Pyrrhus las geen romans; De kokette Andromache van Jean Racine

Het verhaal dat Racine voor 'Andromache' uit diverse bronnen samen- stelde is op het eerste gezicht een voorbeeld van de klassieke Trojaanse blues: iedereen is verliefd op iemand anders. Racine liet het echter verder komen dan in de klassieke oudheid ooit tot de moge- lijkheden heeft behoord. Hij koos voor 'alles wat de majestueuze triestheid kon doen voelen die 'geheel het plezier van de tragedie uitmaakt'.' Vanavond gaat Andromache door Toneel- groep Amsterdam in Rotterdam in premiere.

Jean Racine: Andromache. Premiere 17 november in de Rotterdamse Schouwburg. Regie: Gerardjan Rijnders, vertaling: Laurens Spoor.

Toen enige jaren geleden aan boord van het stoomschip Immanuel Kant iemand de kok vermoordde, was dat een slag die men sindsdien in wijsgerige kringen niet te boven is gekomen. Het bestaan van de hartstochten is immers niet alleen voor joden en christenen een probleem, maar vraagt van ieder die zich inzet voor de moraal veel kracht.

Nu zeggen ze ook wel van de schrijver Racine dat hij uit jaloerse hartstocht zijn minnares La Parc vergiftigde maar daarover hoeven we ons toch niet werkelijk bezorgd te maken, want hij herstelde zich. Hij herstelde zich zelfs zo grondig dat het hem nadien werd vergund om aan het voeteneind van het koninklijk bed te zitten en de koning voor te lezen. Uit dankbaarheid sprak de koningin zulke mooie woorden na de dood van Racine, dat de hovelingen wel wensten dat zij zelf gestorven waren, als zij mochten geloven dat Zij dan ook zo over hen zou spreken. (Schrijft Boileau). Bovendien kunnen sommige omstandigheden van de beweerde vergiftiging ook nog schuldverminderend werken: er bestaat een vermoeden dat Therese la Parc inmiddels niet langer Racines minnares was, maar zijn vrouw. En dan kan er in een christelijke samenleving nu eenmaal wat meer.

Zoveel lasterpraat was hier helemaal niet nodig geweest, als La Parc niet was gestorven op het moment dat zij naam had gemaakt met een schitterende vertolking van de titelrol in Racines 'Andromache', een toneelstuk over deugd en jaloezie. Want juist de sterke invloed van de zeventiende-eeuwse zeden en het verloop van Racines eigen leven op de behandeling van het Griekse thema geven dit stuk voldoende charme voor een twintigste-eeuwse opvoering.

Racine hechtte enerzijds zeer aan de klassieke theaterprincipes. Tegen critici die volmaakte helden op het toneel hadden willen zien, verweerde hij zich in zijn eerste voorwoord tot Andromache door te verwijzen naar de genuanceerde aanbevelingen van Aristoteles zelf. En als men de held Pyrrhus hoffelijker had gewenst was het antwoord: 'Pyrrhus n'avait pas lu nos romans', en daar klonk enige afgunst in door. Aan de andere kant was echter zijn karaktertekening van de personages meer romantisch dan in de Oudheid mogelijk zou zijn geweest, en zijn interpretatie duidelijk gevormd door zijn jansenistische opvoeding in Port-Royal.

Het verhaal dat Racine voor 'Andromache' uit diverse bronnen samenstelde is op het eerste gezicht een voorbeeld van de klassieke Trojaanse blues: Orestes bemint Hermione, Hermione Pyrrhus, Pyrrhus Andromache, Andromache Hector, en Hector is heen. Achter het waas van niet-wederkerige liefdes gaat dan nog Astyanax schuil, het zoontje van Hector en Andromache, dat na de brand van Troje door Pyrrhus gevangen wordt gehouden. Astyanax treedt niet zelf op in het spel, maar is aanwezig in de gesprekken als een gijzelaar waarmee huwelijken kunnen worden afgedwongen: in ruil voor zijn vrijlating zal Andromache moeten trouwen met Pyrrhus. Loyaal aan de nagedachtenis van Hector weigert ze dat, waarop Pyrrhus' verloofde Hermione haar bewonderaar Orestes inschakelt om Pyrrhus te bewegen Astyanax hoe dan ook te laten gaan. Als haar zoontje veilig is zal Andromache immers zeker niet met Pyrrhus willen trouwen. Na veel op rijm gezette intrige stemt Andromache tenslotte toch toe tot een huwelijk, met het doortrapte plan om zich onmiddellijk na de huwelijksplechtigheid te verdoen. De versmade Hermione krijgt Orestes echter bijtijds zover dat hij Pyrrhus vermoordt maar in plaats van dankbaar te zijn, wordt ze woedend ('Barbare, qu'as tu fait?'), verjaagt Orestes en pleegt zelfmoord. Orestes verliest vervolgens zijn verstand.

