Pissebedden

Mijn naam is Eelco Keldermot,

Ik woon onder een geraniumpot.

Mijn jongste zuster, dat is Lien,

Woont onder 'n pot met balsemien.

En m'n oudste zuster die heet Sonia,

Zij woont onder een pot begonia.

Mijn gepensioneerde oom Hendricus,

Heeft zijn intrek onder een ficus,

Mijn ongetrouwde tante Livia,

Huist onder een pot met clivia,

En niet ver weg woont opa Sander,

Onder een kuip met oleander;

Je bent nooit in het ongewisse met

De woonplaats van een pissebed!

'k Had een lieftallige verloofde,

Waarvan het noodlot mij beroofde.

Zij was zo mooi en hemelsblauw,

Helaas! ons leven gaat zo gauw.

Zij was een engel, zij heette Heleen,

Zij huisde onder een grote steen;

Maar ach, zij huist daar nu niet meer:

Het noodlot nam een droeve keer,

Zij sneuvelde bij het verpotten:

Dat is het lot van keldermotten.

Ons leven wordt zo wreed ontwricht

Wanneer de steen wordt opgelicht

Waar wij in 't donker onder huizen

Of de bloempot, de plavuizen

Het is wel donker, warm en knus,

Maar niet altijd veilig dus.

Gedenk ons, arme pissebedden!

Je kunt ze soms bij rissen redden.

Dat is misschien toch nog iets te optimistisch uitgedrukt; werd niet nog in de 19de eeuw in Engeland een elfjarig meisje veroordeeld tot de strop en ook werkelijk opgehangen, voor het stelen van een brood? Her pinafore, aldus een beschrijving, was soaked with her tears. Maar inderdaad, grosso modo wordt, in de 19de eeuw of nog later, het leven voor kinderen eindelijk zo dat je je als tijdreiziger, zoals Victorine Franken schreef, in hen durft verplaatsen.