol is weggelegd voor de havenstad in noordoost-Groningen, waar de Hagemeijertjes wonen. Dit hoeft niemand te spijten, want Grootzijl, zoals de (vermoedelijk naar Delfzijl gemodelleerde) stad heet, is een interessant personage. De Hagemeijertjes is een geengageerde roman. Want ook al doet hij het koel en van veilige afstand, Krol toont hier een ruim medeleven met de veelgeplaagde stad, die zich steeds maar weer aan nieuwe 'moderne' eisen heeft te onderwerpen, met alle gevolgen van dien. Van twee kanten wordt het arme Grootzijl bedreigt: door het oprukkende zand (aangevoerd door de Eems) dat de haven op den duur tot een stilleven zal doen verslibben, en door beleidsambtenaren, uit 'het westen', uit Den Haag vooral, die haar willen omvormen tot een dynamische metropool. Maar vanaf het begin is het al volstrekt duidelijk dat het op niets zal uitlopen met dit centrumloze Grootzijl, 'dit gat' zoals het oneerbiedig wordt genoemd, deze stad die eigenlijk geen stad is, en waarvan niemand weet of zij nu te groot of juist te klein is.

De Hagemeijertjes heeft wel wat weg van een gedramatiseerde documentaire, samengesteld uit de getuigenissen van uiteenlopende figuren, waarbij Krol een enkele keer citeert uit het Nieuwsblad van het Noorden. Niet alleen het verleden, maar ook de soms zeer verre toekomst komt daarbij aan bod. Het heden is een onduidelijke en steeds verschuivende grootheid, die zich maar moeilijk laat betrappen. Krol laat een veelheid aan stemmen horen, van mensen die allemaal hun eigen visie hebben op Grootzijl. Zo komen, in snelle afwisseling en meestal zonder context, bezorgde stadsbewoners, geliefden, een eeuwige student ('De nietsnut van dit verhaal'), een voormalige wethouder, kwaadsprekers, een stedebouwer (die meer van breken houdt dan van bouwen), leden van de gemeenteraad en veel beleidsmedewerkers aan het woord. De laatsten uiten zich in een onbetrouwbaar klinkend jargon van 'speerpunten', 'grootschalige kleinhandel', 'feasibility studies', 'advisers' en 'multifunctionele kernen'. De roman bestaat voor een belangrijk deel uit flarden dialoog, die vaak erg komisch zijn en sterk bijdragen aan het geanimeerde en ondanks alles montere karakter van het boek. Twee gealarmeerde 'Zijlsters' voeren bij voorbeeld deze korte, maar veelzeggende dialoog: 'Ze gaan het kunst noemen.' 'Dan zijn we nog niet jarig.'

De stadsbestuurders voeren veel onthechte conversaties van dit type:

'Ik zou er een groendeskundige over willen horen.' 'Grootzijl heeft geen groen.' 'Daarom juist.'

Men breekt, bouwt, praat, graaft en oppert menig plan voor 'die boeren', zonder dat ook maar de geringste vooruitgang wordt geboekt. Een wonder is dat niet, want een overkoepelend plan, een leidende gedachte ontbreekt bij de projectontwikkelaars.

Overmeestering

De Hagemeijertjes is voor Krols doen verrassend concreet en weinig theoretisch, met mooie, tragische wendingen die nuchter beschreven worden. Door zelfmoord of doodslag komen wel vijf figuren aan een onfortuinlijk einde. Je kunt dus zeggen dat er veel gebeurt in deze roman, maar evengoed dat er niets gebeurt, omdat niets tot stand wordt gebracht dat het verdient om 'gebeurtenis' te kunnen heten. Een steeds terugkerende vraag in De Hagemeijertjes is, wanneer iets de status krijgt van gebeurtenis of gedenkwaardig feit. Het antwoord op deze vraag blijft uit, maar Krol geeft wel een voorbeeld van zo'n feit: de inname in 1594 van Grootzijl door Maurits en Willem Lodewijk. Zo zou je misschien ook het treurige gesol met Grootzijl, dat door machinaties van buitenaf onteigend en ten slotte aan haar lot overgelaten wordt, als een gebeurtenis kunnen opvatten, als een langgerekte overmeestering. Deze 'gebeurtenis' krijgt extra relief doordat zij in een historisch perspectief wordt geplaatst. In zijn motto verwijst Krol naar het oudtestamentische bijbelboek Jozua, en wel naar dat gedeelte waarin verteld wordt hoe Jozua en zijn manschappen, op last van de Heer, de stad Jericho veroveren. Ook toen al, zo blijkt wel, deed men maar wat, want nadat de stad is ingenomen en er een slachting is aangericht onder de onschuldige inwoners, waarbij ook het 'kleine vee' niet werd gespaard, laat men Jericho als een verbrande spookstad achter.

De mens weet, zo zou je hieruit kunnen concluderen, niet wat hij met zijn macht, zijn vermogens, zijn leven aanmoet, een conclusie die je ook uit De Hagemeijertjes kunt trekken. De mens moet in dit verband niet als mens, maar alleen als man beschouwd worden, want Krol schrijft uit een mannelijk oogpunt. Vrouwen vormen de uitzondering, om zo te zeggen, omdat zij, de vrouwen van Krol althans, naar hun aard leven en niet gehinderd worden door de hogere aspiraties waaronder mannenlevens nogal eens gebukt gaan.

Het zal hem in het bijbelverhaal erg hebben aangesproken dat het een vrouw is, de hoer Rachab, die als enige (met haar familie) aan de slachting in Jericho ontkomt, omdat zij twee mannen van het vijandelijke kamp met vooruitziende blik aan zich had verplicht door hun 'weldadig' te zijn.

Zo is ook mevrouw Hagemeijer in De Hagemeijertjes, na een tijdlang als hedendaagse Rachab haar vertier te hebben gezocht, de enige die (met haar gezin) Grootzijl ongedeerd kan verlaten. Zij blijft namelijk gespaard voor het besef een zinloos en mislukt leven te leiden, een besef dat anderen nog wel eens noodlottig wil worden. Zij heeft haar zinnen niet gezet op iets dat boven haar macht ligt, maar Krol zweert nu eenmaal bij een stereotiepe rolverdeling vindt ten slotte haar vervulling als moeder-de-vrouw. Al kon hij het toch ook weer niet laten om aan zoveel huiselijk geluk een ironische noot toe te voegen: 'En voortaan elke zaterdag met z'n drietjes bij Albert Heijn boodschappen doen. O, mocht het leven ons zo genadig zijn.'

    • Janet Luis