Zo ver was het in de antieke bronnen nooit gekomen. Racine bracht de pathetiek van de ziel in deze legende in. Veel bloed kwam er aan de tragedie overigens niet te pas, want zoals hij in het voorwoord tot enkele andere toneelstukken schreef, koos Racine voor een eenvoudige handeling, gedragen door gevoelens, hartstochten en alles wat de majestueuze triestheid kon doen voelen die 'geheel het plezier van de tragedie uitmaakt'.

Gekunsteld

Is het een klassiek of een jansenistisch principe dat een tragedie is bedoeld om te behagen? Racine was er in ieder geval zeer stellig over. Hij hekelde de critici 'die naar het theater gaan met het ferme plan om zich er absoluut niet te amuseren, en die denken dat ze alle toeschouwers door een schudden van het hoofd en door gekunstelde grijnzen kunnen bewijzen dat ze de Poetica van Aristoteles ten grondigste hebben bestudeerd'. De gewone toeschouwers bezwoer hij daarom voldoende zelfachting te hebben, zodat ze niet zouden geloven dat een stuk dat hen raakte en plezierde volstrekt tegen alle regels in zou zijn. Het moest dan ook volgens Racine het doel zijn van ieder die voor het publiek werkte, om in de toeschouwer medelijden op te roepen en schrik. Niet door de vlekkeloze deugd te tonen, maar 'une vertu capable de faiblesse', het midden tussen goed en kwaad, een mengeling van schuld en onschuld, ondeugd die aanleiding gaf tot mededogen.

Hij mocht zich hierbij dan evenals de schuddende en grimassende critici beroepen op Aristoteles, in zijn Griekse literaire bronnen waren minder morele nuances te vinden. De regels van de (post-) Trojaanse strijd waren eenvoudig. Zo hing er in de school die ik bezocht, en die stamde uit de Griekse Oudheid en nog eerder, een bord met de tekst: 'niet alle strijders kunnen zegen oogsten, maar alle kunnen, onrecht weerstaande, nader brengen uw dag, Gerechtigheid op aarde'. Woorden van Roland Holst, de socialiste, en wie met Kerst nog niet wist dat 'socia' bondgenote betekende, werd subiet van school verwijderd. Dat was de Griekse vorm van noodlot.

Het jansenisme dat Racine had beinvloed was minder krachtig, en liet ruimte voor een vorm van genade waarvoor de Griekse goden helaas te menselijk waren. Hier was geen sprake van de strijd tussen individu en noodlot, maar van een gevecht van de mens met zijn eigen hartstochten, hartstochten waarvoor vergeving mogelijk was. Het succes van 'Andromache' was juist aan deze nuancering van het gevoel te danken, het stuk werd beschouwd als een vernieuwing van de tragedie. De aanhang van Corneille bleef niettemin vasthouden aan een strengere scheiding tussen goed en kwaad; uiteindelijk was er zelfs sprake van een 'querelle' tussen voor- en tegenstanders van de nieuwe vorm van zielsstrijd, uitmondend in een parodie op 'Andromache': 'La Folle Querelle'. De kritiek in later jaren betrof vooral het gedrag van Andromache ten opzichte van Pyrrhus. Men vond haar te koket. Anders dan de deugdzaamheid vereist, maakte zij gebruik van Pyrrhus' adoratie om hem te manipuleren. Andromache was niet langer een ideale weduwe, ze was opgevoed, beschaafd, geraffineerd. En ook de andere personages behandelden elkaar met die verfijndheid en beschaving die garanderen dat sinds de zeventiende eeuw alles op subtiele wijze misgaat. De wanhoopsdaden die uit de nuancering voortkwamen konden echter precies dat opwekken in de toeschouwer wat Racine wenste: medelijden. Zoals de deugd van Andromache niet de volmaakte deugd was, zo was de jaloezie van Hermione niet de volmaakte ondeugd: beide werden daardoor herkenbaar voor de toeschouwer, zoals ze herkenbaar waren voor Racine.

Ik had dit verhaal anders kunnen beginnen: Racine was de zoon van een ambtenaar bij de zoutbelasting. Ik heb de zoutbelastingen echter niet in de tekst kunnen terugvinden. Zijn christelijke opvoeding, zijn afkeer daarvan en het najagen van eigen passies, zijn terugkeer tot een meer spirituele levensvorm aan het voeteneinde van het koninklijk bed, dat alles vindt weerslag in de beheerste hartstochtelijkheid, de gepassioneerde soberheid van zijn tragedies. Voor alles geldt daarbij het plezier van de toeschouwer: 'de eerste regel is om te behagen en te ontroeren. Alle andere zijn alleen maar gemaakt om op die eerste uit te komen'. En zo is dat. Ik weet niet of men op het stoomschip Immanuel Kant van deze regel op de hoogte is, maar let op, ook ons toneel zal er nog groot door worden.